Woede (slot) Marcel Gauchet

Een gevangenis zonder tralies

‘Ons zelfbeeld wankelt, en dat zorgt voor onrust, frustratie en uiteindelijk woede’. Volgens filosoof Marcel Gauchet weten we ons geen raad met de overgang naar een ‘autonome’ orde van vrijheid en individualiteit en zoeken we naar nieuwe betekenis.

Medium hh 68225646
1000 gestalten, performance tegen de G20 in Hamburg, 2017 © Christian Mang / GmbH / HH

‘Weet je wat er zo verschrikkelijk aan de Europese geschiedenis is? Dat we zúlke enorme mogelijkheden hadden, en het steeds zo ongenadig hebben verkloot. Ook nu weer.’ Halverwege het gesprek valt Marcel Gauchet even uit de rol van de historicus die hij óók is. ‘Stel je voor dat de Eerste Wereldoorlog ons bespaard was gebleven? Lenin zou nooit de macht hebben kunnen grijpen. Voor Hitler had geen draagvlak bestaan.’ Een ‘wat als’-scenario… iets waar serieuze historici zich doorgaans niet aan wagen. Maar het lijkt Gauchet nu even niet te deren. ‘Europa zou een ongekende intellectuele en culturele bloei hebben kunnen doormaken’, vervolgt hij. ‘Kijk maar wat er rond de eeuwwisseling rondliep aan wetenschappers, kunstenaars, musici, schrijvers, filosofen. En niet alleen in steden als Londen, Parijs of Wenen. Maar tot in Oslo! Denk je eens in wat het geweest had kunnen zijn. Nu heerst er een beetje hetzelfde sentiment, alsof we de kans maar niet kunnen pakken…’

Het is die vergeefsheid die de anders zo opgewekte Gauchet na anderhalf uur ernstig beschouwen even naar de keel grijpt. We hebben het dan al een tijdje over de identiteitscrisis die de globalisering in het Westen heeft veroorzaakt. In Amerika, maar toch vooral in Europa. Ik spreek Gauchet op zijn werkkamer bij Gallimard. Bij de beroemde uitgeverij in Parijs geeft hij leiding aan het in Frankrijk toonaangevende tijdschrift Le Débat. Tevens zwaait hij er de scepter over enkele prestigieuze boekencollecties, zoals de Bibliothèque des Idées en de Bibliothèque des Sciences Humaines (waarin veel van Gauchets eigen werk verscheen).

‘Europa was de wieg van het proces dat we de moderniteit noemen’, zegt hij vanachter een met boeken en dossiermappen beladen werktafel. ‘Maar we zijn onze dominante positie in de wereld nagenoeg verloren. We zijn een trede op de ladder gedaald en dat baart zorgen. Wat zal onze plaats zijn in een wereld waarin we niet langer als vanzelfsprekend de boventoon voeren? Europa is een “a-strategische entiteit”, die nimmer haar plaats in de nieuwe wereld heeft gedacht. Als er wordt gezegd “Europa heeft geen identiteit”, dan vind ik dat je dat moet uitbreiden en moet zeggen: “Europa heeft geen identiteit in relatie met de rest van de wereld”. Zo nu en dan heb je wel van die ideetjes, afkomstig van het kabinet van Donald Tusk dat we “de planeet gaan beschaven”, maar dat is allemaal nogal loos. Wat hebben wij de wereld te bieden behalve een tandeloos humanisme?’

Het maakt dat ons zelfbeeld wankelt, en dat zorgt voor onrust, frustratie en uiteindelijk woede. In Age of Anger wijst de Brits-Indiase auteur Pankaj Mishra in dat verband op de kloof tussen wat elites prediken en wat ze waarmaken. En in eigen land bekritiseert essayist Bas Heijne het op individuele zelfontplooiing gerichte Verlichtingsdenken, dat geen oog heeft voor groepsverlangens en collectieve identiteit. Gauchet voegt daar nog een dimensie aan toe: het huidige onbehagen is niet los te zien van de specifieke fase van het moderniseringsproces waar we in verkeren.

Bij Gauchet duidt dat op een emancipatiebeweging van enkele millennia. Het is de gang van een ‘heteronome’ orde – waarin de religie structurerend is en traditie, gemeenschap en hiërarchie bepalend zijn – naar een ‘autonome’ orde, waarin het gaat om individualiteit, vrijheid en gelijkheid. Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw is dat proces volgens Gauchet ‘geradicaliseerd’. In het eerder dit jaar verschenen boek Le nouveau monde schetst hij dat proces en laat hij zien wat dat in de praktijk betekent. In korte tijd viel alles wat het individu nog inkaderde (natie, religie, familie, traditie) weg en daarmee de laatste resten van de heteronome orde. In Amerika viel dat mee, ‘geïmpregneerd’ door religie als dat land altijd was gebleven. Maar in het seculiere Europa was de autonomie van het individu totaal. Het individu was, vrij naar Jean-Paul Sartre, ‘le horizon indépassable de notre temps’ – de onoverschrijdbare horizon van onze tijd.

‘Sinds de Verlichting wordt de Europese identiteit bepaald door de strijd tegen de heteronome orde’, zegt Gauchet. ‘Maar dankzij het voortschrijden van de autonomie is deze onder druk komen te staan. Dat is begrijpelijk, maar kan niet voortduren. Europa moet zich opnieuw uitvinden in het licht van een geschiedenis die voorbij is.’ Behalve een identiteitscrisis zorgde de autonomie voor een probleem van een heel andere aard. Gauchet vat het samen in een formule: niet eerder waren we als individu zo vrij; niet eerder kregen we gezamenlijk zó weinig voor elkaar. ‘Het autonome individu is een idee, maar ik laat zien dat het rust op een infrastructuur. Niet op een economisch model, maar op een infrastructuur van politiek, recht en geschiedenis, die, op het moment dat ze uitkomt waar we nu zijn, wanneer ze zich geheel en al openbaart (daarom spreek ik over radicalisering), onzichtbaar wordt.’

De valstrik van de autonome orde zoals beschreven door Gauchet is dat ze een illusie doet ontstaan over wat wij als samenleving zijn. ‘Laten we een punt in het nabije verleden prikken, zeg vijftig jaar geleden’, zegt hij. ‘Dat was een wereld waarin staten opereerden voor wie militair geweld de gewoonste zaak van de wereld was – tijdens de Koude Oorlog. Le politique, de overheid, zag zich zo groot als een huis. Maar vijftig jaar later zien we dat huis niet meer staan. De overheid lijkt als vanzelf te functioneren, zelfs als ze in werkelijkheid nog steeds heel present is. Ze ligt er niet langer bovenop, maar is er als het ware onder geschoven en vormt nu de sokkel waar de samenleving op stut. Alleen nemen mensen haar als zodanig niet langer waar. Het gevoel dat mensen delen, en dat wakkert het complotdenken aan, is dat we in een trompe-l’oeil leven, dat de wereld anders functioneert dan we denken dat zij in werkelijkheid doet. Dat is iets verschrikkelijks, want er is niets ergers dan niet begrijpen hoe je samenleving functioneert. Voorheen had men daar weliswaar slechts rudimentaire ideeën over, maar die verwezen wél naar een waarneembare werkelijkheid. Dat bood een soort veiligheid. Maar nu weet men het niet meer. Wat rest is een diepe onzekerheid.’

De grote frustratie van deze tijd is volgens Gauchet dan ook dat niet wordt waargemaakt wat in het vooruitzicht werd gesteld. Het individu waant zich koning. Tegelijk knaagt het besef dat het de omringende wereld niet begrijpt, laat staan dat het weet hoe het zich daarin collectief kan organiseren. De ontsnapping uit de heteronome orde, de toe-eigening van de wereld door het individu droeg de belofte van ultieme vrijheid in zich. De werkelijkheid blijkt een gevangenis zonder tralies. Is het mogelijk daaruit te ontsnappen? Gauchet is ervan overtuigd dat we daarvoor de middelen in huis hebben. Wat houdt ons tegen? Een belangrijke reden, zo zal later in het gesprek blijken, schuilt in het neoliberalisme. Als samenleving zijn we gaan geloven dat we daar niet omheen kunnen, dat het het ‘natuurlijke kind van de autonome orde’ was. Ten onrechte.

‘Het autonome individu is een idee dat rust op een infrastructuur van politiek, recht en geschiedenis’

Een bezoek aan Gallimard is altijd een belevenis op zich. De uitgeverij bevindt zich in het hart van le microcosme Parisien – de vierkante kilometer waar vrijwel alle uitgeverijen, boekhandels en redacties gevestigd zijn. Net als de brasseries, cafés en restaurants waar de mensen die daar werken elkaar tijdens de lunch ontmoeten. Het begint met de twee perfect geklede hostesses die iedere bezoeker aankijken met een mengeling van hartelijkheid en achterdocht. Dat laatste verdwijnt onmiddellijk zodra duidelijk is dat er een legitieme reden is om het walhalla van de Franse boekenwereld te betreden. In het leren zitje in de wachtruimte is het vervolgens zaak je ogen en oren open te houden. Is dat niet Jean d’Ormesson van de Académie française die een medewerkster een indiscretie influistert? En was dat niet Nobelprijswinnaar J.M.G. Le Clézio die zojuist voorbij wandelde?

Wie Marcel Gauchet voor het eerst ontmoet zou niet direct denken dat hij oog in oog staat met een van Frankrijks laatste intellocraten. De term is een samentrekking van ‘intellectueel’ en ‘aristocraat’ en werd in de jaren tachtig gemunt. Er komen twee typisch Franse zaken samen: de voorliefde voor ideeën en gehechtheid aan rangen en standen. De typische intellocraat is hoogleraar aan een van de talrijke prestigieuze instituten die Parijs rijk is, zwaait de scepter over een invloedrijk tijdschrift, beheert een boekencollectie, siert zo nu en dan de voorpagina van Le Monde én wordt op gezette tijden uitgenodigd op het Elysée om met de president van gedachten te wisselen. Marcel Gauchet is het allemaal. Of nou ja, wás.

Zijn professoraat aan de befaamde École des hautes études en sciences sociales moest hij wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd opgeven. Maar wat de rest betreft zit het wel goed, zelfs Emmanuel Macron ontmoette hij al, zij het toen deze nog presidentskandidaat was. ‘Een eigenaardige vogel’, zegt Gauchet over hem. ‘Zijn ideeën zijn vrij banaal, maar hij heeft oog voor het politieke, dat stelt me enigszins gerust.’ Gauchets intellectuele sterrenstatus is nooit met hem aan de haal gegaan. Alsof hij per se trouw wilde blijven aan het Normandische arbeidersmilieu waarin hij opgroeide. Hij gaat gekleed in een bandplooibroek, een lichtblauw overhemd en een donkerblauw jasje. Zijn voorovergebogen houding, zijn stalen bril en zijn mismaakte onderkaak maken dat hij strenger oogt dan hij in werkelijkheid is.

Gauchet maakte eind jaren zeventig naam met een grondig beargumenteerde aanval op het werk van een van de grote intellocraten van die dagen: Michel Foucault. Samen met Gladys Swain, zijn in 1993 overleden vrouw, betoogde Gauchet dat Foucaults beroemde Histoire de la folie à l’âge classique berustte op een verkeerde lezing van het moderniteitsproces. Daarin zou het niet gaan om uitsluiting van wat vreemd en anders was, zoals Foucault betoogde, maar juist om de insluiting ervan. De eerste psychiatrische klinieken waren niet bedoeld om de gek van de rest van de samenleving te isoleren, maar om hem te socialiseren, met als ultieme ambitie hem te genezen, al gebeurde dat op een onbeholpen en soms ronduit wrede manier.

Gauchets definitieve doorbraak kwam met de publicatie van Le désenchantement du monde (1985), een op Weber geïnspireerde ‘Politieke geschiedenis van de religie’. De Canadese filosoof Charles Taylor schreef het voorwoord bij de Engelse vertaling. Gauchet schetste hoe een door goden en magie bevolkt universum geleidelijk had plaatsgemaakt voor een wereld waarin de mens centraal stond. Hierin was een bijzondere rol weggelegd voor het christendom als de religie die ‘de ontsnapping uit de religie’ mogelijk had gemaakt. Er volgden boeken over mensenrechten, de rol van religie in de democratie en over onderwijs.

In 2007 pakte Gauchet de draad op die hij met Le désenchantement had laten liggen. Hoe was het de mens vergaan? Hoe had hij zich in de circa vijfhonderd jaar die volgden op de ontsnapping uit de religie tot autonoom individu getransformeerd? Dat was de centrale vraag van L’avènement de la démocratie (de verwording van de democratie), een vierdelige reeks die Gauchet dit jaar afsloot met Le nouveau monde. Het is een onderneming van een ongekende reikwijdte en diepte. La révolution moderne, het eerste deel van L’avènement, schetst hoe tussen circa 1500 en 1880 drie achtereenvolgende gebeurtenissen de moderniteit inluidden: de vestiging van de staat, de verankering van het individuele recht en het ontstaan van het historisch besef, gepersonifieerd in achtereenvolgens Bodin, Locke en Hegel. Zo werd de basis gelegd voor de negentiende-eeuwse liberale orde.

‘Als het neoliberalisme verder gaat in de richting die ze ingeslagen is, zal het zijn sokkel, de natiestaat, vernietigen’

De Franse Revolutie, zo was de veronderstelling, had de traditionele, door God gegeven orde definitief verslagen. De bourgeois waande zich bevrijd, maar zoals Gauchet betoogt in La crise du libéralisme, dat de periode 1880-1918 beschrijft, is de veronderstelde autonomie slechts schijn. De ‘religieuze factor’ was nog steeds aanwezig, verpakt in positivistisch vooruitgangsgeloof. In een weergaloos hoofdstuk over Nietzsche laat hij de filosoof met de hamer tekeergaan tegen de drie ‘idolen’ van de negentiende eeuw: Vooruitgang, Wetenschap en Volk. Is er een uitweg, een tussendoorgang om de autonomie alsnog te bereiken? Aanvankelijk lijkt dat het socialisme, maar al snel blijkt alleen nog een revolutie soelaas te kunnen bieden. Daarover gaat het omvangrijke derde deel, A l’épreuve des totalitarismes. Dit was het moment van de drie ‘seculiere religies’ (communisme, fascisme en nationaal-socialisme). Ieder voor zich droegen die de belofte in zich om de heteronome orde op een profane basis te heropbouwen. Met het nazisme zou L’Un sacral, het heilige Ene, zich nog eenmaal in al zijn vernietigende kracht manifesteren – om vervolgens te midden van de smeulende ruïnes van Berlijn voor altijd uit te doven.

Gedurende de naoorlogse periode stabiliseren de Europese democratieën zich. Daarmee zijn we aangeland bij Le nouveau monde, dat de periode vanaf 1975 tot het heden beschrijft. In ‘De nieuwe wereld’ zijn traditie, hiërarchie, religie, de autoriteit van instituties et cetera niet meer dan een verre herinnering. Een Gouden Dagenraad gloorde. Bevrijd van het korset van de heteronomie zou de perfecte unie tussen weten en kunnen werkelijkheid worden. Dankzij het begrip over zichzelf en de middelen die haar ter beschikking stonden leek het alsof de mensheid voor het eerst in de geschiedenis geheel en al over zichzelf kon beschikken. Maar de realiteit bleek een heel andere.

Medium hh 20554445
Marcel Gauchet – ‘De mens is tot nogal wat waanzin in staat’ © Lea Crespi / Luzphoto / HH

In de kloof tussen gewekte verwachting en problematische werkelijkheid ziet Gauchet de bron van de huidige desoriëntatie. Hij geeft het voorbeeld van adolescenten. ‘Die trekken doorgaans in groepjes op, maar zijn aldoor gefrustreerd, omdat het ze zelfs binnen hun kleine groepje niet lukt om het eens te worden over wat ze zullen gaan ondernemen. Waarom wenden kiezers zich van de politiek af? Omdat politici niets voor elkaar lijken te krijgen als ze eenmaal worden gekozen. Mensen hechten heel erg aan hun verworven vrijheid en onafhankelijkheid. Tegelijk zijn ze diepgaand bezorgd over een wereld waarin niets mogelijk lijkt wat het individu overstijgt en de wereld kan veranderen.’

Stellen dat het autonome individu heeft gezegevierd, dat deze ‘óns einde van de geschiedenis’ is, zoals Gauchet stelt, is óók stellen dat er geen revolutionair perspectief meer mogelijk is. Onder radicaal-linkse Franse intellectuelen wordt dat hem niet per se in dank afgenomen. Gauchet gaat er door voor een verdediger van de status quo, voor een ‘neo-reactionair’ kortom. Een paar jaar geleden was hij gedurende een paar maanden doelwit van een intellectuele heksenjacht. Die begon toen twee jonge sociologen van de École normale supérieure, Edouard Louis en Geoffroy de Lagasnerie, in het dagblad Libération opriepen tot een boycot op een populair-wetenschappelijke bijeenkomst waar Gauchet als keynote speaker stond geprogrammeerd. (Louis werd toen internationaal bekend met de roman Weg met Eddy Bellegueule.) Het thema was ‘rebellie’ en volgens Louis en Lagasnerie ging het niet aan om iemand daarover aan het woord te laten ‘die het nooit nalaat de erfenis van ’68 te besmeuren en alle grote kritische denkers (lees Foucault en Bourdieu) had belast’. Gauchet zou een ‘homofoob’ zijn en in Le Débat de fine fleur van het Franse conservatisme aan het woord laten.

Er volgden nog twee oproepen en al gauw bemoeide de halve Parijse intelligentsia zich met de kwestie. Er kwam een contra-offensief op gang van sympathisanten die het in een ingezonden stuk in Le Monde voor Gauchet opnamen en ten slotte volgde er een hilarisch stuk van de historicus Laurent Bouvet, waarin hij vakkundig gehakt maakte van de ‘Bouvard en Pécuchet van de rue d’Ulm’ (Bouvard en Pécuchet zijn de twee hoofdpersonages uit Flauberts gelijknamige tragikomische roman; de rue d’Ulm verwijst naar de straat waar de École normale is gevestigd). Waarom zou een bijeenkomst met als thema ‘rebellie’ per se de loftrompet op die rebellie moeten steken? En waren rebellen per definitie linkse rebellen? Het waren vragen die kennelijk niet bij Louis en Lagasnerie waren opgekomen. Gauchet zou betogen dat de rebellen van dit moment juist niet de nazaten van ’68 waren, maar degenen die zich daartegen verzetten. Het waren rebels without a cause, want de orde die zij voorstonden kwam niet terug.

‘De “Contra-Verlichting” is niet zomaar een idee’, zegt Gauchet. ‘Er gaat een samenleving achter schuil. Het impliceert dat er een keuze mogelijk is tussen twee samenlevingstypes, traditioneel en modern. Maar dat is niet langer het geval. De zogenaamde “Contra-Verlichters” van vandaag, zoals je nu ziet in het Rusland van Poetin, zijn in wezen postmodern. Ze hebben geen flauw benul van het leven in een traditionele samenleving. Hoe zou je daar naar terug moeten, zonder een kerk, zonder een aristocratie, zonder een boerenbevolking? Als je naar het Russische platteland gaat zie je niets dan normloosheid, het is kapot. Je ziet er niet eens het begin van een traditionele samenleving.’

Kortom: terug naar de heteronome orde kan niet, we zullen het met de autonome orde moeten doen. Hoe slagen we erin ons daarin betekenisvol te organiseren? Op zich ziet Gauchet geen reden waarom de mens zich de middelen niet zou kunnen verschaffen. ‘De mens is tot nogal wat waanzin in staat, zoals het verleden heeft laten zien. Tegelijk geeft hij ook aldoor blijk van inventiviteit. Ik zeg niet dat het ook daadwerkelijk zal gebeuren, maar ik acht de mens in staat de sprong te maken, de sprong naar een hoger niveau van veeleisendheid ten opzichte van zichzelf.’ Een belangrijke reden waarom dat steeds niet wil lukken is volgens Gauchet gelegen in het neoliberalisme.

Hoe definieert u het neoliberalisme?

‘Het neoliberalisme introduceert geen enkel nieuw idee ten opzichte van het klassieke liberalisme. Wat anders is zijn de omstandigheden waarin ze worden toegepast. Het klassieke liberalisme definieert een onafhankelijke sfeer van individuele rechten die beschermd moet worden tegen de willekeur van de staat. Maar deze begrenzing bevindt zich aan de binnenkant van een gevestigde politieke gemeenschap, te weten: de natiestaat. Het verschil met het neoliberalisme ligt dus niet in de principes, maar in het toepassingsdomein. Wat het neoliberalisme doet is de sfeer van de politieke en economische vrijheid uit het domein van de gevestigde politiek halen. Het neoliberalisme is het liberalisme in tijden van globalisering. Het is niet langer de interne politieke ruimte die telt, maar de externe ruimte, waarin individuen (die zelf onderdeel zijn van een politieke gemeenschap) dankzij nieuwe reis- en communicatiemiddelen een gemeenschap definiëren die niet-politiek is. En deze ruimte stelt op haar beurt het bestaan van de gevestigde politieke gemeenschap ter discussie. Er is een tegenstelling tussen globale individuele vrijheden en nationale politieke gemeenschappen. Dat is de nieuwe configuratie die we overal waarnemen met nationalistische partijen aan de ene en globalistische partijen aan de andere kant.’

‘Vrijheid is het meest kunstmatige dat je maar kunt verzinnen. Op dat punt keer ik me tegen Rousseau’

Welke dreiging gaat er van het neoliberalisme uit?

‘Als het neoliberalisme verder gaat in de richting die ze ingeslagen is, zal het de sokkel waarop het kon groeien, te weten de natiestaat, vernietigen. Als een parasiet die zijn eigen drager doodt. Ik zie niet in hoe we eraan kunnen ontkomen om het binnenwerk (de natie) en het buitenwerk (de globalisering) opnieuw bij te stellen.’

Hoe heeft het neoliberalisme zo alomtegenwoordig kunnen worden?

‘Omdat we ons hebben wijsgemaakt dat het neoliberalisme als vanzelf voortvloeit uit de autonomie, dat er geen alternatief is. Dat is niet alleen onwaar, het zou ook een zachte maar zekere dood betekenen! Immers, de achterliggende filosofie van het liberalisme is dat als je niets doet alles vanzelf goedkomt. Het wil besparen op de collectieve wil. Maar zo werkt het niet. Sterker nog: kijk eens wat we doen. We scheppen een steeds grotere ongelijkheid en vernietigen de planeet. Die vraagstukken vereisen juist een enorme collectieve inspanning. Hoe organiseren we die? Daarin ligt de grootste uitdaging van deze tijd.’

Hoe ontworstelen we ons aan het neoliberalisme?

‘Ten eerste door te erkennen dat het een ideologie als iedere andere is. Het is geen fataliteit.’ Daarmee staan we volgens Gauchet op de grens met de ‘tweede moderniteit’. Bij de eerste kwam het aan op het verwerven van individuele vrijheid, ‘autonoom’ te worden. Vanaf nu komt het aan om met de werking ervan te leren omgaan. Gauchet zelf blijft daar stellig in geloven. ‘De menselijke vrijheid is niet gegeven, maar die moet je willen. De illusie waarin we verkeren is die van een “natuurlijke vrijheid”. Maar vrijheid is het meest kunstmatige dat je maar kunt verzinnen. Op dat punt keer ik me tegen Rousseau: de mens is niet vrij geboren. De mensheid is als slaaf geboren en heeft zich via een langdurig proces vrij weten te maken.’

Hoe vertaalt u die woorden naar wat u in Le nouveau monde ‘de crisis van de democratie’ noemt?

‘Dat vrijheid geen betekenis heeft zodra je er niets mee kunt. De crisis van onze democratie is die van een vrijheid die niet langer weet waartoe ze dient. Als we ergens moeten zoeken naar de oorzaak van de frustratie en het gemis dat we in de westerse wereld overal waarnemen is het daar.’


In een serie interviews met toonaangevende schrijvers, filosofen, psychiaters en kunstenaars gaat De Groene op zoek naar de vraag waarom woede de sleutelemotie lijkt van deze zo rijke tijd.