‘Een geslaagd gedicht maakt iets goed’

Ramsey Nasr, Maria Barnas en Mustafa Stitou denken, ieder op eigen wijze, dat poëzie vastgeroeste ideeën kan loswrikken. Werkelijk iets in de samenleving teweegbrengen is een ander verhaal. Wat kan poëzie bewerkstelligen?

Een Surinaamse vrouw sprak hem aan op straat. Ze organiseerde een congres over het Sranantongo. Hij móest daar komen spreken of tenminste zijn gedicht Mi have een droom voordragen, waarin hij die taal gebruikt. Dát is waarom Ramsey Nasr graag Dichter des Vaderlands wilde worden: om poëzie ook op dat soort onverwachte plekken te laten doordringen. Mi have een droom is een van Nasrs gedichten voor het vaderland. Het werd geschreven op verzoek van de Architectuur Biënnale te Rotterdam. Het gedicht is een smeltkroes van talen, het is ritmisch, muzikaal en het heeft een boodschap: het toont hoe de stad klinkt in 2059. ‘(…) dus poetry poet, kijk me ogen, luister me oren, want hier is mi torri/ hardcore & luid: mi have een droom’. Het vers zong zich los van het krantenpapier – alle DdV-gedichten worden afgedrukt in NRC Handelsblad – en wordt nu gebruikt in het onderwijs. Ook droeg Nasr het voor tijdens een middag waar Ahmed Aboutaleb, Marco Pastors en andere Rotterdamse bestuurders en politici debatteerden over ‘stadsburgerschap’.
‘Engagement’, het mag weer. Geen week gaat voorbij of in culturele bijlagen en op opiniepagina’s klinkt een roep om literatuur, om poëzie die in de wereld staat, om dichters die zich betrokken tonen. Hoe open of gesloten zijn de luiken van de Nederlandse poëzie? Met een Dichter des Vaderlands, met stadsdichters in bijna alle grote steden lijkt die poëzie geëngageerder dan ooit. Hoe denken Maria Barnas, Ramsey Nasr en Mustafa Stitou, generatiegenoten, over de rol die de maatschappij heeft in hun werk, wat trekken ze zich aan van de actualiteit en kun je schrijven over bomaanslagen, de positie van de vrouw in de islam en het buitenlands beleid van minister Verhagen? Wat kan poëzie bewerkstelligen, of niet?

‘Poëzie kan destructief zijn.’ Maria Barnas, dichter en beeldend kunstenaar, vertelt over een gedicht dat ze maakte voor de psychiatrische instelling Spaarnestad in Hoofddorp. Ze wilde de cliënten een weg naar buiten bieden en maakte een wandeling vanuit de instelling naar het strand. Die wandeling legde ze vast in taal. Fragmenten werden aangebracht in het gebouw, de gehele wandeling verscheen in een boek dat alle cliënten bij opname krijgen aangeboden. ‘Niet iedereen was positief. Van een zin als “Een vrouw rent mijn hoofd uit” bleken mensen psychotisch te kunnen worden. Daar schrok ik van. Maar het pleit ook voor de kracht van poëzie.’

Mustafa Stitou is nog een paar weken stadsdichter van Amsterdam en zegt: ‘Een goed gedicht slaat je wapens uit handen. De Poolse dichter Zbiegniew Herbert doet dat bij mij. Zijn werk is heel geëngageerd en tegelijk heel twijfelend en onderzoekend. Zijn poëzie relativeert en is humaan. Niet zelfgenoegzaam. Een goed gedicht schort mijn oordelen en vooroordelen over de werkelijkheid op. Ik kan me bijvoorbeeld niet voorstellen dat een auteur van zo’n gedicht een racistische gedachten heeft.’
Toch leent poëzie als genre zich veel minder voor engagement dan proza, vindt Stitou: ‘Ik kan wel vanuit een politieke betrokkenheid aan een gedicht beginnen, maar die betrokkenheid alleen is niet genoeg. Veel van mijn stadsgedichten ontstonden naar aanleiding van een concreet verzoek. Sommige zijn geschikt voor een nieuwe bundel, andere minder. Proza biedt veel meer ruimte. In een gedicht sneuvelt een interessante gedachte soms om wille van de klank.’
Barnas: ‘Poëzie kan vastgeroeste ideeën loswrikken, maar het is een behoorlijk slappe pijl als je iets in de samenleving teweeg wilt brengen.’ Nasr ziet het stellig anders: ‘Soms kun je mensen meer raken met een gedicht dan met een betoog.’ Hij schreef drie sonnetten bij de viering van vierhonderd jaar Nederlands-Amerikaanse betrekkingen. Hij droeg ze voor in aanwezigheid van minister Maxime Verhagen. ‘Ik verafschuw het beleid van die man, zeker zijn Midden-Oosten-beleid. Hij had net een speech gehouden over de lotsverbondenheid van Nederland en Amerika, met grote woorden als mensenrechten, vrijheid en democratie. Toen mocht ik. Het derde sonnet gaat specifiek over hem en de huidige regering: “dat zijn dan leiders/ ze schallen hier hun christennormen rond/ hangen fraai de morele misthoorn uit”. Kunst kan mensen in een soort hypnose brengen, verlokken. Dat is verwarrend en confronterend. Een gedicht kan iemand buiten spel zetten, door de kracht van ritmiek, klank, door schoonheid. En achter dat scherm van schoonheid kun je soms iets zeggen dat des te harder aankomt. Doordat niks rechtstreeks wordt gezegd blijft het gedicht een doorwrocht mysterie, met een kracht waar ik soms versteld van sta. Ik zag Verhagens blik volledig verstrakken bij het horen van mijn gedicht.’
Als stadsdichter van Antwerpen maakte Nasr in 2005 onder meer gedichten over huisjesmelkers en kansarmen. ‘Het trekt me om van harde realiteit poëzie te maken, juist omdat het zo tegengesteld is aan het hoogstaande idee dat veel mensen van poëzie hebben. Je probeert iets te maken dat mooi is, dat goed in elkaar zit. De stijl van een gedicht kan ervoor zorgen dat het toch niet rond is, maar hard. Dat het zijn doel bereikt.’

Boosheid of verontwaardiging kan aanleiding zijn voor een gedicht. ‘Maar vaker’, zegt Maria Barnas, ‘komt de vonk waardoor ik ga schrijven voort uit iets kleins, iets wat niet klopt. In de berichtgeving over de bomaanslagen in Londen viel het me op dat alle Britse media de angst probeerden te dempen. Tegelijk kwam in elk bericht het woord “eerily”, angstwekkend, terug. Ik heb die vreemde tegenstelling in mijn gedicht Voor de zekerheid gebruikt en gespeeld met het gegeven dat alles zo onder controle zou zijn dat zelfs bekend is wáár de bommen gaan vallen. “(…) We waren er klaar voor we waren op alles voorbereid/ en we hielden ons eerily stil.// We hebben ruim van tevoren de kuilen gegraven/ en nauwkeurig ruïnes van straten en huizen geschraapt/ uit steen.”
Eén gedicht ontstond echt uit grote onvrede, Ieder is schuldig tot het tegendeel bewezen is, naar aanleiding van een wetsvoorstel op het gebied van terrorismebestrijding. Iedereen kan, op grond van vage verdachtmakingen, ineens ’s nachts van zijn bed gelicht worden. Die wet gaat tegen alles in wat humaan is en kan leiden tot verregaande maatschappelijke uitsluiting. Gek genoeg las ik daar nauwelijks iets over in de krant. Het gedicht heb ik een tijd bij iedere gelegenheid voorgedragen. Iedereen was het ermee eens, maar uiteindelijk gebeurde er natuurlijk niets.’

Stitou schreef onlangs een monoloog van een cosmetisch chirurg. ‘Dat is ontstaan uit verbijstering over de huidige praktijken van de cosmetische chirurgie. Een ander gedicht gaat, indirect, om de eveneens veel bediscussieerde positie van de vrouw in de islam. Ik vind het spannend om overeenkomsten tussen die zaken te laten zien, in dit geval vooral negatieve. Een gedicht moet niet rechtstreeks verwijzen naar politieke of maatschappelijke gebeurtenissen, dan wordt het te plat, te vulgair. Ik maak iets wat niet eenduidig is. En ik hoop dat mensen zo geconfronteerd worden met de complexiteit van de werkelijkheid.’
Het huidige politieke klimaat ontgoochelt hem soms: ‘Mensen die hier geboren zijn en hier al dertig jaar wonen heetten tot voor kort “Marokkaanse Nederlanders”, nu zijn het “Marokkanen”. Een krant sla ik niet graag open en naar actualiteitenprogramma’s kijk ik liever niet. Ik voel me aangesproken. Die jongens van Netwerk en consorten laten je bijna geloven dat de pleuris binnenkort uitbreekt. In poëzie kan ik de diepte in gaan, zonder overschreeuwd te worden door dat soort media. Ik probeer mijn werk er ook tegen te beschermen, tegen een al te schreeuwerige, opdringerige realiteit. Ik zie poëzie eerder als een langzaam antwoord daarop, een antwoord dat ook mij iets brengt. Want vaak weet ik pas al schrijvend wat me nu eigenlijk bezighoudt. In een ander gedicht schreef ik bijvoorbeeld “Valse profeten rukken hun opgeplakte baarden af/ vallen jankend travestieten in de armen.” Zo’n regel komt natuurlijk niet uit de lucht vallen, maar ik werd erdoor verrast. Het zegt ongetwijfeld iets over mijn denken, ik weet alleen nog niet wat.’
Barnas: ‘Alles is mogelijk materiaal voor een gedicht, de actualiteit, wat de buurman zegt, het buurtkrantje, zo bekeken is ieder gedicht een geëngageerd gedicht. Voor mijn volgende bundel onderzoek ik waar angst uit bestaat. Mijn eigen angst en die van anderen. Veel mensen zijn bang. Welke angst is terecht en welke is aangepraat? Uit angst ontstaan ook mooie, voor poëzie bruikbare beelden. Maar als ik schrijf, gaat het me om de werkelijkheid in het gedicht. Actualiteit vind ik pas interessant wanneer deze eeuwigheidswaarde heeft. Een gedicht is voor mij de meest pure vorm waarin je gedachten een plek kunt geven. Een tijdelijke wereld waar je in kunt bestaan. Poëzie bestaat pas als je het gaat lezen. Het is een stille vorm. Ik vind dat een mooi soort aanwezigheid. Een geslaagd gedicht maakt ook iets goed, omdat ik er iets mee tegenover de werkelijkheid stel.’

Voor Ramsey Nasr is het schrijven van een gedicht in opdracht keihard werken: ‘En als het af is, staat het meteen in de krant en heeft iedereen er een mening over. Het effect van zo’n gedicht is direct merkbaar.’ Zo kent de Psalm voor een afkomst die hij maakte bij de tentoonstelling Calvijn en wij felle voor- en tegenstanders. Op het internet zijn veel serieuze en soms emotionele reacties te vinden. Het Nederlands Dagblad wijdde er zelfs een hoofdredactioneel commentaar aan. ‘Waar ik blij mee ben is dat de discussie op verschillende niveaus speelt. Het gaat over poëzie, over verwijzingen in het gedicht, over beelden, en het gaat over de maatschappij, over hoe mensen nu hun godsdienst beleven, over twijfel, over contact. Mijn droom is het om iets te maken dat zich kan nestelen in je omgeving, poëzie als een soort virus dat overal binnendringt.’
Stitou: ‘Alle poëzie is in zekere zin geëngageerd. Op allerlei verschillende manieren evoceert zij het mysterie van het bestaan en van de ander. Het zou eerder andersom moeten zijn: niet de dichter naar de maatschappij, maar de maatschappij naar de dichter. Een gedicht is ervoor om afstand te bewaren, te relativeren. Door z’n ambiguïteit zou het nuanceringen in een debat kunnen aanbrengen. Mensen zouden vaker een gedicht moeten lezen. Maar poëzie moet een vrije ruimte blijven, een plaats waar nieuwe gedachten kunnen ontstaan en nieuwe combinaties van ideeën.’
Volgens Nasr kan poëzie wel degelijk deel uitmaken van maatschappelijke stormen: ‘Ik vind het heel bijzonder dat een gedicht een rol speelt in het debat. Daar gaat het iets doen waar je het totaal niet geschikt voor had geacht. Misschien door de visionaire kracht die een gedicht kan hebben. Poëzie is een gedachtespel, een spel van taal, maar het gaat concreet over onze maatschappij. Je denkt, een gedicht verandert de wereld niet. Het kan wel, het verlegt je blik.’

De gedichten des vaderlands van Ramsey Nasr staan op www.ramseynasr.nl