Een ongeautoriseerd interview met Anton Mussert

Een gesprek met de Leider

In 1937 zou De Groene zestig jaar bestaan. Op schaamteloze zelffelicitatie zat in deze crisistijd echter niemand te wachten – wel op een uitweg uit de misère. Middels een groot referendum wilde De Groene daarom uitzoeken hoe er in Nederland gedacht werd over een aantal belangrijke kwesties. Anton Brouwer benaderde tevens de woordvoerders van de verschillende politieke bewegingen, en nam zodoende ook contact op met de leider van de NSB: Anton Mussert.

Medium mussert
Anton Mussert © Nationaal Archief

Mussert en het referendum
In een kritieke tijd als deze, kritiek zowel in geestelijk als in economisch opzicht, menen wij deze belangrijke uitspraken over grote volksbelangen, opgetekend uit de mond van een man die beweert uitkomst te kunnen brengen en die daarom door tienduizenden wordt gevolgd, niet te mogen onthouden aan ons volk, dat voor zo moeilijke beslissingen staat.
Redactie De Groene

Bij de voorbereiding van het referendum ‘Vrede, Welvaart, Staatsorde’ waarbij zoveel mogelijk sociale en politieke groeperingen in het Nederlandse volk bereikt moesten worden, kruiste onze weg natuurlijk ook die van de Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland. Als secretaris van de organiserende commissie hadden wij daarbij het genoegen een gesprek met de algemeen–secretaris van de nsb, de heer Van Geelkerken en met ir. A.A. Mussert, de Algemeen Leider, te hebben. De bezoeken aan de heren Mussert en Van Geelkerken hadden ten doel: de heer Mussert te verzoeken een toelichting te schrijven bij één der vraagstukken van het referendum, en wel ter verdediging van de autoritaire staatsvorm.

Toen wij dit gesprek aanvroegen was het ons reeds bekend dat de nsb niet wilde meewerken aan het verspreiden onder haar leden van de stembiljetten naar het vastgestelde verhoudingscijfer. Op de aanvankelijk toeschietelijke houding van de algemeen-secretaris Van Geelkerken was na een onderhoud met deze functionaris een schriftelijke weigering gevolgd. Daar het ons echter bij andere partijen ook overkomen was, dat medewerking tot verspreiden der stembiljetten onder de leden niet verleend werd, doch de voormannen dier groepen wel bereid waren hun standpunten in het referendumnummer toe te lichten, lieten wij ons door deze weigering niet weerhouden om ons voor het artikel tot Mussert zelf te wenden. Een daartoe aangevraagd onderhoud had op 16 april jl. plaats in het particuliere hoofdkwartier van de Algemeen Leider, een herenhuis in de Hobbemastraat in Utrecht.

De Algemeen Leider over het referendum
Ons gesprek begon hiermede dat wij de heer Mussert een memorandum overhandigden waar ons referendumplan in grote lijnen in weergegeven was en waarin met name alle vragen die gesteld zouden worden, waren afgedrukt, gevolgd door de namen van hen die aangezocht waren een begeleidend artikel te schrijven. Dit waren ongeveer dezelfden als zij wier bijdragen men in ons referendumnummer heeft aangetroffen, alleen stond toen voor ds. Buskes nog prof. Heering op de nominatie en was naast Albarda oud-minister De Geer als kampioen voor het parlementaire stelsel uitgenodigd. Op de vraag of hij aan deze artikelenreeks wilde meewerken had de Algemeen Leider zijn antwoord onmiddellijk gereed: ‘Met deze heren wil ik niet op één stoel zitten!’

‘Welke heren bedoelt u daarmee?’ was onze wedervraag. Een vinger gleed op het memorandum langs de namen dier schrijvers: prof. Van Asbeck was hem onbekend, maar toen deze keuze was toegelicht, was het oordeel: ‘Die zullen we wel uitmesten!’ En op onze enigszins verbaasde blik: ‘Dat kunt u hem uit mijn naam ook gerust mededelen.’ Ook de heer Gybland Oosterhoff, ondervoorzitter van Nationaal Herstel, was de nsb-leider ‘onbekend’.

Toen volgden de schrijvers over de Volkenbondsvraag: ‘Professor Heering maakt mij sprakeloos. Van Embden is een landverrader.’ Over mevrouw Kluyver volgde het niet zeer parlementaire commentaar: ‘Dat wijf dat wel eens schrijft, maar nooit goed.’ Mr. Pollema ‘is tachtig jaar, en iemand die tachtig is heeft geen vitaliteit tot schrijven’. Helaas beschikten wij niet over het materiaal om te bewijzen dat mr. Pollema in feite 46 jaar oud is, en zonder dit materiaal bleek het niet mogelijk de Algemeen Leider hiervan te overtuigen. Met ‘Westerman is gek als hij meedoet’ was het oordeel over deze vragengroep geveld.

In de groep over de staatsvorm prijkte de naam Mussert tegenover die van Albarda en De Geer; het commentaar was kort maar krachtig: ‘Albarda en De Geer zijn altijd al vriendjes geweest’ en ‘Mussert trapt er niet in!’

Uit de schrijvers over de maatschappij-orde kan ‘juffrouw Van Dorp net zoveel onzin schrijven als zij wil’; mr. Van Walsum is onbekend evenals prof. Kors, maar de kerk die hij vertegenwoordigt ‘is een macht!’ Als Van der Waerden over ‘vrije volksgemeenschap op socialistische grondslag’ zou schrijven ‘liegt hij, want dat willen wij’. Alleen de communisten worden als principiële mensen erkend. En deze opsomming werd besloten met de conclusie dat het geheel ‘links’ georiënteerd was.

Mussert over de politieke toekomst, de kerk en het Germaanse volkskarakter
De gelegenheid in aansluiting op deze openhartige uiteenzetting over ons -referendum en zijn medewerkers nog enige andere vragen te stellen en daarover het oordeel van de heer Mussert te vernemen, was te schoon om er geen gebruik van te maken, en hoewel van tijd tot tijd een secretaresse kwam binnen-wandelen met de kennelijke bedoeling de bezoeker duidelijk te maken dat het nu wel mooi genoeg was, bleek ir. Mussert bereid ook deze vragen te beantwoorden.

‘Hoe ziet u de politieke ontwikkeling in de naaste toekomst?’ was onze eerste vraag. De Leider bleek het als volgt te zien: binnen afzienbare tijd zou er een rooms-rode coalitie optreden, waarbij de werkverdeling tussen de partners zo zou zijn dat de socialisten het economische gedeelte van het programma en de katholieken het geestelijke zouden verzorgen. ‘Dan dreigen alle protestanten katholiek te worden, want zij zijn zo verdeeld en hebben onder een dergelijke coalitie natuurlijk niets in te brengen.’

Naar aanleiding van dit antwoord ontwikkelt zich dan een gesprek over de verhouding van de nsb tot de rooms-katholieke wereld, dat eindigt in de vragen: ‘Hoe komt het dat de nsb de rooms-katholieken zo weinig trekt? En hoe is de laatste brochure met zijn Raad van Kerken te rijmen met het katholieke standpunt?’

Mussert beroept zich in zijn antwoord op zijn ‘raad van adviseurs in kerkelijke aangelegenheden’. Als deze ten aanzien van de katholieken fouten heeft gemaakt, kan hij er ook niets aan doen, want ‘ik heb wel een bisschop gevraagd, maar die had geen belangstelling voor mijn zaak’. Overigens acht de Algemeen Leider de r.k.-geestelijken in het algemeen ‘volksdommers’ en ‘landverraders’. ‘Kijk maar eens naar Spanje!’ En ‘de besten zitten nog in het klooster’. Maar ‘het hele zaakje zal wel opgeruimd worden’.

‘Maar’, werpen wij op, ‘de steeds meer naar voren komende Germaanse theorieën kunnen zowel voor de rooms-katholieken als voor de protestanten toch nooit aannemelijk zijn? Waarom wordt daar dan de laatste tijd zo over geschreven in uw beweging, zoals laatstelijk in de brochure van mr. Reydon?’

‘Wij zijn toch geen Chinezen?’ luidt het antwoord, ‘derhalve mogen wij gerust over de Germanen schrijven.’

‘Natuurlijk, maar dan moet dit geschrijf over de Germanen toch wetenschappelijk verantwoord zijn, en niet zuiver mythologie worden.’

‘Officieel hebben wij ook niets over de Germanen geschreven’, haast Mussert zich dan te zeggen. ‘Het standpunt van de nsb als zodanig staat in de Brochures I tot V.’

‘Maar waarom wordt er dan wel officieus zoveel in deze richting geschreven?’ Het antwoord luidt dat de nsb eigenlijk een ‘boerenbeweging’ is. ‘En de boeren vinden het prachtig! Vooral de boeren in Drenthe, Groningen en Overijssel, maar ook op de Veluwe.’ En wat is er tegen deze Germaanse denkbeelden te verkondigen? ‘Zo worden de vrijzinnige en wereldse boeren tot de schepper-God teruggebracht. De nsb werkt zo mee aan de godsdienstige ontwaking van ons volk.’

Wij merken hiertegenover op dat het ‘opwekken van religieuze gevoelens’ nog wel iets anders is dan het prediken van het evangelie, en dat een streven de mensen naar God terug te voeren via Germaanse theorieën, iets is waarmee men ieder christelijk mens tegen zich in het harnas jaagt! Geen enkele theoloog zal ooit zoiets kunnen onderschrijven.

Mussert antwoordt hierop echter dat hij ‘al die geestelijken wel zal opruimen’. En hij heeft daartoe alle recht. Immers, wanneer ‘in de geschiedenis van een volk een beweging opkomt, die de mensen godsdienstig wil maken, is er altijd een macht, die dat tracht tegen te houden: en die macht is de kerk. Zie b.v. de Reformatie!’

Hiermee is dan het onderhoud geëindigd.

Tot publicatie van een en ander meenden wij gerechtigd te zijn. De heer Mussert, die ons heeft zien schrijven, heeft ons geen geheimhouding opgelegd. Met betrekking tot professor Van Asbeck heeft hij ons zelfs uitdrukkelijk tot openbaarmaking gemachtigd. Voor de nauwkeurige weergave van het onderhoud kunnen wij instaan; tijdens het gesprek maakten wij voortdurend aantekeningen, die wij dadelijk na het bezoek uitwerkten. De weergave van het gesprek is dus zeer getrouw.