Biografie Herman Brood

Een gestoord jongetje

De eerste twee delen van Bart Chabots biografie over het leven van rock-’n-roll-junkie Herman Brood zijn af. De boeken lezen als een schelmenroman die slingert van de ene stemming naar de andere als een langgerekte virtuoze gitaarsolo. Deel 3 en 4 volgen nog.

Het moet op een vrijdagavond in het najaar van 1977 zijn geweest dat ik een telefoontje kreeg van een vriend met als strekking dat ik de rouw over het heengaan van Elvis Presley overboord moest zetten en mij onverwijld naar Ridderkerk diende te begeven teneinde met eigen ogen de geboorte van een nieuwe sensatie in de rock-’n-roll te zien: Herman Brood and His Wild Romance. Hoopvol sprong ik op de fiets en reed in regen en wind over de lange dijk door het braakliggende achterland van Rotterdam-Zuid, de brug op over de verlaten snelweg, om uiteindelijk doorweekt de dreigende gereformeerde stilte van Ridderkerk binnen te peddelen, op naar jongerensociëteit De Singel. Normaal was er nooit veel te beleven in De Singel, het was meer een hangplek voor hippieachtige jongeren die op de tonen van Pink Floyd en Led Zeppelin quasi-stoned voor zich uit zaten te staren aan tafeltjes vol naar oud bier stinkende kleedjes. Maar deze keer vibreerde de tent alsof de bliksem was ingeslagen. Een kolkende menigte stond samengeperst voor het podium, alwaar een kleine bezwete man met ontbloot bovenlijf en leren broek en een halsslagader zo dik als een fietsband de longen uit zijn lijf zong: «Feel like doin’ it, cha-cha!» Brood was één brok stomend charisma, een ware rock-’n-roll-atleet, struinend over het podium als een bokser, terwijl hij af en toe een gemeen akkoord uit een zwarte elektrische piano ramde, daarbij schijnbaar nauwelijks gehinderd door het gewicht van de al even uitzinnige bassist die op zijn schouders laveerde. De band was ook geweldig, met het Belgische gitaarmonster Danny Lademacher, een grijnzende albino met een zonnebril, de onuitputtelijke Freddy «Cavalli» van Kampen op bas en de speedfreak Cees «Ani» Meerman op de batterij. De adrenaline knalde uit de speakers. Het was nauwelijks te bevatten dat deze muziek uit Nederland kwam. Hier werd iets groots verricht. Het bleef die nacht nog lang onrustig in Ridderkerk.

Kort daarop verscheen Shpritsz, het beste Nederlandse popalbum aller tijden, met monumenten van songs als Saturday Night, Doreen, Dope Sucks, Skid Row en natuurlijk Rock ’n Roll Junkie, het lijflied van de maestro («You got to keep on playin’ like a paranoid rabbit»). De teksten waren grotendeels van de hand van het te jong overleden Nijmeegse literaire genie Pé Hawinkels (tot dan vooral bekend als vertaler van Thomas Mann en Nietzsche) en waren minstens even street wise als die van Lou Reed en ook de muziek was van een verplet terende grootstedelijke allure. De voormalige pianist van Cuby and the Blizzards, Dren te’s eigen bluessensatie die tien jaren eerder de ogen van de internationale rockpers op Nederland had gevestigd, was erin geslaagd de ontluikende energie van de punk revolutie te doen fuseren met de grote traditie van Elvis en Chuck Berry. Het resultaat was pure kunst.

1978 was het jaar van Herman Brood. Er ging geen maand voorbij of hij was wel ergens in de buurt te zien. Ik zie hem nog opkomen tijdens het «Bru-pop»-festival in Bruinisse, op een winderige vlakte aan de voet van een dijk, waar de Zeeuwse politie met groot materieel plus een roedel herdershonden was komen uitrijden en het podium was afgeschermd met grote hekken. Brood kwam op in een wit linnen pak, keek even goedkeurend rond, en zei toen: «Nou, jongens, die hekjes kunnen nu wel om», waarna een uitzinnige massa boerenjongens uit Zeeland en de Hoeksche Waard zich op de tonen van de Velvet Underground-cover Waiting for My Man joelend voorwaarts begaf en de politiehonden met de staart tussen de benen de aftocht bliezen, hun vloekende begeleiders met zich meetrekkend. Aan charisma geen gebrek.

Van een optreden van Brood in zaal Kunstmin in Dordrecht staat me vooral nog een verhitte discussie na afloop bij met Ed, een jongen uit mijn buurt die als zanger van een garageband het antwoord van Rotterdam-Zuid op Herman Brood mocht worden genoemd. Ed was even rock-’n-roll als Brood, droeg dezelfde witte pakken en dezelfde vervaarlijke slangenleren puntlaarzen, en waar hij maar niet over uit kon was wat ik toch zag in die aftandse Bob Dylan, die omstreeks die tijd in de Kuip te bezichtigen was. Ed vertrok een paar maanden later naar Zuid-Amerika om het hele continent door te liften en toen hij een jaar later bij terugkomst in Rotterdam moest constateren dat zijn vriendin er met een ander vandoor was, gooide hij zichzelf resoluut van een negen verdiepingen hoog flatgebouw af. Ook dat was behoorlijk rock-’n-roll.

Herman Brood was inmiddels bigger than life geworden. Zijn beeltenis sierde bijna wekelijks de voorpagina van Nieuwe Revu, Story en Privé, die geen genoeg konden krijgen van de spuit-, snuif- en slikverhalen. De speed en cocaïne gingen met koffers tegelijk door de diverse lichaamsopeningen, honderden minderjarige meisjes in de Randstad liepen van huis weg om Hermans genegenheid te ervaren (al was het maar een verloren moment op de natte keien onder de bus van de band) en de optredens van de Wild Romance wonnen vanwege het geëscaleerde narco-consumptiepatroon aanzienlijk aan chaos en stress. Het moet zo ongeveer mijn tiende Brood-concert zijn geweest — weer op een winderige vlakte, dit keer onder de rook van de Waalhaven bij een jongerenkeet genaamd Chillup — dat het echt misging. Reeds bij opkomst vielen de twee lange witte draden die uit de neusgaten van de zanger bungelden onmiskenbaar op en HB maakte niet de indruk zich op enigerlei wijze bewust te zijn van de redenen zijner aanwezigheid. De anders zo goed geoliede band kwam van de weeromstuit maar nauwelijks uit de startblokken en na hooguit een half uurtje koos het gezelschap wijselijk het hazenpad, een verslagen menigte Rotterdammers achterlatend. «Something is happening/ But you don’t know what it is.»

Wat Broods grootste triomf had moeten worden — een tournee door de Verenigde Staten in 1979 — werd het begin van het einde. De preutse Amerikanen wisten zich geen raad met de rock-’n-roll junkie uit de lage landen, vooral niet nadat deze tijdens een optreden in New York op het podium zijn broek had laten zakken. En plots was het over. De razende trein van de Wild Romance kwam bruusk tot stilstand. De ondergang van Brood als superster ging even hard als zijn opkomst. Publicitaire overkill, luidde de diagnose. Brood was het er niet mee eens. «Heineken en Philips adverteren toch ook altijd?» Toen begon de vrije val. Brood verloor zijn band en verloor zijn publiek. Een paar jaar later was ik getuige van de ultieme vernedering: tijdens een concert in een studentenhuis in Kralingen — met een geheel vernieuwde, maar zeker niet verbeterde Wild Romance — sloeg het wufte studentenpubliek lang voor de officiële afloop morrend op de vlucht voor het trommelvliesbrekende volume. Brood eindigde de nacht met hooguit tien laatste getrouwen in de zaal. In een tijdsspanne van hooguit drie jaar leek hij zijn hemelhoge krediet reeds te hebben verspeeld. Niet dat het Brood iets leek te kunnen schelen. Hij speelde onverstoorbaar door, met steeds krakkemikkiger bandjes, steeds valere composities, een eeuwenlange rock-’n-roll-traditie sinds Chuck Berry indachtig, en sloeg aan het dichten en het schilderen. Voortaan ging hij door het leven als een Fenomeen, een kunstwerk op zichzelf, «de zoon van alle moeders».

In de jaren negentig ging ik nog wel eens kijken als hij ’s nachts optrad in café Naar Boven in de Reguliersdwarsstraat. Dat viel niet altijd mee. De jaren hadden hun tol geëist. Maar uit die kleine piano klonken nog steeds diezelfde trashy, deregulerende akkoorden als voorheen. «It’s better to burn out than to fade away.»

Over dit Fenomeen schreef de Haagse dichter Bart Chabot vijf jaar geleden een literair meesterwerk: Broodje Gezond. De vuistdikke biografie was met stip het beste rock-’n-roll-boek dat ooit in het Nederlandstalige taalgebied is verschenen. Broodje Gezond is geen reguliere biografie, maar een schelmenroman die het midden houdt tussen Don Quichotte en Ik Jan Cremer. Zeer geestig, zeer ontroerend, soms schokkend, dan weer poëtisch en filosofisch — het boek slingert van de ene stemming naar de andere als een langgerekte virtuoze gitaarsolo. Het knappe van Chabots boek was vooral de wijze waarop hij zichzelf in het boek heeft opgevoerd. Als een huisvriend van de familie Brood was dat natuurlijk een precaire aangelegenheid. Het ego vormt een traditioneel probleem in de popjournalistiek. Waar houdt de journalist op fan te zijn en andersom? Talloze popchroniqeurs vertilden zich daaraan. Neem de scribenten van het heden dertig jaar jubilerende muziektijdschrift Oor: de indertijd zo spraakmakende reportages van Constant Meijers over zijn Canadese idool Neil Young blijken bij herlezing toch wel heel erg larmoyant egocentrisch: als we het allemaal moeten geloven, was er in het leven van de superster geen belangwekkender moment dan het avondje dat hij samen met zijn beste vriend en goeroe Constant Meijers een pilsje mocht drinken in café De Doffer. Popjournalisten hebben nogal eens de neiging om op het hoofd van hun idool te gaan zitten. Zo niet Bart Chabot. Hij past bij Herman Brood zoals Sancho Panza past bij Don Quichotte: hij is de bescheiden luisterende metgezel op de grote mythische reis, door zijn aanwezigheid krijgt de lezer juist vat op de bijzonder gecompliceerde, hallucinatoire denktrant van de rock-’n-roll-ridder. Vooral in het laatste deel van Broodje Gezond, waarin Chabot samen met Brood teruggaat naar diens geboorteplaats Zwolle, pakte deze uiterst ingenieus uitgevoerde New Journalism-techniek wonderschoon uit; het leverde de meest ontroerende bladzijden van de Nederlandse literatuur van de twintigste eeuw op.

Als eerste slaagde Chabot erin werkelijk vat te krijgen op het enigma Herman Brood. Jaren achtereen kwam hij wekelijks bij Brood over de vloer in zijn schilderatelier in café Dante aan de Spuistraat en elke ontmoeting werd opgenomen op band. Aan de hand van Broods met literair meesterschap vastgelegde monologen, dringt de lezer heel ver binnen in het getormenteerde privé-universum van de geportretteerde, altijd bungelend tussen leven en dood en ondertussen pareltjes van wijsheid en inzicht vergarend. Brood spaart zichzelf nimmer. «Als jongetje was ik gestoord», vertrouwt hij Chabot toe.

Duidelijk is dat Brood heel zijn leven heeft moeten vechten tegen ultieme mensenvrees. Het was de bron van zijn verslaving. De lezer van vandaag krijgt het af en toe hard te verduren in Broodje Gezond. Bijvoorbeeld wanneer Brood in 1994 rouwt over de zelfmoord van Kurt Cobain en zijn biograaf toevertrouwt: «Het onbegrijpelijke is dat-ie zijn eigen misère belangrijker vond dan zijn dochtertje. Ik kan al zijn motieven plaatsen. Alleen, waar ik niet in mee kan gaan is… Iedereen die een kind heeft, weet dat het leven plotseling zin krijgt. Als je alleen bent en alles je tegenzit, kun je weleens lichtvaardig denken over zelfmoord. Maar als je een kind krijgt, begrijp je waar het om te doen is. Hij neemt de beslissing om zijn dochter achter te laten. Die zal nooit meer een minuut rust krijgen. Die is levenslang veroordeeld tot Het Kind Van De Man Die Zichzelf Overhoop Schoot.» Als Brood elders in het boek zijn biograaf ook nog toevertrouwt dat er in Amsterdam waarschijnlijk heel wat kunsthandelaren rondlopen die speculeerden op zijn snelle levenseinde, zou je als treurende fan bijna gaan denken aan een complot. Sinds de affaire-Scholte bekijkt men de hoofdstedelijke kunstscene nu eenmaal met andere ogen. Maar ja, dat zal wel paranoia wezen…

Afgelopen zomer presenteerde Chabot deel 2 van zijn tetralogie over Herman Brood. Broodje Halfom is het natuurlijke vervolg op Broodje Gezond. Het voegt in feite een nieuw hoofdstuk toe aan een doorlopende vertelling, waarmee Chabot naar eigen zeggen zijn stadgenoot Louis Couperus en diens Boeken der kleine zielen naar de kroon wenst te steken. Broodje Halfom beslaat de jaren 1996-1998 en bevat wederom onvergetelijke scènes. Vooral het relaas van Herman Brood als kapitein van zijn eigen zeiljacht Befje — dat bij de eerste de beste tunnel in de gracht gelijk mast en kajuit verliest — is onvergetelijk. Het smaakt naar meer, veel meer. Brood zelf was ingenomen met het werk. «Sommige passages kwamen me bekend voor», zei hij bij de presentatie. Enkele dagen later sprong hij van het Hilton-hotel. Volgend jaar presenteert Chabot deel 3 van zijn opus magnum, over de theatertoer die hij samen met Brood en Jules Deelder maakte. Het afsluitende deel 4 zal over het laatste levensjaar gaan. Vermoedelijke titel: Broodje Tartaar.

Bart Chabot, Broodje Gezond

Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 478 blz, ƒ49,90

Broodje Halfom, Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 128 blz., ƒ32,95