Profiel Omri Sharon

‹Een genetische verbetering van zijn vader›

Volgens de bijbel was Omri in de negende eeuw voor de jaartelling een legerleider uit Noord-Israël die tot koning werd gekroond. Tijdens zijn regeerperiode deed hij alles wat kwaad was in de ogen des Heren. De allerminst bijbelse Omri Sharon (38), de zoon van de Israëlische premier Ariel Sharon, doet juist alles wat goed is in de ogen van zijn vader. Hij houdt hem in het zadel en als dank leert hij «het vak» op de harde manier. Ondanks zijn mediaschuwheid komt hij steeds in het nieuws. De ene keer vanwege zijn spectaculaire ontmoetingen met Yasser Arafat, die vorig jaar voorlopig werden gestaakt, de andere keer om zijn successen als Likoed-campagnevoerder, dan weer wegens beschuldiging van nepotisme of een proces-verbaal rondom onzuivere verkiezingsgelden.

Ariel Sharon steunt zijn zoon door dik en dun. Ook wat betreft Omri’s lichaams omvang. «Omri is een gevoelige ziel in een te ruime behuizing», zei Sharon, die bij een andere gelegenheid vertelde dat Omri wel tweehonderd kilometer rijdt om een woestijnbloem te fotograferen of om ’s nachts een rivieroverstroming te gaan bekijken. In een recent interview met het dagblad Ha’aretz schreef hij zijn verkiezingsoverwinning van maart vorig jaar op het conto van Omri, die voor hem werkte als promotor van zijn persoonlijke campagne. Sharon won als innemende opa. Zijn slogan was: «Alleen Sharon brengt vrede». Pas nu begint duidelijk te worden dat dat wat overdreven is.

Pa vertelt: «Zonder Omri zou ik niet op de plek zijn waar ik nu ben. Al vele jaren geleden zei hij me dat ik niet alles zwart-wit moest zien als ik betrokken wilde zijn in de politiek. Wat dat betreft had hij een uitzonderlijke invloed. Hij is erg intelligent. Hij begrijpt mensen goed.»

De boodschap: Omri Sharon, die eruitziet als een donkere, rustige, kaalgeschoren versie van Sharon senior, is héél gevoelig. Ook Arafat had er een handje van om Omri iets te veel te loven, waardoor hij onbedoeld de lachers op zijn hand kreeg. Arafat noemde Omri een genetische verbetering van zijn vader, «aardig» en een «man met een weidse blik».

Bij de eerste bezoeken van Omri Sharon aan Arafat in Ramallah speculeerde men er al over hoe de Palestijnse leider Omri zou benaderen en vice versa. Vader Sharon pocht er immers over dat hij Arafat nog nooit een hand heeft gegeven. Sinds het uitbreken van de tweede intifada besloot hij om hem helemaal niet meer onder ogen te komen, waarna het plan rees om dan maar zijn zoon — zijn «mond en oren» — met een paar essentiële boodschappen te laten uitrukken. Arafat gaf Omri geen hand, maar omhelsde hem op Arabische wijze. Daags na de ontmoeting verschenen er grappen over de pedofiel Arafat. In april 2001 bespraken de twee een mogelijke wapenstilstand. Dat was weinig succesvol. In mei van dat jaar volgden er liquidaties van Palestijnse terroristen en daarna, op 1 juni, de Dolfinariumaanslag in Tel Aviv waarbij 21 doden vielen.

De samenkomsten tussen Omri en Arafat moesten al gauw stoppen. In april 2001, nog in dezelfde maand waarin ze waren begonnen, zei de procureur-generaal Elyakim Rubinstein dat het inschakelen van Sharons zoon als diplomatieke vertegenwoordiger «niet gepast» was. Sharon reageerde door te zeggen dat Omri niet op de loonlijst stond van de overheid, en dat het wettelijk niet is verboden om een familielid als onderhandelaar te sturen, waarmee de aanklacht van nepotisme van tafel was. Bovendien zouden Arabische leiders familieconnecties op prijs stellen. Rubinstein was half overtuigd. Hij besliste dat Omri alleen na consultatie met hem naar Arafat mocht. Sharon ging daarop in hoger beroep. Het hooggerechtshof stelde de procureur-generaal in het gelijk en scherpte zijn eis nog aan. Omri mocht alleen naar Ramallah in gevallen van leven en dood. Om over de ernst van de situatie te kunnen oordelen, zou Rubinstein eerst een defensiespecialist consulteren.

Rechtse critici vonden dat een belachelijke gang van zaken: als een procureur-generaal in de Verenigde Staten probeert om de president de les te lezen over ethisch staatsmanschap, zo schreef een criticus, zal hij er snel uitliggen, zoals Elliot Richardson overkwam toen hij tijdens Watergate weigerde om op Nixons verzoek aanklager Archibald Cox te ontslaan. Anderen zeiden dat het er weliswaar juridisch niet toe doet dat Omri de zoon is van Sharon, maar ze vroegen zich af of Omri wel de meest geschikte persoon is om met Arafat te praten, omdat hij geen doorgewinterde diplomaat is. Ook vroegen ze zich af of Omri te maken zou krijgen met conflicterende belangen door te onderhandelen voor zijn vader.

Maar Sharon wuifde de bezwaren weg. Voor het hooggerechtshof beweerde hij dat door het bevriezen van Omri’s missies de veiligheidssituatie verslechterde. Dat valt niet te bewijzen. Na de Dolfinariumaanslag wilde Sjimon Peres, minister van Buitenlandse Zaken, het van Omri overnemen. Daarbij kwamen Peres en Sharon senior met elkaar in aanvaring, waarbij Omri en de directeur van Sharons bureau dienst deden als bemiddelaars. «Als ik niet met Arafat mag onderhandelen, treed ik uit de regering», dreigde Peres niet voor de eerste keer. Uiteindelijk sprak Peres tijdens een Europese reis in het geniep met Arafat. Het is zeer onduidelijk welke invloed de inspanningen van Omri en Peres hadden op de vijandigheden tussen Israël en de Palestijnen, en over de precieze invloed van Arafat op Hamas en andere extremistische Palestijnse bewegingen hebben alleen de grootste cynici een idee.

Omri sprak in juli en september 2001 nogmaals met Arafat; de boodschap was toen al minder vriendelijk. In juli vertelde Omri uit naam van zijn vader dat Israël zou doorgaan met het uitschakelen van terroristen die op weg zijn naar hun doel of die een aanslag voorbereiden. De twee bespraken ook de wens om het Amerikaanse Tenet-plan te laten controleren door internationale waarnemers, maar dit werd later door Sharon ontkend. Vader Sharon fulmineerde dat hij waarnemers niet zou toelaten. Half september beloofde Omri dat Israël zich zou terugtrekken uit de Palestijnse gebieden als de Palestijnen het geweld zouden staken. Vanaf toen werd duidelijk dat de boodschappen van Omri in de groef bleven hangen.

In februari dit jaar, toen operatie Ver dedigingswal (de legerinvallen in april in de Palestijnse steden, onder meer de «massamoord» in Jenin, en Arafats opsluiting in zijn hoofdkwartier) al in de koker zat, ontkende het bureau van Sharon dat Omri weer bij Arafat was geweest, ditmaal om hem te vertellen dat Israël wat er ook gebeurt niet van plan is om Arafat persoonlijk te raken. Dat bericht kwam niet helemaal door. Toen Arafat luttele maanden later in zijn hoofdkwartier in Ramallah was opgesloten, riep hij zichzelf in zijn fameuze kaarsverlichte speech voor CNN uit als martelaar.

Omri is de zoon van Sharons tweede vrouw, Lily, die twee jaar geleden overleed. Zij was de zus van Sharons eerste vrouw, Margalit, die omkwam bij een auto-ongeluk. Sharon en Margalit hadden één zoon, Gur, die op tienjarige leeftijd overleed toen hij met een vriendje in hun huis met een antiek geweer speelde. Ariel Sharon was op dat moment thuis. Tot voor kort twijfelde hij er nog aan of Gur misschien zichzelf had doodgeschoten; in zijn recente Ha’aretz-interview geeft hij het vriendje de volledige schuld van het ongeluk. Een onderzoek is nooit ingesteld. Omri was als driejarig jongetje getuige, maar kan zich niks herinneren.

Omri was als kind minder geliefd bij zijn pa dan zijn knappe oudere broer, die warmliep voor tanks. Hij groeide op in Tel Aviv, in het wijkje Tzahala, waar officieren een gesubsidieerd huis kregen. Daar woonden ook Sharons legerkameraden Yitzhak Rabin en Mosje Dajan, wier kinderen ook de politiek in gingen. Na zijn afscheid van het leger in 1973 kocht Sharon een boerderij in de Negev, die wordt bestuurd door Omri’s jongere broer Gilad.

Over Omri’s invloed op zijn vader wordt veel gespeculeerd. Hij zou een temperend effect op hem hebben, maar het enige standpunt dat Sharon sinds zijn premierschap heeft veranderd, is dat hij Jordanië niet meer ziet als thuisland van de Palestijnen. Omri, die alweer volop bezig is met de volgende campagne van zijn vader (de verkiezingen van november 2003), moest als persoonlijke blunder incasseren dat een teststemming over de oprichting van de Palestijnse staat deze zomer op het Likoed-congres werd weggefloten. Ariel Sharon ging onderuit tegenover zijn aartstegenstander Benjamin Netanyahu. Deze is faliekant tegen een Palestijnse staat, hoewel hij tijdens zijn regeerperiode vrolijk de Wye-akkoorden (een essentiële fase in het vredesproces) ondertekende.

Als Omri er inderdaad mildere, meer vooruitstrevende ideeën op nahoudt, moet hij dus nog heel wat werk verzetten. Het is waarschijnlijker dat zijn hoofddoel hetzelfde is als dat van pa: op het pluche blijven.

Inmiddels is Likoed de partij met het grootste ledental in de Israëlische geschiedenis geworden: driehonderdduizend. Niet geheel ondanks Omri. Af en toe komt daarbij zijn naam in het geding: hij zou een coöperatie van buschauffeurs hebben gepaaid met de belofte om te lobbyen tegen privatisering als ze lid zouden worden van Likoed. Er loopt ook een politieonderzoek naar Omri — eigenlijk naar Sharon, maar die verwees de inspecteurs naar zijn zoon — vanwege het gebruik van (verboden) maatschappijen die bij de verkiezingscampagne donaties uit het buitenland doorsluisden.

Omri legde tal van conflicten bij tussen Sharon en leden van de Knesset en het kabinet. Hij kwam in botsing met Uri Shani, het hoofd van Sharons politieke bureau in Jeruzalem. Die trad af. De nieuwe chef is jurist Dov Weisglas, Sharon-intimus en een bekende van Omri. Met hem was hij verwikkeld in pogingen het casino in Jericho open te houden. Daartoe reisde Omri op initiatief van Peres af naar Wenen om te spreken met hoofd investeerder Martin Schlaff, een vriend van Peres, en Mohammed Rashid, Arafats economisch adviseur. Alle partijen verdienden miljoenen aan het casino. In Israël zijn casino’s verboden, maar Israëliërs kunnen wel gokken in Palestijns gebied; Palestijnen worden in het Jericho-casino niet toegelaten. Het argument van Peres was dat het casino moest draaien vanwege de economische waarde voor de Palestijnen. Toen andere Israëlische politici lucht kregen van de zaak brokkelden de onderhandelingen af.

Wat vindt Omri zelf van de verhalen die over hem de ronde doen? Hij doet gewoon zijn werk, zegt hij, en nee, hij is het niet altijd met zijn vader eens. Tijdens operatie Verdedigingswal in april deed hij als reservekapitein «gewoon zijn best» in de bezette gebieden, nadat hij een oproep had gekregen. Tijdens de Libanonoorlog zette Omri ook de kiezen op elkaar. Ten tijde van de moorden in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila in 1982 diende hij bij een parachutisteneenheid. Hij kreeg overal te horen dat zijn vader een moordenaar was. Bij de vorige verkiezingen werd hem in een praatprogramma gevraagd te reageren op de woede van een meisje wier vader was omgekomen in Libanon, en die niet wilde dat Sharon als premier aan de macht zou komen. Weer zat Omri erbij met stalen zenuwen. Hij had niet veel bijzonders te zeggen, behalve dat het hem verschrik kelijk speet.