Dertig jaar aids

Een gewone volksziekte

Dertig jaar geleden kreeg aids wereldwijd aandacht toen de epidemie leek over te slaan van homo’s op hetero’s. Ondanks de dertig miljoen mensen die aan aids overleden, bleek de ziekte minder dodelijk dan gevreesd.

EIND 1976 VESTIGDE Joseph Sonnabend zich als clap doctor in Greenwich Village. De 44-jarige viroloog, zoon van gevluchte Duitse joden, voelde zich niet thuis in de New Yorkse laboratoria waar hij jarenlang had gewerkt om aan de kost te komen. Toen hij voor een habbekrats de polikliniek van een oudere soa-arts kon overnemen, aarzelde hij geen moment. Nu kon hij doen wat hij altijd wilde: onderzoek en patiëntencontact combineren.

‘Seksueel overdraagbare ziektes waren een ondergeschoven kindje’, vertelt Sonnabend, inmiddels gepensioneerd en wonend in Londen. 'Artsen stelden haastige diagnoses en schopten de patiënt zo gauw mogelijk weer de straat op.’ Dat zou Sonnabend niet overkomen. Door een consciëntieuze aanpak verwierf hij al gauw een groot patiëntenbestand. In 1978 ontdekte hij als een van de eerste artsen afwijkende symptomen bij een bepaalde groep: 'Het waren homoseksuele mannen met een exuberant seksleven die om de haverklap langskwamen met alwéér een syfilis, gonorroe, herpes, hepatitis of slijmvliesinfectie. De eerste afwijking was ernstige bloedarmoede. De tweede was Karposisarcoom, een kanker van de slijmvliezen die normaal alleen bij oude mannen voorkomt. Het was duidelijk dat we te maken hadden met een nieuw ziektebeeld.’

Sero-archeologisch onderzoek heeft achteraf uitgewezen dat de epidemie rond 1975 moet zijn begonnen. Van het hiv-virus had nog toen niemand gehoord. Sonnabend vermoedde dat de ziekte samenhing met de leefwijze van zijn patiënten en ging op zoek naar vergelijkingsmateriaal. Dat was er niet. Hij vond ook geen gehoor bij collega’s en gezondheidsambtenaren. 'Ik heb me suf gebeld en gecorrespondeerd, maar het duurde jaren voordat de autoriteiten er aandacht aan besteedden. Homo’s, geslachtsziekten en de Village - die optelsom was niet bevorderlijk voor de erkenning van welk issue dan ook.’

Pas in 1982 gaf het Centre for Disease Control (een soort Amerikaanse GGD) in Atlanta de nieuwe ziekte zijn naam: Acquired Immune Deficiency Syndrome. Dat jaar werden zestienhonderd gevallen geregistreerd waarvan zevenhonderd met dodelijke afloop. Het nieuws was een afschuwelijke domper op de amper tien jaar oude, stormachtige bevrijding van de New Yorkse homo’s. Tijdens de 'Stonewall-rellen’ van 1969 hadden homo-activisten in de Village zich voor het eerst met geweld verzet tegen invallen en pesterijen van de politie. De voorhoede had een soort ideologie ontwikkeld die overwoei naar Europa. Omdat hun seksualiteit los stond van voortplanting, een regulier familieleven of andere burgerlijke waarden proclameerde deze groep de totale promiscuïteit. Uit een survey bij honderd aidspatiënten bleek dat zij gemiddeld elfhonderd seksuele contacten achter de rug hadden, vaak letterlijk omdat zij zich specialiseerden in anale seks. Om alles uit hun lichaam te halen gebruikten zij cocaïne, quaaludes, ecstasy. Nu dreigde de pasverworven vrijheid hun dood te worden.

'In België bestonden de eerste groepen ook uit seksatleten’, zegt epidemioloog Luc Bonneux, die als beginnend arts bij het Belgische aidsonderzoek betrokken was. 'Ze hadden zich voorgenomen om in zo kort mogelijke tijd alles te doen wat God tweeduizend jaar verboden had. We zochten de oorzaak aanvankelijk in de poppers die ze gebruikten. Later ontdekten we met behulp van netwerkmodellen dat ze het virus doorgaven door tegelijkertijd meerdere seksuele relaties te onderhouden.’

SONNABEND WAS DOOR zijn unieke contacten in de homoscene tot eenzelfde conclusie gekomen: veelvuldige partnerwisseling was de boosdoener. Zo geliefd als hij in hun kringen was, zo hard was zijn advies: 'Stop fucking around or you will die.’

'Joe is een held’, zegt Michael Petrelis, medeoprichter van belangenorganisatie Act-Up en een van Sonnabends eerste patiënten. Petrelis is ondanks zijn aidsdiagnose nog altijd springlevend en actief als activist in San Francisco. Naar eigen zeggen dankt hij dat aan Sonnabend: 'Joe bewees dat je met een aidsdiagnose niet veroordeeld was om te leven en sterven als een lepralijder. Hij stond aan onze kant toen nog bijna niemand zijn vingers wilde branden aan onderzoek ten behoeve van homoseksuelen.’ Sonnabend schermde niet met God of de bijbel en droeg zijn patiënten niet op hun rits dicht te houden, maar hielp hen mentaal en fysiek te overleven. Hij schreef als eerste arts Bactrim voor, een combinatie van antibiotica die longontsteking bij aidspatiënten hielp voorkomen. Hij ontwikkelde als eerste de community research waarbij experimentele groepen en controlegroepen uit de homoseksuele gemeenschap worden vergeleken en schreef samen met twee activisten How to Have Sex in an Epidemic: One Approach (1983), ’s werelds eerste handleiding voor safe sex.

Ook aidspionier Roel Coutinho, hoofd volksgezondheid van de Amsterdamse GGD, had veel met deze groep te maken. 'Omdat ze een veeleisend schoonheidsideaal hadden en trots waren op de vervolmaking van hun lichamen kwam het slopende verval door aids bij hen vreselijk hard aan’, zegt hij. Coutinho merkte tot zijn verbijstering dat de politiek niet ontvankelijk was voor het drama, maar hij begreep al gauw waarom: 'Het was een ziekte van homo’s en junks, groepen die politiek niet goed lagen. Gelukkig konden we in samenspraak met belangengroeperingen de epidemie indammen en een golf van homofobie, waar we in het begin bang voor waren, voorkomen. Het was vooral een kwestie van voorlichting over condoomgebruik en over de risico’s van anaal seksueel contact en veelvuldige partnerwisseling.’

Hiv/aids kwam pas wereldwijd in de aandacht te staan toen de epidemie leek over te slaan op hetero’s. Het epicentrum was wederom New York. Sonnabend was getuige van het beslissende moment: 'Ik had de Aids Medical Foundation opgezet, het eerste aidsonderzoeksfonds ter wereld, later omgedoopt tot amFAR. Op een dag zat er opeens een professionele pr-man aan de bestuurstafel. Voor ik het wist had hij namens amFAR een verklaring uitgegeven dat aids voor hetero’s even bedreigend was als voor homo’s en dat de wereld aan de vooravond stond van een pandemie. Het was onzin, maar het ging erin als koek.’ Time kopte: 'Niemand is nog veilig voor aids’. De tv-zenders hadden het er dagelijks over.

Sonnabend riep het bestuur ter verantwoording, maar dat was al gezwicht. 'Het is voor ieders bestwil dat we hetero’s angst aanjagen, dat we Elisabeth Taylor erbij halen en hoorzittingen afdwingen, zeiden ze: als heteroseksuele senatoren en andere wasps gaan inzien dat hun eigen slippertjes levensgevaarlijk zijn, dan krijgen wij eindelijk de fondsen die we nodig hebben.’ De hoorzittingen kwamen er en het geld stroomde binnen, maar Sonnabend stapte uit de stichting. 'De campagne was wetenschappelijk onverantwoord en het was smeken om negatieve fall-out. Homo’s zouden verantwoordelijk worden gesteld voor de dood van hetero’s.’ Bij homokroegen in de Village kwam het tot veldslagen. Sonnabends praktijkje werd overspoeld door bange mensen die dachten dat je aids kreeg als je uit hetzelfde glas dronk als een homo. Hij beantwoordde zo goed mogelijk alle vragen totdat hij door homofobe buurtbewoners met kliniek en al op straat werd gedonderd.

Ook in Nederland werd de politiek nu wakker. De Kamer debatteerde in 1986 voor het eerst over aids en premier Ruud Lubbers riep dat alle immigranten op hiv getest moesten worden. Coutinho hield er een 'vieze smaak’ aan over, zegt hij: 'Maar dankzij de politieke aandacht en de medewerking van de celebs is er veel geld voor onderzoek en bestrijding gekomen.’ Hij herinnert eraan dat aids gedurende korte tijd wel degelijk een bedreiging voor hetero’s leek te worden: 'Dat kwam door de berichten uit Afrika waar hiv/aids veel heteroslachtoffers maakte. Maar al in 1987 was duidelijk dat hiv zich lang niet zo snel verspreidde onder hetero’s in de geïndustrialiseerde landen.’

GENETISCH STAMBOOMONDERZOEK wees uit dat hiv rond 1908 in Afrika moest zijn ontstaan uit een oud apenvirus. Het was aanleiding tot menige urban legend, zoals dat Afrikanen het met apen deden. Afrikanen eten hooguit sporadisch apen. In wezen staat de wetenschap met lege handen als het gaat om de hoge besmettingsgraad in Afrika. Sommige onderzoekers verklaren die uit natuurlijke selectie. Bonneux denkt aan de pest die in de late Middeleeuwen enorm heeft huisgehouden in Europa: 'Wij, nazaten van de overlevenden, hebben daarom een zekere genetische bescherming tegen hiv-infectie.’ Omdat de pest al weer ver achter ons ligt, wijzen andere onderzoekers naar de pokken, die langer en recenter in Europa rondwaarden. Er is echter nog geen concrete aanwijzing gevonden dat Afrikanen genetisch kwetsbaarder zijn. Het is bekend dat een bepaald eiwit (CCR-5) mogelijk een essentiële rol speelt bij de verspreiding van hiv. Het maakt de aanhechting van het virus aan de cel mogelijk. Mensen met een heel specifieke genetische mutatie, genaamd delta-32, maken dat eiwit niet aan en hebben daarom een hoge immuniteit voor hiv. Er is echter in dit opzicht niet genoeg verschil tussen zwarte Afrikanen en anderen om de verschillen in besmettingsgraad te verklaren.

Alternatieve verklaringen zijn er te over. Sommige liggen voor de hand, zoals het feit dat de armoede ten zuiden van de Sahara zijn immunologische tol eist. Maar ook bepaalde Afrikaanse tradities zijn ronduit riskant, weet Bonneux uit internationaal onderzoek en uit eigen ervaring als tropenarts in Congo: 'Afrikanen die het zich kunnen veroorloven hebben vaak tegelijkertijd meerdere seksuele relaties met jonge vrouwen. Die bijvrouwen hebben op hun beurt weer meerdere suikeroompjes. Hiv is niet erg besmettelijk en plant zich voornamelijk voort in zulke circuits waarvan de leden meerdere vaste partners naast elkaar hebben. In het Westen zijn dat vooral homoseksuele subculturen. In Afrika is het vooral een verschijnsel in de maatschappelijke bovenlaag met uitlopers in de prostitutie.’

COUTINHO IS NOOIT uit zijn kantoor geschopt. Toch had ook hij een probleem toen hij in 1989 in zijn inaugurele rede als hoogleraar in Amsterdam stelde dat heteroseksuelen in ons land een zeer gering risico hadden om hiv op te lopen. Hij moest aftreden als vice-voorzitter van de Nationale Commissie Aids-Bestrijding die vasthield aan de lijn dat hetero’s evenveel gevaar liepen. In New York werd zelfs met de statistiek gerommeld, aldus Sonnabend: 'Begin jaren tachtig deed de gemeente altijd intensief onderzoek naar de dood van aidspatiënten. Men nam geen genoegen met de eigen verklaringen van de patiënt, men ging ook zijn gangen na. Dat is standaard bij gevaarlijke infectieziekten. En dan bleek haast altijd dat zogenaamd heteroseksuele aidsslachtoffers waren besmet door heimelijke contacten met homo’s. Maar rond 1988 nam men opeens genoegen met een patiëntverklaring. Besmettingen die zeer waarschijnlijk van man op man waren doorgegeven, werden nu toegeschreven aan heterocontacten. Zodra die false positives opdoken in de statistieken leek de heteroseksuele aidsepidemie een feit.’

Nu de hiv/aidsepidemie zijn dertigste jaar ingaat, gelooft niemand meer in het grote heterosterven. In die drie decennia zijn rond zestig miljoen mensen met hiv besmet en rond dertig miljoen mensen aan aids overleden. Maar die cijfers zijn voor een ernstige infectieziekte niet uitzonderlijk. Hoe wrang het ook klinkt, hiv/aids is een 'gewone’ volksziekte. Door de ontdekking van het virus in 1984 zijn onderzoek en preventiebeleid in een stroomversnelling gekomen. Hiv is niet zo besmettelijk als aanvankelijk werd gevreesd en seropositiviteit leidt niet vanzelf tot aids. Dankzij de ontdekking van effectieve virusremmers in 1996 is zelfs een aidsdiagnose niet langer een doodvonnis. Meer dan vijf miljoen aidspatiënten hebben dankzij die middelen en dankzij steeds betere zorgverlening hun ziekte min of meer onder controle. Het aantal besmettingen is al jaren stabiel (rond een procent van de wereldbevolking) en het homoseksuele bevolkingsdeel heeft zijn seculiere zondeval glansrijk overleefd.

Sinds kort is er zelfs uitzicht op een heuse therapie. Dat vooruitzicht danken we aan de Amerikaanse hiv-drager Timothy Brown die vier jaar geleden in Berlijn een beenmergoperatie onderging omdat hij aan leukemie leed. Of liever gezegd: aan zijn arts. Deze koos namelijk met opzet beenmerg van een donor met delta-32. Na afloop van de (geslaagde) operatie bleek Brown spoedig hiv-vrij te zijn. De 'Berlijnse patiënt’ zoals hij in een artikel in het New England Journal of Medicine werd genoemd, bewijst wat artsen en onderzoekers, enerzijds geïntimideerd door het verraderlijke virus en anderzijds aangelokt door het lucratieve onderzoek naar virusremmers, niet eerder hebben willen aanvaarden: volledige genezing is mogelijk.

Ook op het gebied van preventie zijn verrassende vorderingen geboekt. Een relatief simpele ingreep als het verwijderen van de voorhuid halveert maar liefst het besmettingsgevaar bij mannen, zo bleek uit een driejarige studie in de township Orange Farm in Zuid-Afrika. Door het multiplier-effect werd de besmettingsgraad onder volwassen mannen met 76 procent teruggebracht.

Terwijl de dappere nieuwe wereld van de aidsfondsen stormachtig groeide, werkte Sonnabend aan een eigen theorie. Hij nam geen genoegen met de one bug, one drug-benadering die het hiv-virus volledig verantwoordelijk stelde voor de epidemie. Sonnabend dacht dat aids een multifactoriële aandoening was, het resultaat van een opeenstapeling van virale besmettingen bij seksueel hyperactieve individuen waarvan hiv er één was, en misschien niet de belangrijkste. Hij publiceerde in 1984 samen met twee andere onderzoekers zijn multifactoriële model. Veel daarvan is achterhaald, zegt hij, maar het uitgangspunt blijft actueel: 'Het idee van een killervirus spreekt belangengroepen aan. Christenen die zweren bij family values en graag zien dat je van overspel subiet doodgaat. Homo’s die de specifieke risico’s van hun darkroomcultuur willen ontkennen. Farmaceutische bedrijven die graag een generiek preventiemiddel willen verkopen. Maar het is een gegeven in de epidemiologie dat veel ziektes, waaronder alle soa’s, multifactorieel zijn.’

UITGEREKEND SONNABEND werd uitgemaakt voor 'aidsontkenner’ nadat hij in 2000 deelnam aan een aidsconferentie in Pretoria onder leiding van een echte aidsontkenner, president Thabo Mbeki van Zuid-Afrika. 'Een nachtmerrie’, zegt Sonnabend. 'Ik deed het omdat ik wilde protesteren tegen dat ontkenningsbeleid. Zuid-Afrikanen stierven massaal aan aids en Mbeki koos de makkelijke uitweg. Hij beweerde dat er sprake was van een uit de hand gelopen verkoudheid en dat aids een westers verzinsel was. Helaas, politieke charlatans en New Age-idioten hadden in Pretoria het hoogste woord, ik kwam er niet aan te pas. Veel betrokkenen bij het Amerikaanse aidsbeleid waren graag van me verlost. Na die trip konden ze me als denialist afschilderen.’ Tegenwoordig is hij weer enigszins gerehabiliteerd. Zijn multifactoriële these krijgt zelfs weer aandacht in wetenschappelijke kringen omdat sommige onderzoekers vermoeden dat een of meer andere virussen facilitair kunnen werken voor hiv.

Maar boven de hoofden van de onderzoekers en bestrijders woedt nog altijd dezelfde hevige ideologische strijd. Medische instellingen, farmaceutische bedrijven, bureaucraten, ngo’s en het Vaticaan willen elk hun aidsstrategie aan de wereld opleggen. Dat gevecht concentreert zich binnen Unaids, het VN-programma voor aidsbestrijding met hoofdkwartier in Genève. Unaids is vooral een fondsenwervingsmachine. De organisatie heeft meer dan tien miljard dollar op jaarbasis te besteden. Het geld gaat naar initiatieven en strategieën die vaak ten onrechte exclusiviteit of overdreven succes claimen: onthouding, monogamie, hiv-tests, mannelijke besnijdenis, condooms, virusremmers. Coutinho heeft ze allemaal zien voorbijkomen. 'De laatste weken is er opeens veel te doen om test and treat, zegt hij: 'Het idee is dat de besmettelijkheid van hiv spectaculair afneemt als je de dragers virusremmers geeft. Het is waar dat door behandeling de kans op hiv-overdracht sterk daalt. Het probleem is dat je iedereen onmiddellijk na de diagnose moet behandelen en dat is onmogelijk. Een magic bullet tegen hiv/aids bestaat niet. Je moet altijd werken met een combinatie van methoden die is aangepast aan de situatie in een land.’

Wie het onderzoek achter test and treat leest, ziet dat het effect in de praktijk erg tegenvalt omdat patiënten vaak hun pillen niet slikken. 'Daar wreekt zich weer de wereldvreemdheid van veel aidsonderzoekers’, zegt Sonnabend. 'Die zien nooit een patiënt van dichtbij. Er zijn honderd redenen waarom hiv-dragers geen pilletje slikken. Ze willen bijvoorbeeld niet voor hun besmetting uitkomen. Of ze moeten hun pillen doorverkopen om aan voedsel te komen. Afrikaanse kinderen slikken hun virusremmers vaak niet omdat je die moet innemen met de maaltijd en een maaltijd krijgen ze lang niet elke dag. Natuurlijk is er een rol weggelegd voor virusremmers, condooms enzovoort. Maar laten we vooral werken aan voldoende voeding, schoon drinkwater en de bestrijding van andere infectieziektes zoals malaria en tuberculose, anders dweilen we met de kraan open.’

De start van Unaids was nog wel veelbelovend. De eerste uitvoerend directeur was Peter Piot, een briljante jonge microbioloog uit Antwerpen. 'Helaas cultiveerde Piot al gauw een rockster-imago dat in geen verhouding stond tot de resultaten op de grond’, zegt Helen Epstein, een Amerikaanse arts en wetenschapsjournaliste die de schaduwzijden van de internationale aidsbestrijding in kaart bracht. Volgens Epstein is Unaids een totale flop en dient de aidsbestrijding weer als voorheen te worden ondergebracht bij de Wereldgezondheidsorganisatie. Bonneux, die in Antwerpen studeerde, was aanvankelijk een 'echte Piot-boy’, zegt hij, 'maar Unaids stond niet open voor ideeën die de fondsenwerving doorkruisten. Ik publiceerde samen met een collega een wetenschappelijk artikel waarin we een hiv-pandemie onder Europese hetero’s zeer onwaarschijnlijk noemden. Ik heb het Piot toegestuurd, maar nooit enige reactie ontvangen. Via-via kreeg ik te horen dat hij mij “niet loyaal” meer vond.’

Tegen de tijd dat Piot in 2007 aftrad, bleek dat Unaids het aantal hiv-besmettingen in de wereld jarenlang veel te hoog had ingeschat. Ook de cijfers waren kennelijk 'loyaal’ gemaakt aan de fondsenwerving. In Afrika was het beleid een grabbelton van onsamenhangende campagnes, meent Epstein. Het gevolg was vaak dat de voorlichting niet meer werd vertrouwd en het bijgeloof welig tierde. In het ene land werden 'heksen’ verbrand omdat ze aids zouden verspreiden, in het andere namen mensen hun eigen schaartje mee naar de kapper omdat ze dachten dat je van de kappersschaar aids kreeg. Intussen bleven de weldoeners in het wilde weg scheepsladingen condooms en virusremmers en vliegtuigen vol Italiaanse nonnen, Zweedse homoactivisten alsmede Elisabeth Taylor op de Afrikanen afsturen.

Epstein laat zien dat al die 'hulp’ resulteerde in een leegloop van de Afrikaanse gezondheidszorg. De hulporganisaties slokten het voltallige lokale gezondheidspersoneel op. Zelfs het meest succesvolle project van de internationale gemeenschap, het programma voor geboortebeperking, werd weggedrukt door aidsprojecten waarvan het effect twijfelachtig was. De nadruk die kerkelijke hulpverleners legden op seksuele onthouding is al vaak gekritiseerd, maar de zegeningen van het condoom zijn even beperkt. 'Je kunt merken dat de voorstanders ze zelf niet gebruiken’, zegt Bonneux. 'Anders zouden ze weten dat consistent condoomgebruik niet bestaat. Het condoom blijft vaak ongebruikt door slordigheid, dronkenschap of emotionele weerstand. Bovendien kloppen de berekeningen achter de campagnes niet. Om in Nederland één hiv-besmetting te voorkomen zijn 1,7 miljoen condooms nodig. In Afrika zijn de benodigde hoeveelheden niet aan te slepen. Afgezien daarvan blijven ze dus vaak ongebruikt. Onderzoek in Afrika toont dat het bezit van condooms zelfs aanzet tot meer riskante seks.’

Sommige landen volgden hun eigen koers. In Oeganda bijvoorbeeld is het aantal hiv-besmettingen tussen 1992 en 2003 met tweederde teruggebracht door een nationale campagne voor gedragsverandering, van onderaf ondersteund door vrouwengroepen en andere lokale initiatieven. Daniel Halperin, medisch antropoloog en adviseur van de Amerikaanse ontwikkelingssamenwerking, publiceerde onlangs samen met Zimbabwaanse onderzoekers een vergelijkbaar succesverhaal. Het percentage besmette volwassenen in Zimbabwe daalde maar liefst van 29 in 1997 naar zestien in 2007. Veruit de belangrijkste oorzaak was, alweer, gedragsverandering, deels ingegeven door voorlichting en deels door de diepe economische depressie in het land. In de prostitutie werden meer condooms gebruikt en het aantal gelijktijdige seksuele relaties nam af met dertig procent omdat mannen zich minder bijvrouwen en commerciële seks konden of wilden veroorloven.

Sinds 2002 hanteren internationale organisaties de abc-benadering, die staat voor 'abstinence, be faithful and condoms’. Helaas is de middelste term in het gedrang gekomen, zegt Epstein, terwijl die nu juist het beste werkt. Halperin is verheugd dat de essentiële rol van 'concurrent sexual partnerships’ bij de verspreiding van hiv eindelijk ook in Unaids-kringen doordringt. 'Toch lijkt dat weer verdacht veel op een magic bullet’, zegt Coutinho. 'In Afrika is de mannelijke besnijdenis als preventie ook heel effectief. En in Thailand is het condoom juist succesvol geweest. De meeste hiv-overdracht vond daar plaats in de prostitutie. Het virus is er enorm teruggedrongen doordat de overheid het gebruik van condooms in bordelen afdwong.’

Het idee van Afrika als een 'vervloekt continent’ waar hiv/aids ongenaakbaar heerst kan sowieso in de prullenbak. Dat blijkt nu Unaids eindelijk een paar statistieken produceert waarmee we kunnen werken, zegt de Zweedse arts en hoogleraar internationale volksgezondheid Hans Rosling. Zo welbespraakt als Epstein haar onderzoeken en ervaringen in Afrika beschrijft, zo verrassend weet Rosling geheimen aan de aidsstatistiek te ontfutselen. In zijn videopresentaties, verzameld op zijn website gapminder.org, brengt hij met het accent van de Zweedse kok uit de Muppets en met evenveel humor ingewikkelde cijferreeksen terug tot hun essentie. Hij toont onder meer aan dat hiv/aids in zuidelijk Afrika een zeer lokaal verschijnsel is. 'Hiv verspreidt zich binnen zeer specifieke sociale netwerken, steden en regio’s. Dat is tot mijn verbazing nooit onderzocht. In dertig jaar is kennelijk niemand op het idee gekomen die grote variatie in hiv-incidentie eens onder de loep te nemen. Het hoge aantal concurrent partnerships in die gebieden en groepen is de meest waarschijnlijke verklaring. Maar alternatieven zijn niet systematisch onderzocht. Er is bijvoorbeeld een hypothese die zegt dat een ander virus faciliterend werkt voor hiv. Zoek dat eens uit, denk ik dan.’

Maar Genève maakt geen haast met de waarheid, meent Rosling: 'Hun cijfers over het gebruik van virusremmers maken bijvoorbeeld geen onderscheid tussen aidspatiënten en hiv-dragers die nog géén aids hebben. Die laatste groep leeft veel langer, want een hiv-besmetting in Afrika verkort niet of nauwelijks de levensverwachting. Dus lijkt het alsof virusremmers enorm levensverlengend zijn. Dat is pure misleiding. Ik vermoed dat ze het louter doen om die middelen te propageren.’

Sonnabend kijkt nergens meer van op: 'Aidsbestrijding draait om seks, drugs en geld. Een krachtiger ideologische cocktail kun je niet bedenken. De farmaceutische industrie gebruikt Afrikaanse zwarten en westerse homo’s openlijk als proefkonijnen. Bill en Miranda Gates pompen miljoenen dollars in de mondiale aidsbestrijding om hun malthusiaanse denkbeelden te propageren. Mensen als ik zijn al lang geen spelers meer.’ Toch is hij niet verbitterd: 'Ik heb veel mensen geholpen en meer waardering gekregen dan ik ooit had durven hopen. Ik heb een welbesteed leven gehad. Vooruit, ik heb toch nog een wens. Ik zou willen dat de autonomie van de patiënt centraal komt te staan in de aidsbestrijding. Dat is letterlijk van levensbelang, voor een homoseksuele aidspatiënt in Amsterdam evengoed als voor een seropositieve tienermoeder in Harare. Hoe voorkom je dat kerken, ngo’s, farmaceutische bedrijven, politici, bureaucraten en het echtpaar Gates over je heen walsen omdat ze denken te weten wat goed voor je is? Daarover moet het de komende dertig jaar gaan.’