Film

Een gewone jongen

Film: ‹American Splendor› van Robert Pulcini en Shari Springer Berman

Het is 1950. Terwijl in Amerika de contouren van de consumentenmaatschappij zich aftekenen, betreden Superman, Batman, Robin en Green Lantern het culturele bewustzijn. Maar op de kleine Harvey Pekar krijgen zij geen vat. Als de buurvrouw lief aan hem vraagt wie híj dan is — zijn vrienden zijn gekleed in superheldenkostuums — antwoordt Harvey geïrriteerd: «Mevrouw, ik ben alleen maar een jongen die hier in de buurt woont.» Hij laat zijn schouders hangen en kijkt diep triest.

Op het raakvlak tussen realisme en fantasie ligt American Splendor, een film gebaseerd op de gelijknamige cultcomic van auteur Harvey Pekar. Vorig jaar maakte de film furore op het Sundance Film Festival, het Mekka van de Amerikaanse onafhankelijke cinema. En terecht. American Splendor biedt een vernietigende blik op de hunkering van een eenzame man naar betekenis en zingeving in het leven.

Net als bij het werk van Robert Crumb, die veel Pekar-comics illustreerde, boeit ook bij Pekar het contrast tussen vorm en inhoud; tussen de rauwe werkelijkheid van de American Splendor-comics en het abstracte dat inherent is aan de taal van comics als kunstvorm. Overigens, het is hier verkieslijk te spreken over «comic», want een «strip» in de Europese zin van het woord is het werk van Pekar en Crumb niet. Bij strips overheerst het narratieve, terwijl een lineaire vertelling bij de Pekar/Crumb-comics ondergeschikt is aan de psychologische staat van de personages. Deze comics zijn eerder introspectief en autobiografisch. Zij verbeelden het saaie leven van Harvey als kantoorklerk in een ziekenhuis. Onder het oppervlak borrelen grote thema’s: zelfhaat, angst voor de dood, de eenzaamheid van het leven en de afwezigheid van liefde.

Al deze dingen komen aan de orde in de filmversie van American Splendor. In het werk speuren de personages naar dat splendor, naar iets van blijvende waarde in het leven. De film is een statement tegen het escapisme van de hedendaagse cinematografie. Voor Harvey zijn de werelden van de superhelden, die tegenwoordig overal te zien zijn in multiplexbioscopen, niets meer dan uitwassen van de consumentenmaatschappij. Hij stelt: «Wie hier zoekt naar de een of andere fantasiefiguur om de held uit te hangen en ons te redden, komt bedrogen uit.» Maar zo eenvoudig is het niet. In een ideale wereld zou Harvey niets liever willen dan te zijn als Superman; een magische ring te hebben als Green Lantern; vrouwen te versieren als de aantrekkelijke Batman; of eeuwig jong te zijn als Robin. Deze dromen vervlogen al toen hij een jongen was en tegen de buurvrouw bromde dat zij hem vooral met rust moest laten. Want een superheld was hij niet. Wel een gewone jongen.

Ironisch genoeg speelt de wereld van de fantasie een grote rol in de wijze waarop Harvey iedere dag overleeft. Als comic personage betreedt hij immers het domein der fictie op dezelfde manier als Superman of Batman. Dat is af te lezen aan de vorm van de film. De regisseurs bedienen zich rijkelijk van de taal van de comic, met haar abstracte vormen en ideeën. Het gevolg daarvan is dat Harvey’s eigen leven een fictionele kwaliteit krijgt, juist als blijkt dat hij kanker heeft. «Wat gebeurt er als ik dood ben?» vraagt hij zich af, «leef ik dan voort in mijn comic?» Het antwoord is natuurlijk: ja. En dat beangstigt hem nog het meest.

Te zien vanaf 1 juli