Jan-Werner Müller, A Dangerous Mind

Een gevaarlijke geest

Jan-Werner Müller

A Dangerous Mind:

Carl Schmitt in Post-War European Thought

Yale University Press, 292 blz., € 32,50

«Je mag wel non-conformist zijn, als je je maar houdt aan het non-conformisme dat in de mode is.» Aan deze woorden van de beginselvaste contrarian Wim Rietdijk moest ik ruim twee jaar geleden denken bij de presentatie van de Nederlandse vertaling van Carl Schmitts Der Begriff des Politischen. Voor de kassa van politiek-cultureel centrum De Balie in Amsterdam kwam het bijna tot een handgemeen tussen personeel en een groot aantal teleurgestelde belangstellenden die geen toegangskaart meer konden bemachtigen. Een merkwaardige vertoning, aangezien het ging om een boekje uit 1932, dat bovendien was geschreven door een uiterst conservatieve denker die sinds jaar en dag bekend stond als «de kroon jurist van het Derde Rijk». Blijkbaar was dit weer eens wat anders, en vonden veel mensen het wel leuk om kennis te maken met zo’n «gevaarlijke denker». Het leek een beetje op de verering die Schmitts vriend Ernst Jünger ten deel viel bij zijn honderdste verjaardag in 1995, toen veel leden van de «generatie van ’68» de eens als fascist en militarist verguisde schrijver in de armen sloten. Het sloot mooi aan bij een geestelijk klimaat waarin eertijds linkse auteurs als Botho Strauss en Peter Handke allerlei cultuurpessimistische en nationalistische traktaten schreven.

De intellectuele mode is sinds de val van de Muur onmiskenbaar veranderd, maar was er bij die plotse belangstelling voor Schmitt (1888-1985) toch niet méér aan de hand? De bijeenkomst vond enkele weken na de aanslagen van 11 september plaats. Dat men zo massaal op deze avond afkwam, had er ongetwijfeld mee te maken dat men wist dat volgens Schmitt de kern van de politiek wordt gevormd door het onderscheid tussen vriend en vijand. Nadat velen zich na 1989 hadden gekoesterd in de neoliberale illusie dat de geschiedenis ten einde was en alle conflicten en belangentegenstellingen op vreedzame wijze konden worden opgelost, bleek er op 11 september 2001 ineens toch een vijand te bestaan, die onze samenleving in het hart wilde treffen, en dat blijkbaar ook kon.

In een interview met De Groene Amsterdammer verklaarde Carl Schmitt-kenner Theo de Wit dat Schmitt bij uitstek een denker was voor extreme situaties en conflictueuze periodes: «Wanneer je kunt uitgaan van min of meer genormaliseerde betrekkingen kun je Schmitt en al zijn begrippen vergeten.» Maar «11 september» toonde nu juist aan dat die normaliteit een illusie was, dat de chaos en het conflict voortdurend op de loer lagen. Blijkbaar was niet iedereen bereid zich te schikken in de neoliberale consensus, blijkbaar had niet iedereen vrede gesloten met onze moderne wereld. En blijkbaar had Carl Schmitt belangrijke inzichten te bieden, en konden met behulp van zijn denkbeelden ontwikkelingen worden waargenomen die andere politieke theoretici niet zagen, of niet wilden zien.

Schmitt is echter geen neutraal waarnemer. Wie uitgaat van het onderscheid tussen vriend en vijand is natuurlijk nooit neutraal en heeft altijd al partij gekozen. Dat was dan ook wat Schmitt het liberalisme verweet: dat het zocht naar neutrale, technocratische oplossingen voor fundamentele tegenstellingen, dat het voortdurend streefde naar «depolitisering». Met zijn ongemeen scherpe analyses en genadeloze ontmaskering van allerlei humanitaire illusies was Schmitt gedurende de twintigste eeuw een van de gevaarlijkste vijanden van de liberale democratie geweest.

Tijdens de republiek van Weimar werd Schmitt beschouwd als vertegenwoordiger van de zogenaamde konservative Revolution, een amalgaam van ultranationalistische denkers, partijtjes en groeperingen die zich verzetten tegen de burgerlijke maatschappij en de parlementaire democratie. Schmitt zag niets in een romantisch conservatisme, dat verlangde naar een samenleving die een organische, door oeroude instituties en tradities gevormde eenheid was. Een dergelijke samenleving had nooit bestaan, en alle traditionele instituties waren door de wereldoorlog en de revolutie weggevaagd. Evenmin wilde hij iets weten van het normatieve staatsrecht dat werd uitgedragen door neokantiaanse juristen. In tegenstelling tot de Oostenrijkse staatsrechtsgeleerde Hans Kelsen, die als jood in zijn ogen toch al verdacht was, ontkende Schmitt dat er een bepaalde norm ten grondslag lag aan de rechtsorde. Hoe het recht eruitziet is een kwestie van een op macht gebaseerde beslissing. Schmitt citeerde in dit verband graag Hobbes: «Gezag, niet de waarheid, maakt de wetten.» In dit «decisionisme» stond de uitzonderingstoestand centraal. Normen waren volgens Schmitt alleen van toepassing op normale omstandigheden. Waar het op aan kwam, was de vraag wie in uitzonderlijke omstandigheden de beslissingen kon nemen. Vandaar ook zijn opvatting dat degene die de noodtoestand kan afkondigen, beschikt over de soevereiniteit.

In de republiek van Weimar schortte het in ernstige mate aan politieke stabiliteit, en Schmitt wilde aan dit euvel een einde maken door de rijkspresident nog verdergaande bevoegdheden te geven. Hij werd een van de belangrijkste adviseurs van de eind 1932 tot rijkskanselier benoemde generaal Schleicher. Nadat deze op 30 januari 1933 het veld had moeten ruimen voor Hitler sloot Schmitt zich aan bij de volgens hem ordinaire en revolutionaire nazi’s. Aanvankelijk ging het hem in het Derde Rijk zeer voor de wind en droeg hij in belangrijke mate bij aan de juridische legitimatie van het nieuwe bewind, maar in 1936 werd hij na een lastercampagne van de SS aan de kant geschoven en moest hij zich tevreden stellen met zijn professoraat.

Na de oorlog werd hem ook dat ontnomen en Schmitt trok zich terug in zijn geboortedorpje Plettenberg. Daar ontving hij tal van intellectuelen, journalisten en politici en vormde hij het middelpunt van een soort conservatieve «illegaliteit». Hij poseerde graag als de vervolgde denker, wiens brieven in heel Europa circuleerden onder rechtse figuren als een antiliberale samizdat. Tegelijkertijd bleef hij boeken publiceren en leverde bijdragen aan tal van tijdschriften, waaronder zelfs het tijdelijk een nationalistische koers varende weekblad Die Zeit.

Hoewel Carl Schmitt in 1945 uitgerangeerd leek, wordt uit het boek A Dangerous Mind van Jan-Werner Müller duidelijk dat dat slechts schijn was. Anders dan het grootste deel van de Schmitt-literatuur concentreert Müllers werk zich niet op de jaren voor 1945, maar op de invloed die Schmitt uitoefende tijdens zijn «ballingschap». Die invloed beperkte zich niet tot geestverwanten als Arnim Mohler en Ernst Jünger, leerlingen als Reinhart Koselleck en Nicolaus Sombart, en discutabele types als de franquistische politicus Fraga Iribarne en de Italiaanse nationaal-socialist Julius Evola. In diens Strukturwandel der Öffentlichkeit bleek zelfs Jürgen Habermas beïnvloed door Schmitts kritiek op het gedegenereerde liberalisme.

Bovendien publiceerde Schmitt in 1963 Theorie des Partisanen, waarin hij het fenomeen van de partizanenstrijd verbond met zijn definitie van politiek, die zich tot dan had beperkt tot de rol van de staat. Met dat boekje had hij grote invloed op vele linkse intellectuelen, die het lazen als een legitimatie van de revolutionaire strijd van figuren als Che Guevara, terwijl Schmitt vooral doelde op partizanen die hun grondgebied en traditionele leefwijze verdedigden tegen de oprukkende moderniteit. Maar waar het ging om de afkeer van de burgerlijke samenleving, de haat tegen de liberale democratie en de romantische verheerlijking van de buiten de wet staande guerrillastrijder was er een duidelijke overeenkomst tussen Schmitt en de wegbereiders van het RAF-terrorisme.

Met zijn tegendraadse analyses vormde Carl Schmitt een intermediair tussen extreem-links en extreem-rechts. Zo kon hij een rol spelen in de Werdegang van Günther Maschke, een door Adorno bewonderde Castro-aanhanger en propagandist van de gewapende strijd, die veranderde in een ultrarechts en ultranationalistisch publicist. Maar ook oefende hij grote invloed uit op de uit Italië afkomstige Johannes Agnoli, die in zijn jeugd fascist was geweest, vrijwillig dienst had genomen bij de Wehrmacht en zich in de jaren zestig ontwikkelde tot marxistisch theoreticus en toonaangevend denker van de zogenaamde «buitenparlementaire oppositie» in de Bondsrepubliek.

Ook na Schmitts dood, in 1985, leven zijn denkbeelden voort in allerlei bewegingen in Europa en Amerika die tot Nieuw Rechts worden gerekend, en onder bepaalde segmenten van de antiglobaliseringsbeweging. In deze kringen wordt hij niet zelden gezien als een even inspirerende schrijver als Tolkien. Ook onder intellectuelen die zich in 1999 verzetten tegen het Navo-ingrijpen in Kosovo doken argumenten op die waren ontleend aan Schmitt. Ook hij zou het zogenaamd «humanitaire» optreden op de Balkan en in Irak hebben veroordeeld als verkapt imperialisme, en wellicht opnieuw de Franse anarchist Proudhon hebben geciteerd: «Wie mensheid zegt, wil bedriegen.» Illustratief is in dit verband het Amerikaanse tijdschrift Telos, dat zich aanvankelijk sterk oriënteerde op de Frankfurter Schule maar in de loop van de jaren tachtig excessief veel aandacht aan Schmitt begon te schenken.

Een dergelijke ontwikkeling kan niet worden afgedaan als modegril of puur opportunisme, net zo min als het louter toeval was dat Schmitt in de jaren twintig bevriend was met mensen als Walter Benjamin en Karl Korsch. Zowel de linkse denkers van de Frankfurter Schule als Nieuw Rechtse intellectuelen leveren immers kritiek op wat zij zien als de homogenisering en instrumentalisering van mensen in een volledig gecontroleerde wereld. Volgens hen is de ooit als bevrijding ervaren Verlichting in de door het liberalisme gedomineerde wereld verworden tot een repressieve ideologie. In hun strijd tegen de liberale, pluriforme democratie kunnen zowel extreem-links als extreem-rechts een heel arsenaal aan wapens vinden in de geschriften van Carl Schmitt, die de Verlichting haatte als de pest en die droomde van een autoritaire, homogene staat, waarin geen ruimte is voor verwarrende experimenten die de stabiliteit kunnen ondermijnen.