Een getto in sjanghai

‘IN DE JAREN DERTIG, voor de Japanse inval in China, was Sjanghai de stad der steden, een droomstad. Het was de stad van ondeugd en misdaad, van kolossale fortuinen en van vreselijke ellende. Rena, mijn Russische vriendin die er opgroeide, vertelde me dat je er alle dagen lijken op de stoep kon aantreffen. Toen ze eind jaren veertig naar Amerika emigreerde, was ze verrast dat er in de wereld ook steden waren waar ’s ochtends geen doden op straat opgeraapt hoefden te worden. Je kunt je haast niet voorstellen dat Sjanghai tegelijk een van de meest luxueuze en decadente plekken van het Verre Oosten was. Toen Sassoon, een van de rijkste joodse zakenmensen van Sjanghai, er zijn Cathay-hotel opende, spoedden alle beroemdheden van de hele wereld zich er heen.’

Michèle Kahn, Frans journaliste, vertelt enthousiast over Sjanghai - en zo schrijft ze ook, in haar monumentale roman Exil in Sjanghai: ‘Elke stap voerde langs een nieuw drama. De straatmuzikanten, waarvan het wemelde, betwistten elkaar binnenplaatsen en stukken steeg. In dit voor velen ondraaglijk volle mierennest begeleidden Weense walsen en wervelende Hongaarse en Poolse dansen, zelfmoorden en echtscheidingen. Op de klanken van viool, gitaar en accordeon stierven kinderen van de honger, aan nekkramp, difterie, malaria of cholera, als ze niet door polio voor het leven verlamd raakten. Bij duivelse zigeunerritmes, Jiddische deuntjes en Roemeense melodieën snakten diabeten naar insuline, slikten ongetrouwde meisjes een mengsel van kinine en wodka om hun kind kwijt te raken, streden ouden van dagen tegen reuzenspinnen en kakkerlakken en tegen de ratten die ’s nachts over hun buik liepen, prostitueerden tuberculeuze meisjes zich en werden de onwaarschijnlijkste beroepen uitgeoefend.’
DE OVERBEVOLKTE stad telt in 1937 vijf miljoen inwoners, onder wie 800.000 Chinese vluchtelingen. In die wriemelende hoop is Walter Neumann, een twintigjarige Oostenrijkse journalist, in december 1938 verzeild geraakt. De berooide reporter is een van de circa twintigduizend joden die uit Europa naar het andere eind van de wereld zijn gevlucht. In juli 1938 hebben 31 naties, de Verenigde Staten incluis, op de conferentie van Evian hun deuren gesloten voor de joden die het Reich wensen te verlaten. Walter Neumann is niet geïnteresseerd in de zionistische gedachte. Het komt bij hem niet op om naar Palestina uit te wijken. Sjanghai is op dat moment meer dan zomaar een toevluchtsoord. Het is de enige plek ter wereld waar de joodse vluchtelingen niet om een visa, paspoort of borgsom wordt gevraagd. Eigenlijk mag Walter zich gelukkig prijzen. Hij maakt deel uit van de joodse gevangenen die uit de concentratiekampen van Dachau en Buchenwald mochten vertrekken op voorwaarde dat ze het Rijk direct verlieten.
Niet toevallig creëerde Michèle Kahn het personage van een joodse journalist uit Oostenrijk om het leven in een bestuurlijk gecompliceerde stad als Sjanghai uit de doeken te doen. Ingewikkeld was het zeker. In 1937 had Japan China bezet. Ook Sjanghai was door de Japanners onder de voet gelopen, met uitzondering van de Franse en de Brits-Amerikaanse concessies. Die concessies waren ontstaan in het midden van de negentiende eeuw. Ze waren onafhankelijk van de Chinese autoriteiten, genoten een gemeentelijke autonomie en beschikten over hun eigen politie. In de Chinese gemeente leefden de Chinezen, terwijl in de Franse concessie en het International Settlement (de versmolten Brits-Amerikaanse concessie) zich voornamelijk Europeanen hadden gevestigd.
Kahn: 'De Franse en de internationale concessies waren tot in de kleinste details, zoals de kleding van de ambtenaren, geopolitieke reflecties van Frankrijk en Groot-Brittannië.’ De Europeanen konden er hun eigen business opzetten, ongeacht hun nationaliteit, cultuur of religie. Tot ze in 1941 door de Japanners in het getto van Hongkew werden gestopt, leefden de joden verspreid over heel Sjanghai. In sommige straten hoorde je alleen maar Jiddisch of Duits; er waren Bunte Abende zoals in Wenen en Berlijn; er verschenen Duitse, Franse, Engelse en Poolse kranten en tijdschriften die krioelden van de zetfouten, omdat ze door Chinese zetters waren opgemaakt.
Lang voor de joodse vluchtelingen in de Chinese havenstad arriveerden, had een kleine gemeenschap van sefardische joden al haar weg naar Sjanghai gevonden. De Sassoons, Kadoories en Hardoons, die met hun opium- en textielhandel immense fortuinen hadden vergaard, wisten niet goed wat ze aanmoesten met de armoedzaaiers uit Europa. Kahn: 'Die rijke sefardische joden waren weliswaar filantropen die zich moreel verplicht voelden de arme vluchtelingen bij te staan. Maar ze schaamden zich ook voor die berooide joden. Ze dachten er niet aan zich onder die joden te mengen. Het waren strikt gescheiden werelden.
Walter kan zijn ogen niet geloven als hij in een Engelstalige krant op een advertentie stuit waarin een woning te huur wordt aangeboden met de toevoeging: No refugees wanted. Hij weet dat die krant geleid wordt door een sefardische voorvechter van de zionistische zaak, wiens familie aan het einde van de vorige eeuw naar Sjanghai was gekomen.’
Toen in 1931 Mantsjoerije, sedert de negentiende eeuw een traditionele pleisterplaats van Russische joden, door Japan werd ingenomen, kwam een tweede Russisch-joodse emigratiegolf naar de Europese concessies van Sjanghai op gang. Tegen het einde van de jaren dertig telde de stad ongeveer 4000 Russische joden, die hun eigen scholen en clubs oprichtten. Slechts een klein deel van deze nieuwkomers kende een zekere welstand; de meesten waren aangewezen op de soepbedeling. Ze spraken Russisch of Jiddisch, terwijl de sefarden, via Irak of Indië naar Sjanghai gekomen, Engels of hindi spraken.
Kahn: 'Toen ik een joodse vrouw die in Sjanghai was opgegroeid, vertelde van mijn plan om een roman te schrijven waarin alle facetten van Sjanghai, alle gemeenschappen en de lagen daar weer in aan bod zouden komen, zei ze heel beslist: “Dat is onmogelijk.” Maar ik was koppig.
Ik moest het probleem van de geslotenheid van de joodse gemeenschappen oplossen en zocht een personage dat daartoe in staat was. Zo kwam ik op een journalist als hoofdpersonage. Als reporter kon hij alle gemeenschappen in Sjanghai frequenteren. Bovendien is Walter muzikaal aangelegd. Hij wordt hier en daar als pianist geëngageerd, zodat ik ook een beeld kon geven van het leven in de cafés en de bars.
Ik associeerde Walter ook met een oom op wie ik als meisje verzot was. Die oom had voor de nazi’s uit Oostenrijk moeten vluchten en leidde een zeer bewogen leven. Een tijdlang was hij in het vreemdelingenlegioen. Hij kidnapte zijn toekomstige vrouw, mijn tante, omdat haar ouders niet wilden dat ze met hem trouwde. Zonder een cent op zak trokken ze naar Canada waar hij een restaurant opende en een succesrijk zakenman werd. Hij heette Walter Neufeld; ik veranderde zijn familienaam in Neumann, omdat Walter iemand is die steeds opnieuw moet beginnen. Zijn fysieke verschijning is ook helemaal geïnspireerd op mijn oom. Verder is hij net als mijn oom pienter en romantisch.
Natuurlijk heeft Walter Neumann ook zijn donkere kanten. In Sjanghai maakt hij kennis met de prostituee Fengsi, die alles voor hem doet en hem zelfs het leven redt door hem uit de klauwen van zijn Japanse beulen te halen. Maar Walter weet dat hij haar op een dag zal verraden. Voor mij is dat geen reden om Walter te veroordelen. Hij heeft vreselijke dingen meegemaakt. Zijn hart is vereeld, hij is ongevoelig geworden voor de liefde. Overgave aan het heden en nemen wat hij krijgen kan - dat was de enige manier om te ontsnappen aan de waanzin.’
'TOEN MIJN MAN een keer naar Sjanghai moest voor zijn werk, besloot ik hem te vergezellen’, vertelt Michèle Kahn over de manier waarop haar boek tot stand is gekomen. 'Ik wist niet veel van China af. Omdat ik journaliste ben, besloot ik me in de geschiedenis van de stad te verdiepen en er een artikel over te schrijven. Ik ontdekte een synagoge in Sjanghai, wat ik heel bizar vond. Zo ging voor mij de geschiedenis van de joodse gemeenschap in Sjanghai open.’
Drie jaar heeft ze aan de roman gewerkt. Het Sjanghai van de jaren dertig en veertig had voor haar vrij snel geen geheimen meer. In de Nationale Bibliotheek las ze eindeloos veel kranten uit die tijd, om doordrenkt te raken van de alledaagse atmosfeer van toen. Ze leerde dat de Britse Shanghai Club een tapkast van vijftig meter had, de langste van de wereld. Zelfs het verhaal van de apotheker die de Chinese voorliefde voor kleuren had ontdekt en zijn enige zelfgedraaide pil in alle kleuren van de regenboog maakte, is historisch juist. Trots vertelt ze dat zelfs de grootste Sjanghai-kenners haar niet op een fout hebben kunnen betrappen.
Kahn: 'Hoe al die dingen met elkaar vermengd raken in mijn roman, weet ik zelf niet. Maar ik vind die details niet uit, ik zou dat zelfs niet durven. De werkelijkheid passioneert me, en mijn voorstelling van de literatuur is een mengsel van document en verbeelding. Omdat het werkelijke en het verbeelde door elkaar geroerd zijn, is het boek een reflex van het leven zelf geworden. Ik hou ervan om die aspecten van het leven te vertellen die voor andere mensen ontoegankelijk zijn omdat ze niet de kans of de moed hebben om zo een leven te leiden.
Dat het boek voor sommige mensen veel betekent, is zeker. Een tijd geleden vroeg een man me om het boek te signeren. Hij was al een tijd werkloos en hij zei me te hopen dat het boek hem geluk zou brengen. Hij had de kern goed begrepen, want het is een roman over overleven en over de wisselingen van het lot, geluk en ongeluk.’
DE JODEN WAREN onder de druk van de nazi’s vanaf 18 februari 1943 door de Japanners ondergebracht in het getto van Hongkew. De Russische en sefardische joden die al voor 1937 in Sjanghai verbleven, vielen niet onder het getto-decreet. De Russische joden maakten zich bij de joodse vluchtelingen gehaat omdat ze door de Japanners belast werden met de verhuizing van de Duitse, Hongaarse, Letse, Tsjechische en Poolse joden naar het getto. Tussen de joodse gemeenschappen onderling bestonden trouwens grote meningsverschillen, vertelt Kahn: 'De Duitse vluchtelingen konden de Oostenrijkers niet goed lijden omdat ze te nonchalant waren. De Oostenrijkers verweten de Duitsers dat ze stroef en hoekig waren. Van de Oostenrijkse joden waren de meesten geassimileerd. Dat viel niet altijd in de smaak van de niet-geassimileerde joden. De rijke westerlingen vonden dat hun imago van blanke, rijke en betere mensen werd aangetast door de Duitse en Oostenrijkse joden die niet aarzelden hun handen uit de mouwen te steken in beroepen die tot dan alleen de Chinezen uitoefenden. De Poolse joden vochten onderling een verbeten stammenstrijd uit, maar tegenover buitenstaanders vormden ze een gesloten front.’
Kahn is ervan overtuigd dat de Duitse nazi-kolonel Josef Meisinger, de beul van Warschau die in mei 1941 naar China en Japan was afgezakt om er een Gestapo-afdeling op te zetten, van plan was om niet alleen de hele bevolking van het getto, maar alle joden van Sjanghai, samen 40.000 mensen, uit te roeien. Het fatale doodsnet had uitgegooid moeten worden met Rosj Hasjanah 1941, op het ogenblik dat alle joden zich voor het nieuwjaarsfeest hadden verzameld in de synagogen en gebedsruimten. Als dank voor hun medewerking zouden de Japanners alle bezittingen van de joodse bevolking mogen inpikken. Maar de Japanse keizer weigerde uiteindelijk zijn toestemming te geven aan de Endlösung.
Het leven in het getto was geen pretje. Er heerste hongersnood, de hygiënische omstandigheden waren afschuwelijk en de joden moesten de willekeur trotseren van psychopaten als de Japanse dwerg Goya en de sadist Okura.
Kahn: 'Wie als joodse vluchteling niet naar het getto verhuisde en werd betrapt, werd streng bestraft. Om het getto te mogen verlaten, hadden de joden een pasje nodig en ze moesten een band dragen. De Japanners gedroegen zich wreed. Niet alleen voor anderen trouwens, ook voor zichzelf. In Okinawa werd een vreselijke slag geleverd. Toen de Japanners merkten dat ze het gevecht gingen verliezen, gooiden ze zich massaal van de rotsen. Ik neem aan dat de Japanners veranderd zijn, want ook in Japan bestaat nu het streven om de hele waarheid te achterhalen. Maar fierheid en eer kwamen ook na de oorlog nog op de eerste plaats in Japan, waardoor het veel langer duurde voor ze wisten hoe de vork in de steel zat. In Duitsland ging dat veel sneller.’
De joodse vluchtelingen waren vreselijk ongelukkig in Sjanghai. Geen wonder dat ze na de oorlog China zo snel mogelijk trachtten te verlaten, te meer omdat ze de communisten zagen oprukken, die ze even gevaarlijk vonden als de fascisten. Kahn: 'Ze waren ook niet naar Sjanghai gekomen om zich er definitief te vestigen, maar omdat het de enige plaats was waar ze terecht konden. Het waren uitzonderingen die bleven, bijvoorbeeld joden die met een Chinees waren getrouwd. De meeste Duitse en Oostenrijkse joden keerden niet terug naar hun vaderland, dat hen immers verraden had.’