INTERVIEW MET JHUMPA LAHIRI

‘Een gezin is een bom die ieder moment kan afgaan’

De verhalen van Jhumpa Lahiri gaan vaak over familie. In het bijzonder over families van in Amerika wonende Indiase immigranten, zoals zijzelf en haar ouders. Onlangs verscheen haar nieuwe bundel in vertaling: Vreemd land.

JHUMPA LAHIRI (40) komt net terug van het literaire festival in Hay, een ervaring waarop ze in haar Londense hotel (E.M. Forster schreef hier ooit een deel van A Room with a View) met grote ogen terug-kijkt. ‘Ik heb nog nooit zoiets meegemaakt. Het was heel slecht weer en alles was buiten. In tenten weliswaar, maar die werden niet verwarmd. Ik heb het zo koud gehad. Die barre omstandigheden weer-hielden het publiek er evenwel niet van te komen. Hordes mensen ploegden met laarzen en paraplu’s door de modder, van het ene interview naar het andere event. Het festival is hier in Engeland echt een begrip, maar één dag was meer dan genoeg. Een dergelijke chaos is niet goed voor mij: al die mensen die tegelijkertijd tegen je praten, de onrust, het lawaai. Het is een te groot verschil met mijn normale le-ven.’
Haar normale leven is: thuis in Brooklyn. ‘Je kent het wel: schrijven, moeder-zijn. Een rustig bestaan. Daar houd ik van. Mijn man en mijn kinderen zijn net zo. We vinden het leuk om mensen te zien, maar we hebben ook tijd voor onszelf nodig. Een ideale doordeweekse dag is voor mij: iedereen staat op, ik help de kinderen naar school en crèche, mijn man gaat naar zijn werk. En dan tijd voor mezelf. Ik ga naar boven naar mijn kantoortje, probeer wat te schrijven, totdat het tijd is om de kinderen te halen. ’s Middags ben ik bij hen, maak ik hun eten, breng ze naar bed. Daarna eten mijn man en ik samen, praten we of lezen we wat, of we kijken een dvd. Afgelopen winter is het ons gelukt om in de weekends thuis een klein Bergman-festival te houden, zelfs overdag terwijl de kinderen om ons heen aan het spelen waren. Dat was geweldig. De manier waarop Bergman in zijn films gezinnen portretteert, is heel interes-sant voor mij, omdat dat iets is waarmee ik mezelf in mijn werk steeds meer bezighoud. Hij komt echt onder de oppervlakte. Zijn blik kent geen genade, zonder gevoelloos te zijn. De grote stilte heb ik twee keer op een dag gezien, ik kon er geen genoeg van krijgen. Zo rijk, helder en toch complex. Zo wil ik ook schrijven.’
In Vreemd land, haar pas verschenen boek, is haar dat gelukt. De acht daarin gebundelde verhalen zijn inderdaad rijk, helder geschreven en complex. En ze gaan vaak over families: jonge ouders, broers en zussen, volwassen kinderen en hun ouders. Haar hoofdpersonen zijn mensen met dezelfde achtergrond als Lahiri: in Amerika wonende Indiase immigranten. De oudere generatie woont en werkt in Amerika, maar haar hart is in India; hun kinderen, Lahiri’s generatiegenoten, worden wél Amerikanen, maar nooit helemaal, en zijn vreemden in het land van hun ouders. Al vanaf het begin van haar carrière is dit – de verscheurdheid en eenzaamheid die met ontworteling gepaard gaan – Lahiri’s thema. In 1999 publi-ceerde ze haar eerste verhalenbundel, Interpreter of Maladies (in het Nederlands vertaald als Een tijde-lijk ongemak), die werd overladen met prijzen, waaronder de Pulitzer Prize. Vier jaar later volgde de ro-man The Namesake (De Naamgenoot), over de in Amerika geboren zoon van Indiase immigranten. Het boek werd in 2006 door Mira Nair verfilmd.
Jhumpa Lahiri schreef altijd al veel over familie, maar het thema is sinds ze zelf kinderen heeft nog be-langrijker voor haar geworden. ‘In Vreemd land heb ik geprobeerd om nog beter naar gezinnen te kij-ken’, zegt ze bedachtzaam. ‘Het is zo moeilijk om daar goed over te schrijven. Iedereen heeft ermee te maken, ook als je afstand van je familie hebt genomen. Je komt eruit voort, of je dat nu wilt of niet. Vroeger schreef ik vanuit wat ik me kon voorstellen: het leven van mijn ouders, mijn eigen leven. Maar sinds ik kinderen heb, weet ik ook wat het is om moeder te zijn en heb ik het gevoel dat ik het geheel kan overzien. Ik denk meer dan ooit over mijn gezin van herkomst, mijn vader en moeder, mijn zusje; over de verschillen en de overeenkomsten met mijn eigen gezin. Ik vraag me af hoe mijn ouders het hebben gedaan met ons, onder veel moeilijker omstandigheden dan de mijne.’

Je kijkt vanaf het begin van je carrière met veel compassie naar de generatie van je ouders. Zag je als kind al hoe moeilijk hun leven vaak was?
Jhumpa Lahiri: ‘Ik denk dat ik op een bepaald niveau, deep down, wel begreep wat hun emigratie voor hen betekende, maar in het dagelijks leven hield ik me er niet mee bezig. Daar ergerde ik me aan hen, aan hun gebrekkige kennis van Amerikaanse gebruiken. Ik vroeg me af waarom ze zo op India gericht bleven, waarom waren ze niet gelukkiger in Amerika? Ik wilde gewoon zijn, zoals andere kinderen, en dankzij mijn ouders was ik dat niet, zo zag ik dat toen. En dan moesten we ook nog regelmatig maan-denlang naar Calcutta. Daar zag ik vaak tegenop, ik had geen zin om die intense, vreemde wereld bin-nengetrokken te worden. Ik nam veel boeken mee en toch verveelde ik me daar, want we deden weinig behalve familie bezoeken. We zagen niets van het land, bezochten geen bezienswaardigheden, we hin-gen gewoon rond bij de mensen bij wie we logeerden. De tijd kroop voorbij. Voor mijn ouders betekende India: familie. Daarom gingen we ernaartoe, omdat zij naar hun familie verlangden. Vooral mijn moeder had last van heimwee.’
Vrouwen, maak ik uit je boeken op, lijken het sowieso moeilijker te hebben met de immigratie dan hun echtgenoten. Misschien ook omdat zij er zelf niet bewust voor hebben gekozen.
‘Dat denk ik ook. De vrouwen kwamen met een andere reden naar Amerika dan de mannen: zij kwamen omdat ze met die man gingen trouwen en hun emigratie part of the deal was. Vrouwen gingen een leven in dienst van het huwelijk en het gezin leiden, een leven waarvoor de meesten van hen, mijn moeder incluis, de deur niet uit hoefden. In een toch al geïsoleerde situatie leefden zij extra geïsoleerd. Mijn va-der en zijn Indiase vrienden participeerden in de Amerikaanse maatschappij. Ze hadden respectabele banen: ze werkten aan de universiteit of in een ziekenhuis, of waren ingenieur. Het was voor de vaders gemakkelijker om in de Amerikaanse maatschappij te integreren dan voor de moeders, die thuis bleven. Toch waren er ook in die generatie vrouwen die wel een baan buitenshuis hadden. Het waren uitzonde-ringen, maar ze waren er wel. Het boek waaraan ik nu werk zal over een dergelijke vrouw gaan, omdat ik daar meer van wil weten. Hoe was het leven van die vrouwen? Misschien was de ervaring van immi-gratie voor hen inderdaad wel gemakkelijker, omdat zij ook een eigen doel hadden in Amerika.’
Wordt het nieuwe boek een roman of een verhaal?
‘Het is nog pril, maar ik denk nu dat de ideeën die ik heb beter tot uiting komen in een roman. En dat ik daar nu ook weer de rust voor heb. Voor mij zijn verhalen absoluut niet minder dan een roman. Dat ik de laatste jaren verhalen heb geschreven, komt voor een deel voort uit mijn persoonlijke omstandigheden. Ik ben moeder geworden, had jonge kinderen en kon niet meer zo ongelimiteerd dagdromen als vroe-ger. Voor een roman moet je je helemaal kunnen losmaken van het dagelijks leven en dat lukte even niet. Verhalen waren daarom gemakkelijker, al duurde het schrijven ervan nu ook langer dan ik gewend was. Ik heb deze keer geleerd geduld te hebben, de tijd voor me te laten werken. Bij sommige verhalen heeft het letterlijk jaren geduurd voordat ik ze begreep en kon afmaken.’

Wat is voor jou het centrale thema van ‘Vreemd land’?
Jhumpa Lahiri: ‘Het klinkt als een afschuwelijk cliché, maar het zijn verhalen over leven en dood.’
Veel dood.
‘Veel dood. En gedachten aan dood, verlies. Voor een groot deel is het boek geschreven vanuit de angst voor de dood van mijn ouders. Ze leven allebei nog, maar ik ben me er de afgelopen jaren wel bewust van geworden dat ik ze zomaar kwijt kan raken en hoeveel dat voor mij zal betekenen. Het zal voor mij meer zijn dan het verlies van twee geliefde personen. Het zal het einde zijn van een tijdperk, van mijn directe band met mijn Bengaalse kant. Immigratie slaat diepe kloven tussen generaties, er is bij ons geen vanzelfsprekende continuïteit zoals die er is tussen mijn vriendinnen en hun ouders. Onze le-vens zijn te verschillend.’
In het titelverhaal van de bundel denkt een vader terug aan de tijd waarin zijn nu volwassen kinderen nog klein waren. Hij wil zijn dochter, nu zelf een jonge moeder, waarschuwen: ooit zullen haar kinderen ook vreemden voor haar worden. ‘De hele onderneming van het stichten van een gezin, van het kinde-ren op de wereld zetten, hoe bevredigend soms ook, was in wezen tot mislukken gedoemd’, schrijf je.
‘Dat is toch zo? Een gezin is per definitie imperfect. Juist door de grootse verwachtingen loop je butsen en krassen op, dat is onvermijdelijk. Het is nooit zo mooi als je zou willen dat het is, zelfs niet onder de beste omstandigheden. Een gezin is nu eenmaal een bom die ieder moment kan afgaan. Ik snap wel dat er mensen zijn die afzien van het stichten van een gezin, omdat ze bang zijn voor de intensiteit van het hebben van kinderen en voor wat er zou kunnen gebeuren. Het is in sommige opzichten gemakkelijker om alleen te blijven.
In de periode waarin ik deze verhalen schreef, stierf eerst mijn schoonmoeder, onverwacht, en daarna mijn schoonvader, die kanker had. Twee sterfgevallen in een betrekkelijk korte tijd, twee verschillende vormen van dood: de eerste heel plotseling, de andere meer aangekondigd. Het was de eerste keer dat ik zoiets van dichtbij meemaakte en natuurlijk dacht ik: dit gaat mij ook overkomen. Het overkomt ieder-een. Die ervaringen en gedachten hebben sommige van de verhalen in Vreemd land zeker gekleurd. Het gaat meer openlijk over verlies dan in mijn eerdere boeken.’
Is het troostend om door middel van je werk dat soort gevoelens te kunnen onderzoeken?
‘Schrijven helpt me sowieso om te leven. Het geeft me rust. En meer zelfacceptatie, wonderlijk genoeg. Door bepaalde gevoelens en inzichten onder woorden te brengen, begrijp ik mezelf beter en accepteer ik mezelf meer dan vroeger in wie ik ben, wat ik leuk vind, wat ik niet leuk vind. Als kind en als puber begreep ik mezelf niet zo goed. Ik was altijd bezig het iedereen naar de zin te maken, probeerde me te gedragen zoals ik dacht dat van me werd verwacht. Als iemand zei: je moet die zwarte trui dragen, trok ik die zwarte trui aan, en als iemand me even later toch een blauwe adviseerde, werd het blauw. Ik pro-beerde wanhopig om geaccepteerd te worden, om me aan te passen en niet op te vallen, maar het lukte niet. Ik was nooit goed genoeg op de plek waar ik me op dat moment bevond. In Amerika voelde ik me Indiaas, in India Amerikaans.
Het heeft een hele tijd geduurd voordat ik mijn eigen wensen en verlangens serieus kon nemen, om bij wijze van spreken zelf voor de zwarte trui te kiezen en daar tevreden mee te zijn. Mijn werk heeft daarin een cruciale rol gespeeld. Ik schrijf over dingen en situaties waarom ik geef, maar niet over mezelf. Het gaat over andere mensen. Maar door buiten mezelf te treden en over anderen te schrijven, kom ik op een bepaalde manier toch weer bij mezelf uit, alleen vanuit een ander perspectief. Zo is het tenminste bij mij. Ik heb meer compassie voor mezelf gekregen.
En door zo veel over families te schrijven, ben ik me ook steeds meer geworteld gaan voelen in mijn eigen leven. Vroeger zag ik alleen hoe instabiel en vreemd de grond was waarop ik stond. Door over families als de onze en hun ervaringen na te denken en te schijven, heb ik kunnen accepteren hoe het was. De grond mag dan niet ideaal zijn geweest, het was wel de bodem onder mijn voeten.’

Vreemd land (vertaald door Ko Kooman) is verschenen bij Meulenhoff (351 blz., € 19,95); Unaccusto-med Earth, de originele versie, bij Random House, 333 blz., € 21,95