Jessurun de Mesquita

Een genoeglijk pitje

De kunstenaar Samuel Jessurun de Mesquita (1868-1944) kwam voort uit een energieke joods-Amsterdamse familie uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Zijn vader was leraar Duits en Hebreeuws aan het gymnasium, zijn broer werd fotograaf, zijn zuster Anna kreeg een kunstopleiding, de beeldhouwer Joseph Mendes da Costa was zijn neef en werd later zijn zwager. Tijdens zijn leven werd Jessurun zeer gewaardeerd als tekenaar, graficus en ‘sierkunstenaar’. Hij was lid van kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae, hij was een invloedrijke docent grafische techniek op de kunstnijverheidsschool in Haarlem (Escher was een van zijn leerlingen) en hij had een eigenzinnige praktijk als ‘ongebonden’ kunstenaar, in hoofdzaak in grafiek. Hij ontwikkelde daarin een eigen genre, dat hij ‘sensitivistisch’ werk noemde: ‘improvisaties van teekenkunst, geproduceerd door zijn tweede ik’, ‘met uitschakeling van den geest’.

Small kunst

Jessurun staat in de schaduw van meer ambitieuze tijdgenoten als Gerrit Dijsselhof, Carel Lion Cachet, Theodoor van Hoytema, Johan Thorn Prikker en ook van die neef, Joseph Mendes da Costa. Het heeft misschien te maken met zijn meer bescheiden begin. Jessurun hing niet aan de toog met de Tachtigers. Hij werd niet toegelaten tot de Academie en ploeterde eerst als tekenleraar en ornamenttekenaar op het atelier van de architect Springer. Hij ging daarna weef- en batikpatronen ontwerpen voor ’t Binnenhuis en kwam pas na 1905 tot een echt eigen praktijk. Het heeft misschien ook te maken met zijn karakter: hij gold als een vasthoudende maar vrijzinnige docent, bescheiden en beminnelijk.

De tentoonstelling die het Joods Historisch Museum aan hem wijdt is niet de eerste; nog in 2005 werd zijn werk getoond in het Gemeentemuseum Den Haag. Hier gaat het vooral om Jessuruns expertise in grafiek, en daar zitten fraaie dingen onder. Hij experimenteerde graag. Zo hangt hier een fraaie Vogelveer, een ets die is uitgevoerd in hoogdruk, waardoor de geëtste lijnen wit blijven. Zijn houtsneden zijn zeer goed. Met de ontwerper Chris Lebeau bracht Jessurun veel tijd door tekenend in Artis, en zette zeboes en zilverreigers neer in krachtige gestileerde vormen, soms bijna Japans in hun grafische eenvoud. In die vereenvoudiging zie je een hang naar het decoratieve, naar het grafische patroon, iets wat je je ook goed kunt voorstellen op bekleding, gordijnen of boekbanden.

Jessurun maakte er echter een punt van dat zijn eigen werk niet als ‘toepassing’ gezien moest worden. Ik denk dat zijn ‘sensitivistische’ tekeningen een rol spelen in zijn idee van onafhankelijkheid. Jessurun gaf ze in prent uit, zonder ooit uit te leggen waar ze over gingen. Het zijn rare tekeningen, soms snelle karikaturen van popperige wezentjes met grote ogen en grote oren, soms meer dromerige exotische invallen. Ze zitten ergens tussen het spiritueel gezemel van Jan Toorop en het sarcasme van Georg Grosz in, maar ze missen, volgens mij, artistieke overtuiging. Soms geeft dit soort ongedwongen krabbels een onvermoed inzicht in de diepere vulkanische kern van de kunstenaar. Soms laten ze echter juist zien dat die kern maar klein is, en het vuur onder het kunstenaarschap een genoeglijk pitje. De tentoonstelling toont een man met een levendige geest, een aardige Amsterdammer, een vindingrijk docent en een virtuoze ambachtsman; het zou flauw zijn om iemand die zo zijn best gedaan heeft een minor artist te noemen.

Samuel Jessurun de Mesquita.Joods Historisch Museum Amsterdam, t/m 11 juni; jhm.nl