Een geniale kakofonist

Songs door Charles van Tassel (bariton) en Marien van Nieukerken (piano), Walpurgis Records. Psalm 67, The Unanswered Question en Holidays Symphony werd uitgevoerd door het Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Ingo Metzmacher: 21 januari (Amsterdam), 22 januari (Den Haag). Vierde Symfonie wordt uitgevoerd door het Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Edo de Waart: 23 februari (Utrecht) 25 februari (Amsterdam). Three Places in New England door Noordhollands Filharmonisch Orkest o.l.v. Alicia Mounk: 19 maart (Haarlem). Sonata nr.1 en nr.2 (Concord) door Rene Eckhardt (piano): 30 maart (Rotterdam), 10 mei (Utrecht).
Zijn eerste compositie was een klaagzang bij de dood van zijn kat. Het stuk bleek tekenend voor Charles Ives (1874-1954): het alledaagse leven bepaalde zijn oeuvre. Een oeuvre dat zo uniek is dat het steeds opnieuw moet worden herontdekt.

‘GEDURENDE DE hoogtijdagen van Strauss en Debussy was hij de jaren zestig aan het exploreren’, glunderde Stravinsky, gevraagd naar zijn mening over Charles Ives. En hij somt op: polytonaliteit, atonaliteit, toonclusters, toonreeksen, meervoudige orkesten, een ritmisch vocabulaire dat nog steeds toonaangevend is voor de huidige avant-garde, micro-intervallen, perspectivische effecten, toeval, statistische constructies, permutaties, practical jokes en geimproviseerde muziek. 'Dat waren een halve eeuw geleden de ontdekkingen van Ives, die op zijn gemak de hedendaagse koek verorberde voordat wij uberhaupt aan tafel hadden plaatsgenomen.’ t Deze eigengereidheid werd hem zeker niet van begin af aan in dank afgenomen. Compositieleraar Horatio Parker probeerde Ives de beginselen van de Europese muziektraditie bij te brengen. Tevergeefs: het ene conflict stapelde zich op het andere. Bijvoorbeeld toen Ives het eerste deel van zijn Eerste Symfonie aan zijn leraar liet zien. In plaats van zich aan de afgesproken toonsoort d klein te houden, moduleerde het eerste thema door zo'n acht toonsoorten. Anno 1898!
Het gevolg was dat Ives gedurende zijn leven zelden een van zijn eigen werken heeft gehoord. Alleen al het notenbeeld deed veel musici terugschrikken, laat staan dat een uitgever brood zag in de uitgave van de partituren. De twee werken die in druk verschenen - de 114 Songs en de Concord Sonata (voltooid in 1915) voor piano solo - heeft Ives in eigen beheer uitgegeven. En tegen de tijd dat zijn muziek daadwerkelijk aan steun en populariteit won - Leonard Bernstein wierp zich op als promotor - was het al te laat: te beducht voor teleurstellingen bleef Ives weg. Zo was bij de premiere in 1951 van de Tweede Symfonie (die dateert uit 1902) in de Carnegie Hall alleen zijn vrouw aanwezig. Zelf luisterde Ives een week later naar de radiouitzending.
Hoewel vanaf deze tijd de belangstelling voor Ives’ werk groeide, schreef Reinbert de Leeuw in 1967 in zijn essaybundel Muzikale anarchie: 'Ives’ muziek is een explosie, die uit het niets voortkwam en onbegrepen weer in het niets verdween.’
ZO ONDERSCHAT als de componist tijdens zijn leven was gebleven, zo triomfantelijk werd hij door latere generaties binnengehaald. Met name door de zogenaamde Notenkrakers in Nederland. In hetzelfde essay legt De Leeuw uit: 'De werkelijkheid van Ives’ muziek nu en vermoedelijk nog meer in de toekomst wordt bepaald door de muzikale anarchie die in zijn werken heerst, de onbekommerde nonchalance waarmee hierin met traditie, goede smaak en esthetische normen wordt omgesprongen, het feit dat in principe alles mogelijk en toelaatbaar is, of dat nu “America, the Beautiful”, een Bach-sequens of een in zijn tijd ondenkbare geavanceerdheid is.’
Ives komt voor de Notenkrakers als een geschenk uit de hemel. Zij hebben het immers niet alleen te stellen met een star en conservatief muziekleven in Nederland, het contemporaine componeren in internationaal verband bevindt zich ook in de ijzeren greep van het serialisme. Dat is niet voor iedereen een onverdeeld genoegen. In een interview met Peter Peters in 1985 blikt Reinbert de Leeuw terug: 'De Europese stroom op dat moment legde een enorme claim op je. Onbewust was er een keurslijf: er is maar een ding mogelijk en dat is dit. Ives’ muziek laat zien dat er niet een muziek is.’ Reinbert de Leeuw spreekt in dit verband van 'inclusieve muziek’ die allerlei stijlen en genres - in Ives’ geval uit de Amerikaanse volksmuziek - opzuigt, in tegenstelling tot exclusieve muziek zoals de serialistische die juist allerlei beperkingen stelt: 'Alles kon een plaatsje krijgen in zijn muziek. Die botsing van werelden was vergelijkbaar met de botsing van denkwerelden die in het midden van de jaren zestig in de maatschappij plaatsvond. Duidelijk werd dat het leven niet zo rechtlijnig was, maar dat je ook andere afspraken kon maken. Dat idee van vrijheid, daarin zie je prachtige parallellen.’
De muziek en de figuur van Ives vormden een reddingsboei in open zee waar de Notenkrakers zich aan konden vastklampen. Op zijn beurt moest ook Ives gered worden: met het onder de aandacht brengen en uitvoeren van zijn muziek, de oprichting van de Charles Ives Society (de eerste ter wereld) en de vervaardiging van een boek, een nieuwsbulletin en een televisiedocumentaire. Het effect bleef niet uit en een paar jaar later besloot men - Reinbert de Leeuw, Louis Andriessen en J. Bernlef - de Society weer op te heffen.
Het grappige is echter, dat juist door de stroom publikaties die sindsdien op gang kwam, het beeld van Ives steeds genuanceerder en gecompliceerder werd. De Notenkrakers waren geneigd de nadruk te leggen op het anarchistische karakter van Ives’ muziek, zijn verregaande onafhankelijkheid (bij gebrek aan radio, grammofoon of concertbezoek kende Ives nauwelijks andere muziek) en zijn visionaire geest, die anticipeerde op ontwikkelingen die vijftig jaar later zouden plaatsvinden. Bovendien was Ives een man van principes en idealen, die de verbeelding prefereerde boven de realiteit.
Het mooiste voorbeeld is wellicht de Universe Symphony, waaraan Ives tot aan zijn dood is blijven werken, maar die vanaf het begin bedoeld is geweest om onvoltooid te blijven. In de Universe Symphony wilde Ives de aardse en hemelse muziek in een steeds bewegend perspectief tegenover elkaar plaatsen. Hoewel hij wist dat dit onmogelijk te realiseren was, koesterde hij het idee. Zijn idealisme spreekt ook uit het feit dat de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog niet alleen zijn mensbeeld hevig door elkaar schudden, maar hem tevens artistiek blokkeerden. Hoewel Ives pas in 1954 overleed, heeft hij na 1920 niets substantieels meer geschreven.
IVES WAS DE generatie van de jaren '60 uit het hart gegrepen. Maar dit was alleen mogelijk door bepaalde aspecten van zijn persoonlijkheid buiten beschouwing te laten. In welk opzicht moest het beeld van Ives worden bijgesteld? Niet het verhaal over zijn levensloop. Dat is altijd onomstreden geweest dank zij de biografie van de componist Henry Cowell, die in 1955, een jaar na de dood van Ives, verscheen.
Cowell beschrijft aan de hand van Ives’ eigen herinneringen diens jeugd en de grote invloed die zijn vader had. George Ives had in het Amerikaanse dorp Danbury het monopolie op alles wat met muziek te maken had. Hij was fanfare- en koordirigent, organist en muziekleraar op verschillende instrumenten. Van zijn vader nam Ives zijn nieuwsgierigheid voor geluiden over. Zijn vader attendeerde hem op muziekjes die simultaan klonken, het effect van kwarttonen of van alledaagse straatgeluiden die George op de piano probeerde te imiteren. De jeugd van Charles Ives was met muziek overgoten en al snel nam hij zelf actief deel: als twaalfjarige speelde hij snare-drums in de band van zijn vader, als veertienjarige werd hij aangesteld als organist in de baptistische kerk, en onderwijl onderwees zijn vader hem muziektheorie, piano, viool en hoorn. Vele jaren eerder had hij al zijn eerste noten op papier gezet. Een klaagzang bij de begrafenis van zijn kat had geleid tot een reeks opdrachten van buurtgenootjes voor marches funebres ter nagedachtenis van allerhande huisdieren.
De fantasieloze benadering van componeren die Ives later op het conservatorium aantrof, deed hem zijn vader met terugwerkende kracht waarderen: hij besefte hoe ongewoon diens originaliteit en experimenteerlust waren geweest. Als meest bepalende ervaring voor zijn muzikale ontwikkeling refereerde hij altijd aan de keer dat zijn vader een tweede fanfare uit een naburig dorp had uitgenodigd om een basketbaltoernooi op te luisteren. De twee bands kwamen elkaar in de hoofdstraat van Danbury tegemoet, vermengden tot een afschuwelijk dissonante kakofonie en verwijderden zich weer. Dit idee van simultaneiteit - en dan speciaal van alledaagse geluiden en muziekjes - is de kern van Ives’ muziek: herkenbare citaten worden door elkaar geklutst, op een collage-achtige wijze worden verschillende muzieken scherp achter elkaar gemonteerd, of er is sprake van een gelaagdheid waarbij dan het een, dan het ander op de voorgrond treedt - dit alles ontleend aan het beeld van een voetganger die door een drukke, lawaaierige hoofdstraat loopt. Volgens Henry Cowell had Ives bij het ontwerpen van zijn muziek ook de natuur voor ogen: organismen met hun 'mysterieuze en complexe gedrag’: 'De dubbelzinnigheid van de werkelijkheid, alle paradoxen van het bestaan, zijn aanwezig in het denken van Ives. Dat maakt dat zijn ideeen vaak ingewikkeld, dat zijn uitspraken moeilijk te volgen en dat zijn meest alledaagse conversaties verwarrend kunnen zijn. De reden is dat hij gelooft dat het een noodzakelijke stap op weg naar de zuivere waarheid is om een idee in al zijn tegenstrijdige aspecten uit te drukken.’
HET IS PRECIES op dit punt dat Ives’ levensvisie haaks staat op het dialectische denken dat zo kenmerkend was voor de jaren zestig. Ives was allesbehalve een revolutionair. Hij hing een zelfgebrouwen politieke filosofie aan, een mix van transcendentalistische, sociaal-darwinistische en progressieve ideeen die, goed geschud, tot een gematigd conservatief standpunt leidden.
Uit het transcendentalisme nam Ives het idee over dat God, mens en natuur een eenheid vormen, dat God zich in alles manifesteert en dat de mens daarom ten principale 'goed’ is. Het sociaal-darwinisme verleende een zeker ontwikkelingsperspectief aan dit statische wereldbeeld en leidde tot Ives’ theorie over the majority en zijn pleidooi voor een referendumdemocratie: hoe meer mensen een opvatting delen, hoe groter de kans is dat zij het moreel gelijk aan hun kant hebben. Ives paste, in navolging van de Progressive Movement (1900-1920), deze ideeen toe op de maatschappelijke ontwikkelingen in zijn tijd met als doel de uitwassen van het kapitalisme te beteugelen. Van klassenstrijd moest hij echter niets weten en in wezen hing hij een romantisch-conservatieve terug-naar- de-natuurethiek aan. Deze nostalgische gedachte komt ook in veel van zijn - vaak eigenhandig geschreven - liedteksten terug.
Dit betekent echter geenszins dat Charles Ives een wereldvreemde fantast was. Integendeel: na voltooiing van zijn conservatoriumopleiding, 24 jaar oud, realiseerde hij zich, dat hij met zijn muziek geen droog brood zou verdienen, laat staan een gezin zou kunnen onderhouden. Hij ging het verzekeringswezen in en ontpopte zich eigenlijk tot een schoolvoorbeeld van de American dream door te beginnen als een five-dollar-a-week- clerk en te eindigen als compagnon van een grote verzekeringsmaatschappij met een kapitaal van 49 miljoen dollar. Om het geld bekommerde Ives zich niet (na zijn pensionering wilde hij slechts een bescheiden toelage), maar des te meer om morele en spirituele waarden, die in zijn levensvisie behoudend en vroom van karakter waren.
Het meest intrigerend aan Ives is dan ook de tegenstelling tussen de conservatieve burger, die bijvoorbeeld een vlammend betoog over de deugd van de 'mannelijkheid’ kon houden, en de componist die een volkomen ontwortelde, anarchistische muziek ontwierp. Daar moet bij aangemerkt worden dat dit anarchistisch karakter in de tussentijd ook bekritiseerd is. De Amerikaanse auteur H. Wiley Hitchcock wijst er, in een in 1987 gepubliceerd artikel op, dat Ives’ muziek eigenlijk veel systematischer en constructivistischer is dan men ooit heeft opgemerkt. Dat laat onverlet dat zijn muziek vele decennia op de ontwikkelingen vooruitloopt.
MET DE OPHEFFING van de Charles Ives Society was het laatste woord over Ives nog niet gezegd, laat staan dat men uitgeluisterd zou zijn op zijn muziek. Het grote aantal werken dat verspreid over dit seizoen tot klinken komt, wijst op een nieuwe revival en zodra zijn muziek (met name de symfonische werken) live wordt uitgevoerd, sta je ook als beroepsluisteraar weer met je oren te klapperen: wat een buitensporige fantasie, wat een schaamteloos spektakel.
Natuurlijk ligt het voor de hand te zeggen dat Ives’ muziek goed past in de huidige voorkeur voor spontaniteit, bonte kleuren en vermenging van kunst en populaire muziek, maar eigenlijk vormt zijn oeuvre zo'n uniek universum dat zijn muziek keer op keer zal worden herontdekt. In feite overkwam dat Ives tijdens zijn leven al. In 1932 speelde hij een hoofdrol in Ontdekkingen van een muziekcriticus van Paul Rosenfeldt; in de loop der jaren volgden koppen als 'Charles Ives verrijst’, 'Late erkennning’, ’ “Nieuw” genie: 72’, 'Charles Ives wordt herontdekt’, 'Verlaat tromgeroffel voor genie’ enzovoort.
Er is, kortom, niets nieuws onder de zon. Afgezien dan van deze muziek, die steeds opnieuw een openbaring blijkt te zijn.