Een geschiedenis van de aanpassing

Horst Lademacher, Die Niederlande: Politische Kultur zwischen Individualitat und Anpassung. Propylaen Verlag, 742 blz., DM148 (geb. en rijk geill.)
VANAF DE JAREN vijftig houdt de in 1931 geboren Lademacher, die van 1972 tot 1979 hoogleraar was aan de Amsterdamse Vrije Universiteit en nu directeur is van het Zentrum fur Niederlandestudien aan de Westfalische Wilhelmsuniversitat in Munster, zich intensief met de Nederlandse geschiedenis bezig. Hij beheerst de Nederlandse taal grondig en heeft mede daardoor ook veel zelfstandig onderzoek kunnen doen. Na zijn terugkeer naar de Bondsrepubliek publiceerde hij in 1983 een Geschichte der Niederlande.

Het was een vooral op de politieke, institutionele en sociaal-economische geschiedenis gerichte samenvatting van de geschiedenis van de Nederlanden vanaf 1428, toen door de politiek van hertog Philips de Goede de Bourgondische tijd in Nederland begon. Maar hij wilde meer. In 1993 verscheen zijn Die Niederlande, een overzicht dat weliswaar de ondertitel ‘politische Kultur’ heeft, maar dat met recht als een voorbeeld van integrale geschiedschrijving kan worden beschouwd. Politieke, sociale, economische en culturele aspecten van de geschiedenis van Nederland komen alle aan bod. Het boek als geheel is een betrouwbaar, goed geschreven standaardwerk dat zowel buiten als binnen Nederland zijn lezers kennis van en inzicht in de ontwikkelingsgang van de Nederlandse geschiedenis biedt.
HET VERBINDENDE thema in het boek is de voortdurende spanning tussen de in de loop van de jaren gegroeide individualiteit van de Nederlanders en de telkens weer van hen gevraagde aanpassing aan actuele problemen. Een spanning die al voor 1572, toen de Nederlandse steden in opstand kwamen tegen Philips II van Spanje, in Nederland bestond en nu nog steeds bestaat. Het eerste deel van het uit drie delen bestaande boek is gewijd aan de samenvoeging van de Nederlanden door de Bourgondische en Habsburgse landsheren en de opbouw van het centrale gezag. Dit streven naar eenheid en centralisatie wekt verzet bij de bewoners van de verschillende gewesten, vooral bij de burgers in de steden. Lademacher maakt in zijn tweede deel niet geheel duidelijk waarom uiteindelijk maar zeven van de zeventien Nederlanden in 1648 onafhankelijk worden van Spanje en het Duitse keizerrijk. Zijn thema houdt hij echter goed vast. Tegenover de monarchieen in Europa scheppen de Nederlanders hun Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588-1795) en in die Republiek verzet de opkomende middenklasse in de steden zich tegen de kleine laag van rijke bestuurders. Deze regenten zoeken in hun nood steun bij de voor 1748 door hen verguisde 'stadhouders’ uit het vorstenhuis Oranje-Nassau. Lademacher laat zien hoe de heerschappij van regenten en stadhouder, met steun van het revolutionaire Frankrijk, in 1795 tijdelijk wordt weggevaagd.
Na de val van keizer Napoleon keren de Oranjes uit hun ballingschap in Nederland terug en verwerven dan onmiddellijk de soevereiniteit die de regenten van de Republiek voor 1795 collectief hadden bezeten. Het daardoor ontstane Koninkrijk der Nederlanden past uitstekend in het na het Congres van Wenen 'gerestaureerde’ Europa. Toch slaagt de liberale bourgeoisie er al in 1848 in, zo blijkt in Lademachers derde en laatste deel, de koning uit het huis Oranje-Nassau van zijn macht te beroven.
VANAF 1860 BEGINNEN de arbeiders, die in Nederland rechteloos zijn, zich te organiseren. In 1919 is hun strijd politiek gesproken gewonnen en zijn alle Nederlanders - mannen en vrouwen - vrijwel gelijk voor de wet. De Nederlanders vormen dan nog niet een volk. Vier grote groepen - liberalen, protestanten, katholieken en sociaal-democraten - staan op hun individuele rechten, waardoor, zegt Lademacher terecht, het 'niederlandische Phanomen der Versaulung’ ontstaat. Dit verschijnsel wordt door de auteur op verhelderende wijze behandeld. Daarbij heeft hij extra aandacht voor de ontwikkeling van de Nederlandse sociaal-democratie en voor de afkeer bij de meeste Nederlanders van fascisme (inclusief de kwaadaardigste variant ervan: het nationaal-socialisme). Toch vergist de auteur zich als hij de antifascistische beweging Eenheid door Democratie een door een partij, de SDAP, geinspireerde beweging noemt. Het was in de eerste plaats een vooruitstrevend-liberale reactie op de principiele ongelijkwaardigheid die de fascisten wilden. Aan de hand van de geschiedenis van de Duitse greep op Nederland in de jaren 1940-1945 toont hij de ambivalentie in de verhouding tussen Nederland en Duitsland, een ambivalentie die in 1994 nog steeds bestaat. Pijnlijk voor de Nederlanders, maar juist, is Lademachers overzicht van de vrijwording van Indonesie. De strijd over 'goed’ en 'fout’ bij de aanpak van deze 'kwestie’ is in Nederland nog lang niet uitgestreden.
Met een korte behandeling van de consolidatie sinds de jaren vijftig, ingeleid door de 'revolutionaire’ jaren zestig en zeventig, beeindigt de auteur zijn grote werk. De verzuiling in Nederland lijkt verdwenen, marxistisch georienteerde communisten zijn er sinds 1989 niet meer, iedere Nederlander schijnt zijn eigen baas, en toch is er tussen de Nederlanders cohesie gebleven: tegenover Europa en voor Europa, tegenover de gehele wereld en voor die wereld. Die cohesie maakt in 1994, maar dat kon Lademacher nog niet in zijn boek verwerken, voor het eerst in de moderne geschiedenis van Nederland een samengaan van liberalen, liberale democraten en sociaal-democraten in een regeringscoalitie mogelijk, terwijl de nu voor het eerst sinds 1918 oppositionele christen-democraten van die coalitie nauwelijks afwijkende doelen hebben. Deze ontwikkeling past volkomen in de Nederlandse politieke cultuur tussen individualiteit en aanpassing vanaf de vijftiende eeuw, zoals zij door Horst Lademacher in Die Niederlande is vastgelegd.
TOCH SCHUILEN ER, vooral voor degenen die door het bestuderen van dit boek voor het eerst kennis nemen van de Nederlandse geschiedenis, nog wel allerlei adders onder het gras. Wellicht moest er toch teveel stof worden geperst binnen de beperkte omvang van het boek. Het lijkt erop dat Lademacher daarom in een speciale chronologische tabel nog het een en ander heeft willen toevoegen, waarvoor hij in zijn tekst geen ruimte meer kon vinden. Maar op die manier komt de alleen maar in die tabel genoemde deportatie in 1944 van de mannelijke bevolking van Putten door de Duitse bezetters in de lucht te hangen. Eveneens bevreemdend is dat de voor een goed begrip van de jongste Nederlandse geschiedenis belangrijke 'Nacht van Schmelzer’ in 1966, toen behoudende katholieken een vooruitstrevende regeringscoalitie van sociaal-democraten, katholieken en antirevolutionairen ten val brachten, alleen in de chronologische tabel is opgenomen. Onvermeld blijft daar eveneens het meest progressieve kabinet dat Nederland ooit heeft gehad: het kabinet- Den Uyl. Lademacher spreekt in zijn geschiedverhaal wel over de jonge sociaal-democraat Joop den Uyl, maar over Den Uyl als leider van dit van 1973 tot 1977 regerende kabinet zwijgt hij.
De auteur gebruikt geen voet- of eindnoten. Wel geeft hij een indrukwekkende, ruim dertig pagina’s omvattende bibliografie. Maar door het ontbreken van noten wordt controle op de door hem gebruikte gegevens moeilijk. Zo vermeldt hij een bundel teksten van de belangrijke Nederlandse feministe Joke Smit, Er is een land waar vrouwen willen wonen. Maar in zijn tekst noch in zijn chronologische tabel wijdt Lademacher ook maar een woord aan mevrouw Smit. De strijdster voor vrouwenrechten Aletta Jacobs (1854-1929) wordt alleen in de chronologie genoemd. Afgezien van koninginnen, prinsessen, hertoginnen, gravinnen, een enkele kunstenares en Anne Frank heeft de auteur de invloed van vrouwen op de geschiedenis van Nederland geheel verwaarloosd. Is de voor de bevrijding van de vrouw vechtende Mina Drucker (1847- 1925) op wat langere termijn gezien niet invloedrijker geweest dan, bijvoorbeeld, de door Lademacher wel besproken predikant Hendrik de Cock uit het Groningse Ulrum, die in 1834 de grondslag legde voor een orthodoxere gereformeerde kerk naast de gewone Nederlandse hervormde kerk? Orthodoxe gereformeerden komen in Nederland nauwelijks meer voor, maar bevrijde vrouwen zijn in de jaren negentig eerder regel dan uitzondering.
SOMS STUITTE Lademacher bij zijn onderzoek op nuances die voor een niet-Nederlandse historicus bijna niet te verwerken zijn. Zo bevalt hem de Nederlandse spelling van de Indonesische landstreek Atjeh niet. Dat moet volgens hem 'Aceh’ zijn. Maar hij vergeet dat Sumatra dan 'Sumatera’ dient te worden, Djakarta 'Jakarta’ en Djokjakarta 'Yogyakarta’. Ondertussen ontgaat het hem dat de Nederlandse koloniale oorlog tegen Atjeh niet in 1878 maar in 1873 begint. Het zijn maar details. Toch merkte de Nederlandse marxist Sam de Wolff eens terecht op dat je voor de feiten 'je petje moet afnemen’.
Lademacher noemt De Wolff overigens niet, hoewel hij wel onevenredig grote aandacht geeft aan beide, vooral door De Wolff geleide Sociaal-Democratische Centra (eerste en tweede SDC: 1946-1947; 1955-1960). Beide centra probeerden de PvdA weer in het marxistische spoor te brengen. Evenals in het geval van Joke Smit rijst de vraag: Als volgens de auteur de rol van personen in de geschiedenis belangrijk is, waarom noemt hij de (katholieke) dissident Frans Duynstee wel en de (sociaal-democratische) dissident Sam de Wolff niet?
Moeilijk voor de buitenlandse onderzoeker blijken de aan bijna iedere Nederlander bekende begrippen 'goed’ en 'fout’ gedurende de Tweede Wereldoorlog. De auteur geeft ze weer met de Duitse woorden voor 'goed’ en 'slecht’. Dat is niet juist. 'Goed’ betekent: tegen de nationaal-socialistische onderdrukkers, 'fout’ betekent: 'verkeerd’, dat wil zeggen collaborerend met de Duitse bezetters. Iemand die 'goed’ is, kan dus ook 'slecht’ zijn, maar nooit 'fout’.
Een soortgelijke moeilijkheid: een Nederlandse historicus zal niet gauw schrijven dat in de Tweede Wereldoorlog 110.000 joodse Nederlanders zijn 'omgekomen’ ('umgekommen’). Hij zal spreken over joden die zijn vermoord ('umgebracht’) of, zoals de Nederlandse historicus Jacques Presser het uitdrukte, zijn 'verdelgd’ ('vertilgt’).
Maar deze kwesties - en de lezer die er aardigheid in heeft kan er meer noemen: zo plaatst Lademacher de grote april-meistaking van 1943 (met 130 door de Duitsers vermoorde stakers) nota bene in 1942, sterker nog: het zeer belangrijke jaartal 1943 ontbreekt geheel in zijn toch gedetailleerde chronologische tabel - kunnen het beeld van de grote lijn dat Lademacher in zijn boek over de Nederlandse geschiedenis laat zien, niet verstoren.