Een gelukkige Conservatief

Hij fietst, verschoont luiers en draagt een gekleurd armbandje. De leider van de Conservatieve Partij, David Cameron, is een gelukkig mens. Graag wil hij dit fortuin delen met de Britse bevolking en komen tot een Bruto Nationaal Geluk. Hoe precies, daar is hij nog niet uit.

LONDEN – Het valt niet mee om gelukkig te zijn in Engeland. De scholen zijn beroerd, de ziekenhuizen vies, de treinen duur, de jeugd is onbeschoft, het kraanwater hard, de rechters zijn laks en de politie doet aardig tegen de verkeerde mensen. De situatie is zo ernstig dat duizenden Engelsen inmiddels onroerend goed bezitten in Frankrijk, de aversie tegen de lokale bevolking, bekend als «Frogs», voor lief nemend. Uit een onderzoek bleek onlangs dat de Engelsen minder gelukkig zijn dan in de jaren vijftig, een decennium waarin men het, in de woorden van toenmalig premier Harold Macmillan, nog nooit zo goed had gehad en er voor de miserabelen altijd nog de priester was. God was niet voor niets een goed opgevoede Engelsman. Maar er gloort hoop. De Engelse treurwilg kan voor goed advies tegenwoordig terecht bij David Cameron. Deze veertigjarige leider van de Conservatieve Partij wil meer aandacht voor Gross National Happiness dan voor het Gross Domestic Product. Adam Smith heeft op de partijburelen plaatsgemaakt voor Jeremy Bentham, de filosoof van het zo groot mogelijke geluk voor het zo groot mogelijke aantal Engelsen. «Maakt u zich niet zo veel zorgen om geld», klinkt het verdacht optimistisch, «maar om de kwaliteit van het leven, de balans tussen werk en vrije tijd, over de kwaliteit van de lucht, de openbare ruimte.» Waar Margaret Thatcher het volk rijk heeft gemaakt, daar wil Cameron het gelukkig maken.

Cameron is ervaringsdeskundige. Deze verre nazaat van koning George III (zijn vrouw Samantha stamt af van koning Charles II) groeide onbekommerd op in de buurt van Newbury, een stadje dat bekend staat om zijn paardenraces, en ging naar buurtschool Eton College. Vanzelfsprekend bezocht hij Brasenose, Oxford, waar hij politiek, economie en filosofie studeerde en op de rauwe studentenvereniging Bullingdon leerde drinken. In de zomer van 1988, de zomer van de acid house, danste hij tot het ochtendgloren onbezorgd op openluchtfestivals, samen met luilakken, strebers en krakers.

Na korte tijd te hebben gewerkt in de marketing maakte Cameron carrière binnen de Conservatieve Partij. Hij was naaste adviseur van minister Norman Lamont van Financiën ten tijde van Zwarte Woensdag, de dag waarop het pond uit het Europese wisselkoersmechanisme werd gespeculeerd. Deze gebeurtenis geldt inmiddels als de redding voor de Britse economie. In 2001 werd hij parlementslid voor Witney, een schattig stadje in de Cotswolds, waar de gehaaide televisiepresentatrice Anne Robinson zijn buuf is. Doordeweeks verblijft de familie Cameron echter in hip Notting Hill.

De leiderschapscoup die hij afgelopen najaar tijdens de partijconferentie pleegde, is mede te danken geweest aan zijn oude studievrienden en mediagenieke buurtgenoten, de Cameroon Intelligence. Belangrijk is ook de steun die de «Buddha Boy of the Notting Hill Tories» geniet van partijbonzen als John Major, Maurice Saatchi en drie Michaels: Heseltine, Howard en Portillo.

Cameron streeft naar een Conservatieve Verlichting. Dankzij de smerige praktijken uit het tijdperk-Major, de uitgekookte campagnes van New Labours spindoctors en onderzoeken van Australische epidemiologen waaruit moet blijken dat het aantal zelfmoorden tijdens Conservatieve regeerperiodes pleegt toe te nemen, hebben de Conservatieven het imago van nasty party gekregen. De kwaal waaraan de partij lijdt, lijkt op het «conservative syndrom», zoals omschreven in Norman Dixons On the Psychology of Military Incompetence, met dogmatisme, etnocentrisme, intolerantie jegens minderheden, antihedonisme en weerstand tegen wetenschappelijke vooruitgang als voornaamste symptomen. Volgens de conservatieve historicus David Starkey hebben jonge conservatieve homo’s er meer moeite mee om hun politieke voorkeur te openbaren dan hun seksuele.

Om de partij weer eens een verkiezing te laten winnen, tracht Cameron de pathologische weerstand jegens verandering te beëindigen. Hij heeft reeds het verschrikkelijke nieuws verkondigd dat de 21ste eeuw zes jaar geleden begonnen is. Bon-mots van Churchill zijn vervangen door een wijsheid van Ghandi: «We must be the change we want to see in the world.» Dat de linkse beweging van ex-Labour-leider Neil Kinnock hetzelfde motto hanteert, vormt voor de thatcheriaanse garde een bewijs dat Cameron een cryptocommunist is, of, zeker zo erg, een namby-pamby liberal.

Voorbarige verwijten. Cameron bekijkt de politiek vooralsnog vanuit het perspectief van de klassieke Conservatief. Conservatisme is voor hem geen samenraapsel van voorstellen op het gebied van onderwijs, milieu of criminaliteit, maar een way of life. Ondanks hun natuurlijke neiging tot melancholie en verliefdheid op de vervlogen tijd hebben Conservatieven volgens Cameron best iets te melden op het terrein van geluk. Sterker, de Conservatief bezit in Camerons ogen het copyright van een gelukkige toekomst. Was het niet de Victoriaanse journalist Walter Bagehot die opmerkte dat «de essentie van Toryisme plezier is»? Beweerde de conservatieve denker Michael Oakeshott niet dat «warmte en een positieve houding jegens plezier» conservatieve waarden zijn?

Niet dat Conservatieve politici zelf geen plezier hebben, integendeel, maar Cameron wil het geluk democratiseren: «Ik wil dat jullie met me meekomen. We kunnen deze partij en dit land veranderen, maar we hebben moed nodig. Het zal een schitterende reis worden. Er zal geen weg terug zijn, geen valse starts en we veranderen niet telkens van richting.»

Maar eerst moest de reisleider betrouwbaar overkomen, en een beetje sexy (maar niet te veel). Het offensief begon met een foto, gemaakt door Jane Bown, de fotografe die iconen als Mick Jagger en Pulp-zanger Jarvis Cocker heeft geportretteerd. Op de informele zwart-witfoto staart Cameron de zwevende kiezer vriendelijk en uitnodigend aan. Met een ontblote hals. Hij koestert namelijk een afkeer van strop- en vlinderdassen, iets dat hij gemeen heeft met uiteenlopende lieden als prins Claus, Mark Rutte en de Iraanse president Ahmadinejad. Het werkt. Commentatoren hebben hem reeds vergeleken met Algernon uit The Importance of Being Earnest, Darcy uit Pride & Prejudice en Frodo uit Lord of the Rings.

De ware erflater van dit eigenzinnige kind van Thatcher heet Benjamin Disreali, de negentiende-eeuwse premier. Camerons «we’re all in this together» is een referentie aan diens ideaal van de ongedeelde natie en is ondertussen een poging om Thatchers overtuiging te weerleggen dat er alleen individuen zijn en er niet zoiets bestaat als «de maatschappij». Het uit zich in zijn streven naar consensus. Hoewel hij als oxfordiaan een volleerd retoricus is, verraste Cameron het Lagerhuis tijdens zijn eerste woordenwisseling als oppositieleider door zijn hand uit te steken naar Tony Blair. Cameron zei een hekel te hebben aan de op ressentiment en vijandschap gebaseerde machopolitiek van de premier. Inhoudelijk echter noemde hij zichzelf diens troonopvolger, eraan toevoegend dat hij zich er niet voor geneerde.

Net als Blair in 1997 neemt de «Tory Tony» zijn traditionele achterban voor lief: de gepensioneerde kolonels in Hampshire, de vermogensbeheerders in Belgravia en de boeren in Norfolk. Hij wil met de gelukkige boodschap een Tros-gevoel scheppen. Bij Cosmo-_vrouwen, bijvoorbeeld, leeft het beeld van een partij vol haantjes met een midlifecrisis, terwijl etnische minderheden vermoeden dat de Tory’s racistisch zijn. De _rebranding lijkt te werken. Een Brits-Indiase zakenbankier zei na een bezoek aan een partijbijeenkomst: «De laatste keer dat ik op een Tory-bijeenkomst was, werd ik aangezien voor serveerster. Ik zwoer mezelf om nooit meer te komen, maar dankzij Dave ben ik er weer.» Cameron is zelfs gesignaleerd op het boekenfestival van Hay-on-Wye, een samenscholing van lefties die de Tory’s, in een goede bui, omschrijven als cultuurbarbaren. Met de jeugd van tegenwoordig deelt Cameron zijn liefde voor Pulp, The Smiths («Margaret on the Guillotine») en Arctic Monkeys, waar hij voor de oudere kiezer aan toevoegt dat hij On Wings of Song van Mendelssohn ook mooi vindt, temeer omdat het op zijn bruiloft werd gespeeld.

Interessant is Camerons jacht op de groene stem. Te veel mensen zien de Tory’s als nihilistische materialisten, maar als het aan Cameron ligt keert de partij terug naar Edmund Burke, die de mens beschouwde als tijdelijke hoeder van Moeder Aarde. Een biologische Burke, welteverstaan. Het natuurlijke terrein van de Cameroons wordt gevormd door de boerenmarkten in Londen, de literaire salons van de 21ste eeuw, waar niet wordt gebabbeld over T.S. Eliot maar over Wensleydale, Shitaki en Colchester Blue. Op de markten van Portobello en Borough lopen young urban professionals rond, de hedendaagse variant van de opkomende stedelijke klassen die Disraeli in zijn tijd probeerde te verleiden. Net als Cameron hebben deze «minced metrosexuals», verwijfde stedelingen die in een zuinige Toyota Prius rondrijden, nauwelijks interesse in marxisme, kapitalisme, republikanisme en andere «ismen» die tot niets anders leiden dan extremisme. Ze zijn intelligent zonder intellectueel te zijn.

Cameron verlangt naar de carey-sharey sfeer van het Live8-concert, een concert zoals hij zich dat herinnert uit de zomer van 1988, maar dan met een nuttig doel: armoedebestrijding. Hij heeft zelfs Bob Geldof ingehuurd als speciaal adviseur («Gimme Y’r Fucking Votes!»). Afrika is meer dan alleen Gibraltar, luidt de boodschap aan zijn partijgenoten. Voor de materieel uitgedaagden in eigen land heeft Cameron een Social Justice Policy Group ingesteld, compleet met een Poverty & Social Breakdown Subgroup, waarmee gebroken wordt met het cynische adagium van rechtsbuiten Enoch Powell dat elke term met het woord «social» asociale gevolgen heeft. Het is geen toeval dat Camerons eerste kabinetsvergadering plaatsvond in Birmingham, na een bezoek aan een _«urban dreams»-_project in een achterbuurt.

Dit postmaterialisme is een preventieve aanval op zijn toekomstige rivaal Gordon Brown. Volgens Cameron is de calvinistische minister van Financiën te druk met het innen en herverdelen van geld teneinde het geluk te verspreiden. Echter, ervaring leert dat het smijten van geld naar Afrika of de publieke sector weinig zin heeft wanneer datzelfde geld op belastingvrije spaarrekeningen van corrupte staatslieden of zakkenvullende managers belandt. Cameron doet liever een beroep op het sociale bewustzijn van de mensen. Om de verwaarloosde gemeenschapszin te herstellen wil hij een sociale dienstplicht invoeren. «Something we did all together», zoals koraalonderzoek op Borneo, panda’s redden in China of bejaarden opbeuren in Southend-on-Sea. Er zijn al enkele gevallen van spontaan cameronianisme ontdekt. In de West-Londense wijk Hogarth hadden buurtbewoners een grasveld bij een rotonde omgetoverd tot een stadsparkje met lavendel en wilde rozen, om op een ochtend te ontdekken dat de gemeente alles had omgemaaid teneinde de kwaliteit van de publieke ruimte te verhogen.

Cameron wil «the polite party that wants to help people» leiden door zelf het goede voorbeeld te geven. Wanneer hij het woord «wij» gebruikt, praat hij niet over zichzelf (zoals Thatcher deed) of over de regering (zoals Blair doet), maar over de gemeenschap als geheel. Het is geen ongevaarlijke tactiek. Major kwam met een _Back to Basics-_campagne waarna het ene na het andere kabinetslid in het verkeerde bed ontwaakte. New Labour heeft het zelfs aangedurfd om ná enkele seksaffaires een brochure uit te geven waarin wordt uitgelegd dat mannen niet vreemd moeten gaan tijdens de zwangerschap van vrouwlief. Cameron laat geen mogelijkheid onbenut om zijn gelukkige familieleven te delen met de rest van de samenleving. Iedereen weet inmiddels hoeveel hij van zijn gehandicapte zoon Ivan houdt, dat hij na de geboorte van diens broertje Arthur vaderschapsverlof nam en zaterdags met zijn kroost gaat zwemmen. Tijdens een toespraak voor een ouderschapsinstituut noemde hij de geboorte van een kind onlangs een «magisch moment» dat geen man mag missen, een knipoog naar wijlen Denis Thatcher, die langs het cricketveld zat toen de tweeling ter aarde verscheen.

Ook Camerons milieuvriendelijkheid kent geen geheimen. Hij fietst van Notting Hill naar Westminster, is dol op zijn moestuintje en wil een windturbine op het dak van zijn huis neerzetten. De campagne voor de recente gemeenteraadsverkiezingen vocht hij niet vanuit de Conservative Campaign Headquarters (bijgenaamd het «Conservative Biodiversity Centre»), maar in Noorwegen, waar hij een gletsjer zag smelten en zeehonden knuffelde. Het bestrijden van de sluipende natuurramp die eufemistisch als «EU-visserijbeleid» wordt aangeduid, wil hij niet om de Europeanen te vriend te houden.

Minder aardig is Cameron voor grote bedrijven, die door hem wekelijks worden herinnerd aan hun sociale plichten. Het ethisch ondernemen blijft wat Cameron betreft niet beperkt tot het milieu. Hij hekelde boekhandel WH Smith, die chocoladerepen uitdeelt aan krantenkopers, warenhuis bhs, dat «Little Miss Naughty»-truitjes verkoopt voor kleine meisjes, en de bbc, die hiphopmuziek draait waarin geweld wordt verheerlijkt.

Naast het «greenmailen» van Big Business komt Cameron regelmatig met nuttige tips voor zijn landgenoten, zoals het eens per dag een stukje zwerfvuil oppikken van straat, het leren kennen van de buren en het niet helemaal vullen van de ketel voor een kopje jasmijnthee. Het geluk schuilt in de kleine dingen, zoals het gebruik van een zelfgemaakt rieten mandje bij de supermarkt in plaats van een plastic zak die omstreeks 2615 zal zijn vergaan.

Maar hoe zit het met de grote dingen? Cameron is nog in zijn wittebroodsweken – doorgaans de enige periode waarin een leider gelukkig is – en heeft politieke ideeën tot nader order opgeschort. De spannende vraag is of Cameron, eenmaal in Downing Street, doorgaat met touchy-freely advieswerk of van Daddy David in Vadertje Staat verandert. Huurt hij dr. Cliff Arnall in, de tinbergiaanse cijferaar van de Universiteit van Cardiff, die een formule heeft waarmee hij geluk uitrekent? Gaat de Old Etonian op werkbezoek naar het bergstaatje Bhutan, waar de koning het Bruto Nationaal Geluk heeft ingevoerd, maar waar niemand dolgelukkig is? Of valt hij, als een goede Tory, terug op Winston Churchill, voor wie «Happy Schemes» van de overheid tot niets konden leiden dan doffe ellende? Dat laatste heeft de voorkeur van de toehoorder die na een geluksrede van Cameron met de volgende conclusie kwam: «Just give me my money back and leave me alone.»