Een gevoel van verlies

De natuur zal ons altijd de baas blijven. Daar helpt geen Li Ziqi-lief aan.

Volgens de overlevering gebeurde het tijdens de lunch, het jaar was 1950, toen de natuurkundige Enrico Fermi plotseling vroeg: waar is iedereen? Niet dat hij alleen zat te eten, zijn collega’s vertelden het verhaal later door, maar wat Fermi bedoelde was: waar zijn de aliens?

Het is de Fermi Paradox gaan heten en een paradox is het, want gezien het gegeven dat het heelal bijna veertien miljard jaar oud is en dat er evenveel zonnen zijn als zandkorrels op aarde, en waarschijnlijk nog veel meer planeten, is het statistisch gezien haast onmogelijk dat zich ergens daarbuiten geen intelligent leven bevindt. Neem daarbij dat ons eigen zonnestelsel relatief jong is en het kan niet anders of dat intelligente leven heeft allang de middelen ontwikkeld om door de ruimte te reizen. Maar waarom horen of zien we daar dan niets van?

Misschien verstoppen de aliens zich voor ons, of zijn we nog niet interessant genoeg voor hen (zie de film Star Trek: First Contact), of hebben we ze al gevonden maar herkennen we ze niet (de octopus!), of leven we zonder dat we het weten in hun dierentuin, of in hun realityshow (zoals in een aflevering van South Park waar hoge alienbazen die show nu willen cancelen), of misschien bestaat het universum wel helemaal niet en is dit alles een hologram.

Inmiddels hebben talloze serieuze wetenschappers evenzoveel mogelijke antwoorden gegeven op Fermi’s vraag, maar de elegantste daarvan, en volgens het principe van Ockhams scheermes dus ook de meest waarschijnlijke, is dat van onder anderen Carl Sagan. De reden dat we nog geen aliens hebben ontmoet, opperde hij, en dat ook nooit zullen doen, is dat elke beschaving die het lukt om de technologie te ontwikkelen die nodig is om door de ruimte te reizen zich niet veel later dankzij diezelfde technologie te gronde zal hebben gericht. Of het nu door oorlog is, een uitputting van energiebronnen, overbevolking of klimaatverandering: er zit een grens aan vooruitgang.

Desondanks denken veel mensen nog dat technologie ons juist zal redden. Mensen als Daan Roosegaarde of Elon Musk, of aanhangers van het idee dat de opwarming van de aarde bestreden kan worden door zwaveldioxide de atmosfeer in te spuiten om zo een gigantisch zonnescherm te creëren.

Daartegenover staan echter de fans van Li Ziqi. Zeventig miljoen kijkers heeft ze, vooral afkomstig uit haar thuisland China, al wint ze ook in de rest van de wereld snel terrein. Geen wonder, want haar leven is als een droom. Niet de droom van al die grootstedelijke influencers met hun designkleding en gestileerde lofts, maar precies het tegenovergestelde daarvan. Li Ziqi woont op het platteland en maakt alles, van haar eten tot haar kleding tot haar meubels, zelf.

Waar is iedereen? vroeg de natuurkundige. Waar zijn de aliens?

We zien hoe ze sierlijk bamboe kapt, trots op een door een os getrokken ploeg door rijstvelden trekt en even later als heuse sprookjesprinses te paard een roze bloemenbos inrijdt. Van die bloemen maakt ze met honing haar make-up. Ze zaait en oogst en kookt, scheert en spint en borduurt, hakt en zaagt en timmert. En is ook nog eens onwaarschijnlijk mooi.

Het is inderdaad een droom, dat weten haar kijkers ook wel, want waarom zweet ze nooit en hebben haar zijden jurken geen modder of vetvlekken en waar zijn de ratten en kakkerlakken en wie schiet al die prachtige beelden eigenlijk? Maar dit is nu eenmaal een droom die zo oud is als technologie zelf.

Wat Li Ziqi biedt is een vlucht uit de moderniteit. In het blauwe licht van hun computerschermen staren haar volgers naar een bestaan dat simpeler en waarachtiger is, met de natuur als tuin van Eden waaruit de betonnen stadsmens met al zijn apparaten en keuzestress verstoten is. Het gaat om het gevoel dat er iets verloren is. Dat technologie de moderne mens vervreemd heeft van zichzelf en zijn omgeving. Dat wij inmiddels zelf de aliens zijn geworden.

‘When I worked in the city it was about survival’, zegt Li Ziqi erover. ‘Now, when I work in the countryside I feel like I’m truly living.’

Alleen door terug te keren naar de moederschoot zal de menselijke soort overleven, lijkt de boodschap te zijn.

Op het eerste gezicht zijn het twee uitersten, Li Ziqi als Chinese variant van Henry David Thoreau versus de tech-utopisten. En toch wringt er iets in die tegenstelling. Mede door het beeld van de natuur dat Li Ziqi schetst. Die natuur is bij haar niet woest en gevaarlijk, maar iets lieflijks, een bron van schoonheid en spiritualiteit, waar je als mens als het ware op kunt inpluggen. Of anders gezegd: de mens staat nog steeds centraal.

Dat het ook anders kan liet Barbara Ehrenreich zien in haar geweldige artikel ‘Hier zijn wij, wezens zoals jullie’ in het kerstnummer van De Groene. Sinds ik het las kan ik niet meer stoppen met denken aan de laatste zin: ‘Ik vermoed dat we de komende massauitsterving niet zullen overleven tenzij we eindelijk de grap begrijpen.’ En die grap, suggereert ze, is misschien wel dit: dat de natuur zich niet laat temmen of beheersen. Noch door technologie, noch door de vaardige handen van Li Ziqi. De natuur zal ons altijd de baas blijven en verdient daarom bovenal angst en ontzag. Want laten we wel wezen: die alien was natuurlijk altijd al de octopus.