H.J.A. Hofland

Een gelukwens

Met het nummer gedateerd «November 6, 2003» viert The New York Review of Books zijn veertigste verjaardag. Dat gaat met een minimum aan dierbare herinneringen gepaard. Op pagina twaalf is de summiere mede deling herdrukt waarmee de redactie op 1 februari 1963 de verschijning van het nieuwe tijdschrift toelichtte.

De directe aanleiding was de staking van de drukkers in New York waardoor de letterlievenden verstoken bleven van de besprekingen in de ‹Book Review› van The New York Times. Maar, schreven de oprichters, dit is een goede gelegenheid nu te beginnen met een tijdschrift waaraan, denken wij, Amerika behoefte heeft. We hebben geen tijd en geen ruimte om aandacht te besteden aan boeken met triviale of corrumperende bedoelingen. Behalve misschien een enkele keer, om een opgeblazen reputatie tot de verdiende proporties terug te brengen of om een oplichterij onder de ogen van het publiek te brengen. De redactie hoopt dat ze, hoe onvolmaakt ook, iets van een kwaliteit zal publiceren die een serieus literair tijdschrift nodig heeft. Zo zullen we ontdekken of er niet alleen behoefte maar ook vraag naar bestaat.

Bescheidener kan bijna niet. Geen manifest, geen beginselprogramma, geen plannen van aanstormend talent om van de zittende machten gehakt te maken. En daarbij ook getuigend van een praktisch inzicht. Mocht er al behoefte bestaan, dan is dat een goed begin, maar niet genoeg. Het gaat om de vraag, commercieel en zo dringend dat de mensen naar hun portemonnee grijpen.

De oprichters (die in deze mededeling ook nog lieten weten dat ze voor hun werk geen cent betaald krijgen) hebben het bij het rechte eind gehad. Ze hebben de «behoefte» goed ingeschat, niet alleen in Amerika. The New York Review of Books is mondiaal onmisbaar. Er zijn meer buitenlandse kranten waarvan ik wil weten wat erin staat, iedere volgende aflevering weer. The Economist hoort ertoe, omdat het weekblad zo goed is geïnformeerd en omdat het onnavolgbaar de in druk weet te wekken dat Britannia «rules» nog steeds «the waves», waardoor de redactie iedere regering op aarde onontkoombare adviezen kan geven en, in het uiterste geval, een staatshoofd (Bill Clinton) kan afzetten. En dan hebben ze ook nog het patent op dat conservatieve jezuïtisme waardoor ze er elke week weer in slagen George W. Bush als geniale wereldleider uit de hoed te toveren. The Economist hoort tot mijn verslavingen.

The Guardian lees ik graag omdat ik het er negen van de tien keer mee eens ben. En The Financial Times omdat ik die op het ogenblik de best gemaakte krant binnen mijn bereik vind, de enige die erin is geslaagd zich aan de kaalslag van infotainment en typografische opleukerij te onttrekken terwijl hij zich veranderde van gespecialiseerd dagblad in een algemene politiek-literaire krant. Ander bedrukt papier dat ik vroeger onmisbaar vond — Le Monde, Der Spiegel, Die Zeit, Le Nouvel Observateur — zal ik niet overslaan als het op mijn weg komt, en daarmee is alles dan gezegd. De Nederlandse pers blijft in deze opsomming hors concours.

Waarom de Review? Ik neem niet dit feestnummer maar het vorige, met vier typerende artikelen. Arthur Schlesinger jr. bespreekt een boek van Ivo Daalder en James Lindsay, America Unbound: The Bush Revolution in Foreign Policy. Hij maakt er een essay van waarin hij op zijn beurt onontkoombaar uitlegt waarom het gezelschap dat nu in Washington de lakens uitdeelt en hetzelfde met de hele wereld probeert te doen aan een on-Amerikaanse en tot mislukking gedoemde onderneming is begonnen. Tony Judt schrijft over de uitzichtloosheid van het Israëlisch-Palestijnse conflict en de medeplichtigheid van Washington aan deze ramp. Anthony Lewis laat zien hoe de rechts pleging in de staat van Bush in zijn oorlog tegen het terrorisme zich steeds verder tot een systeem van willekeur ten nadele van moslims als collectief ontwikkelt. Ex-generaal Wesley Clark verklaart met vakmanschap wat de intrinsieke tekortkomingen in de militaire campagne tegen Saddam Hoessein waren en waarom het nu misloopt. Drie Amerikanen en een Brit die stuk voor stuk aantonen dat Bush niet zomaar een conservatieve president is, maar dat zijn naam staat voor een poging tot een conservatieve wereldrevolutie die berust op zelfoverschatting en die zich nu ontplooit in leugens, in militaire, diplomatieke en politieke mislukkingen en in internationale ontwrichting.

Het innemende van de Review vind ik dat het blad bij al deze interventies niet van karakter is veranderd. Het is politiek-literair gebleven. Daarmee is de Review een van de laatste bolwerken van het klassieke engagement, de vorm van intellectueel universalisme die in het bijzonder na de Koude Oorlog in een baaierd van specialismen en in de modder van de vrije markt zowat ten onder is gegaan. Niet toevallig dat zo’n tijdschrift in Amerika verschijnt. In het machtigste land ter wereld huist een intellectuele traditie die zich verantwoordelijk blijft voelen voor het gebruik van de macht.

Dit klinkt buitengewoon gewichtig. Zouden we het op onszelf toepassen, dan is het: retoriek, wind. Er is nu eenmaal verband tussen de macht van een land en het denkbereik van de opiniemakers. In de Review wordt iedere week Amerika behandeld, en daarmee de wereld. De manier waarop de redactie dat doet is een van de beste redenen om pro-Amerikaans te blijven. Nog vele jaren!