Een geschiedenis van uitsluiting

De dag dat ik mijn naam veranderde van Bibi Dumon Tak is een bij vlagen aangrijpende roman over de weigering om te delen. Alsof er in relaties nooit echt genoeg is of kan zijn. Hoe dat te doorbreken?

Bibi Dumon Tak schreef een roman over woede en wraak © Koos Breukel

De woede van vrouwen in fictie. Daar gebeurt wat mee. Er lijkt een verschuiving plaats te vinden als het gaat om de verbeelding, de weergave. Niet langer komt die uitsluitend terecht in gothic stories of thrillers die nooit echt hun tanden zetten in de werkelijkheid. Of bij personages die haar vervolgens vol zelfbeschadiging naar binnen richten, eeuwig verklonken aan geesteszwakte, ziekte, waanzin, leugenachtigheid of hysterie. In een groeiend aantal boeken vinden we nieuwe voorstellingen van de vaak lang verborgen, onderdrukte woede van meisjes en vrouwen. Zo ook in De dag dat ik mijn naam veranderde van Bibi Dumon Tak (vooral bekend als jeugd- en kinderboekenschrijver), die hiermee krachtig en met zwier haar handtekening zet onder een roman voor volwassenen.

De woede in dit boek hoort bij protagonist Anna, oudere zus van de veel te jong aan kanker gestorven Lize. Haar verhaal is dat van verlies, rouw, machteloosheid en een allesverzengende toorn die vooral, nee, uitsluitend is gericht op haar zwager. De ex-man van haar zus en vader van haar twee kinderen, ‘hij wiens naam ik niet zal noemen’. De man die zich na de dood van deze geliefde, sprankelende zus opwerpt als niet te nemen horde en iedere vorm van contact tussen Anna en haar neefjes onmogelijk maakt. Maar het boek raakt aan meer dan deze verstoting en uitsluiting door de ex-man. Het geeft ook de geschiedenis van eerdere buitensluiting. Van verwaarlozing en bruuske onverschilligheid. En voert de lezer, soms langs en voorbij Anna, naar de mogelijke bron en oorsprong van haar gramschap die ze zo eenzijdig en raadselachtig op de zwager richt.

Het verhaal opent met Anna bij de notaris, waar de nalatenschap van Lize wordt behandeld. (Wie krijgt wat? Wie heeft recht op toegang tot het huis van Lize en het daarin opgeslagen leven, en vooral, op contact met haar kinderen?) Meteen wordt duidelijk dat de weg naar hen is afgesloten. De ex wil zelfs de dingen die door de moeder voor de jongens zijn achtergelaten niet aan ze geven.

‘Lize moest dus sterven in de wetenschap dat alles erop was gericht om haar jongens hun moeder zo snel mogelijk te laten vergeten.’ Een constatering die niet alleen verbonden lijkt met de handelingen en beslissingen van de ex-man, maar vooral ook met ingevreten oud zeer. Met achteloosheid en vergeten in het algemeen, nu en in het verleden; door de vader, de broer, door oom, de mannen in de familie van Anna en Lize. In 32 hoofdstukken, waarvan een flink aantal als ‘brief’ in de je-vorm gericht zijn aan de gestorven Lize (in een aangrijpende poging om zo over de dood heen contact met haar te houden), komen we hierover meer te weten, middels drie verhaallijnen, voor- en achteruitschuivend in de tijd.

Te beginnen met het moedwillig kapotgetrapte gezin waaruit Anna, Lize en hun broer afkomstig zijn. Hoe moedwillig wordt kernachtig verbeeld in de scène met de kerstboom. Daarin wordt door moeder, als de kinderen nog klein zijn, ter versiering via een ingenieus systeem van door de schil getrokken draadjes talloze mandarijntjes opgehangen (‘toen we zagen hoe mooi de boom was geworden misten we die glimmende ballen niet meer’) die in een grimmige en verder niet toegelichte woede-uitbarsting door vader tot pulp worden getrapt. Het staat symbool voor de verwoesting die dit gezin (steeds) treft. Voor moeder is het de druppel. Het luidt de definitieve breuk in. En het betekent de stagnatie van de relatie tussen vader en kinderen. Bij zijn vertrek lijkt hij hen al vergeten. ‘Hij zou ons voortaan met zich meedragen zoals je kiezelsteentjes meedroeg in de zool van je schoen, wel merkbaar, maar niet hinderlijk genoeg om voor te bukken en ze te verwijderen.’ Het is deze onachtzaamheid die zich als een gif door de verdere levens vreet. Anna en haar broer zullen vader in de toekomst nog wel blijven bezoeken in zijn piepkleine, van schimmel en stof doortrokken Akkerhuisje in Zeeland, tot ver voorbij het kantelpunt voor Anna; het moment waarop ze beseft wat ze wel en niet is voor de mannen in haar familie. Maar de kleine (dove) Lize blijft thuis bij moeder, die het verblijf bij de slordige vader voor haar jongste te gevaarlijk vindt.

De tweede verhaallijn is die van de stervende Lize, die dan ergens in de veertig is. Prachtig en ontroerend wordt beschreven hoe deze sprankelende Lize, hardhorend en daardoor moeizaam lerend en pratend, zich met ijzeren volharding heeft ontpopt tot een zelfstandige en bewonderenswaardig eigenzinnige vrouw die – against all odds – haar vwo en een studie heeft afgerond en werkzaam is als trajectbegeleider van auditief beperkten. Levend, o, zo levend spat zij van de pagina’s af. Ach, waarom krijgt uitgerekend zij dit doodvonnis in de vorm van ongeneeslijke kanker? En deze farce van een huwelijk met de geminachte en bewust naamloos gehouden zwager (pas op driekwart van het boek wordt de naam Juliano naar hem toegesmeten)? Een man die zich schuldig zou hebben gemaakt aan huiselijk geweld en zelfs de keel van Lize zou hebben toegeknepen. Bij monde van Anna horen we over een bizarre strijd die zich tussen beide echtelieden heeft afgespeeld. Omdat moeders een oneerlijke voorsprong (zouden) hebben is er vanaf het moment van geboorte van hun baby een strikte voedingsverdeling: de helft van de borstmelk in flesjes – voor vader. Waarna het hartverscheurend tafereel van een brullend, hongerig kind en een moeder met lekkende borsten…! Voeden mag zij niet; de melk moet gekolfd en in de fles. Al weten we dit uit tweede hand, Anna is er niet bij. Het wordt haar door Lize toevertrouwd (toegeschreeuwd door de telefoon). Zoals zo vaak speelt het geweld zich buiten het blikveld van anderen af, en is het dus bevraagbaar. Is Lize wel helemaal eerlijk? Het deel waarin Anna in gesprek is met een wijkagent lijkt erop gericht deze twijfel weg te nemen en te voldoen aan de roep om hoor en wederhoor, de wens ‘twee kanten’ van het verhaal te horen die vooral bij misbruik en huiselijk geweld zo in zwang is. De wijkagent bevestigt de mishandeling.

Het derde verhaal, dat als een schubbig stekelig vel over deze twee vertellingen ligt, is dat van de verstoting, door en van de ex-zwager. En van verstoting, uitsluiting in het algemeen. Om te begrijpen waarom dit zo raakt moeten we terug naar het verleden. Naar het moment van de waterscheiding. Als de bokken van de schapen, de wereld van de jongens van die van de meisjes, wordt gescheiden. Daar staat jonge Anna na het douchen in het petieterige huis van vader, en steekt oom (broertje blijft doortekenen in dezelfde kamer) zijn hand naar haar uit, betast haar. Meisjes willen geen jongenslichamen, zegt Anna later, wel een jongensleven. ‘Met dezelfde vrijheid. Dezelfde zorgeloosheid.’ Dumon Tak brengt het onderkoeld. Maar hier, voel je als lezer, moet op zijn minst een deel van de pijn en latere toorn zijn ontstaan. In de vanzelfsprekendheid van deze uitstoting. De uitsluiting uit het rijk van de vrije handeling en de wereld van het beweeglijke (jongens)bestaan. Anna’s verbanning uit haar eigen leven, haar eigen lichaam en de inlijving ervan in dat van anderen. Vader, broer en oom malen er niet om. Toen niet, later niet.

‘Die gaat in mijn portefeuille’, zegt oompje over de foto van het ontluikende vrouwenlichaam van zijn nichtje. De claim zit in zijn achteloze handeling. Ja, achtelozer kan haast niet. In zijn geldbuidel ermee. ‘Mijn vader vond het goed.’

Je zou willen dat Dumon Tak daar meer licht meer op had laten schijnen. Hoe de historie van taaie achteloosheid heeft doorgewerkt in de levens van de zussen. En indirect heeft geleid tot Lize’s keuze voor haar man? Er langs weer andere kronkelwegen voor zorgt dat Anna haar gram louter uitstort over deze ex-zwager, die immers al even onachtzaam en onverschillig is.

‘Die gaat in mijn portefeuille’, zegt oompje over de foto van het ontluikende vrouwenlichaam van zijn nichtje

Wat betekent het? Familienaam, erfgoed, recht, lichaam, moederschap, vaderschap en eigendom? Bij de mannen in de familie lijkt het allemaal via strakke lijnen, bijna bijbels, met elkaar verbonden. Maar hoe zit dat met de meisjes? Ach, zegt Anna tussen neus en lippen. Die geven hun naam niet door. Zij zijn al van aanvang betekenisloos, worden niet gezien, hooguit als object. Zij maken de geschiedenis niet, zijn er onderdeel van. Hun geschiedenissen en ervaringen blijken keer op keer verwaarloosbaar. Ze wijzigen niets aan de levens van anderen, verleggen de koers ervan niet.

Ze worden niet eens echt waargenomen.

(Vader passeert in zijn auto dochter Anna, maar haar haar is geknipt en hij herkent haar niet.)

Of ze eens achter die auto mag met haar rolschaatsen, vraagt Anna, hopend op een ‘geen sprake van’. Het beschermende ‘nee!’ Maar het mag, en terwijl vader vrolijk naar de derde versnelling schiet en haar wieltjes razendsnel slijten, beseft ze dat ze al uit zijn gedachten is. Laat los in de bocht waar hij vaart mindert.

Ja, de vader gaat weg, is weg, en heeft jarenlang niet door dat zijn jongste kind een gehoorprobleem heeft. Ook haar ziekte en zelfs haar sterven gaat grotendeels aan hem voorbij. (Wat niet wil zeggen dat hij niet van haar houdt.) Zoals ook de ex-man amper stilstaat bij de realiteit van Lize’s ziekte. Ze functioneert niet meer, houdt zich niet aan de afspraken, en dat neemt hij haar kwalijk.

En door het hele boek steeds die wil om anderen op elk gewenst moment ergens de toegang toe te kunnen ontzeggen. Moeder mag hier niet komen, Anna niet daar. En broer zit met de ex-zwager bij vader. Het maakt van De dag dat ik mijn naam veranderde ook een boek over de weigering om te delen. Alsof er in relaties nooit echt genoeg is of kan zijn.

Hoe dat te doorbreken?

Met de reis aan het eind van de vertelling? Als de as van Lize door moeder, Anna en een vriendin wordt uitgestrooid? Is hier sprake van het vervullen van een laatste wens, de paarden, de appeltjes, de fijne plek? Jazeker. Maar ook van eenzijdige wraak, waar Anna niet echt op reflecteert.

Vader is dan al dood. Liefdevol vergeven. Van alle plichten ontheven. Broer is in geen velden of wegen te bekennen. De zoons van Lize zijn er niet bij. En alleen de ex-zwager is 56 keer bijzonder eloquent vervloekt. (‘Moge zijn botten samen met die van zijn voorvaderen verorberd worden door een horde wilde honden’/ ‘mogen hoornaars een nest bouwen in zijn keel’/ ‘moge de grond van zijn voorvaderen voor eeuwig verdwijnen in een sink hole’/ ‘moge de donder zijn dagen verduisteren.’) Wat had je als lezer ten minste één van die verwensingen graag richting verleden, broer, vader, oompje horen gaan. Om de protagonist daarna eventueel het lange traject van vergeving en verzoening in te zien slaan. Nu is de woede weliswaar klinkend vormgegeven, maar ook potsierlijk samengebald richting ex-zwager. Dat is te veel eer. Doet onvoldoende recht aan de reële pijn van de vrouwen in deze vertelling. Zo beklijft het somber stemmend beeld van een met de vurige taal van wraak begiftigde strijder die haar puntige woorden voorbij het echte doel laat schieten: een hele generatie mannen die niet geïnteresseerd bleek in de vrouwen in hun leven.

Het maakt De dag dat ik mijn naam veranderde tot een bijzonder boek over, ook, de ongerichtheid en het jammerlijke dwalen van woede en wraak. Bij vlagen aangrijpend. Met hoogst beklijvende, schitterend geschreven passages. Een bittere aanklacht. Die nog schrijnender zou zijn als duidelijker was gemaakt waartegen.