‘Een gezin is eigenlijk een kleine terreurorganisatie’

Walter van der Kooi ziet veel meer dan alleen dat waarover hij zijn kronieken schrijft. Vandaag: Dit waren wij.

Foto’s uit mijn jeugd zijn op twee handen te tellen, inbegrepen een angstaanjagend onechte serie als ‘spontaan spelende kleuter’ in de studio van een fotograaf. Van onze dochter bestaan er een paar honderd, tussen (niet gefotografeerde) geboorte en achttien. Zelfgemaakt en niet al te best. Aan filmen niet begonnen. Van onze kleinkinderen moeten er duizenden, zo niet tienduizenden bestaan, digitaal, stilstaand en bewegend. Vastgelegd door hun visueel meer getalenteerde ouders. Schoonzoon maakt al jaren complete documentaires met gesproken commentaren en muziek van de gezinsvakanties. Niets gruwelijker dan andermans vakantiebeelden, behalve als het de dierbaarsten betreft. En zo komen we ook weer eens zuidelijker dan Normandië, Loire, Bourgogne, onze tegenwoordige limiet. Soms komt er wel eens een bokkend kleinkind voorbij, dat zich te groot voelt voor de enscenering van papa, maar alle films zijn uiteindelijk even vrolijk als de erbij gekozen zomerse muziek. En dus, hoe goed ze het ook met elkaar en daar hebben, ook (in hun geval licht) vertekenend. Zoals fotoalbums dat per definitie zijn.

Maar wat als een gezin een amateurfilmende vader, Rob, heeft die van de geboorte van de drie kinderen tot en met hun puberteit honderd uren film en video heeft geschoten? En zich daarbij niet beperkte tot liefde, vreugde en trots, maar kritiek, wrevel, spanning bij de prijs in begreep. Vooral eigen ergernissen trouwens, geformuleerd in commentaar of vragen tijdens het filmen. Richting de kinderen, richting gade. De camera soms als aanvalswapen. Met incidenteel een wolkje zelfkritiek. Mijn motto is vanouds: ‘God beware je voor kinderen die schrijver of documentairemaker worden.’ Maar Rob Hendrickx heeft met een berg zelf vastgelegd materiaal, waarin hij soms zicht- maar vooral hoorbaar is, precies de bewijslast neergelegd die andere kinderen meestal alleen in hun geheugen meedragen en die je nog als vertekende herinnering kunt afdoen. Als dan zijn dochter Josefien ook nog eens documentairemaker wordt (van wie zou ze dat filmen toch hebben?), dan vindt die dus een goud- of kolenmijn om uit te putten.

Medium dit waren wij
© VPRO / WITFILM

Zeker als ze daar bovenop de dagboeken van haar moeder mag gebruiken. Het resultaat heet Dit waren wij, en hoewel de ouders nog bij elkaar zijn en de inmiddels volwassen kinderen het redelijk lijken te maken, is het toch een pijnlijke film. De maakster citeert in het begin: ‘Mijn gezin is het beste wat me is overkomen’; en meteen daarna: ‘Een gezin is eigenlijk een kleine terreurorganisatie.’ Ergens op die lijn staan we allemaal, en misschien soms wel met het ene been op het eerste, het andere op het tweede citaat. Vraag is hoe uitzonderlijk die Hendrickxen eigenlijk zijn. Als ze dat niet zijn heeft de film brede betekenis. Zijn ze het wel, dan is het document wel erg particulier.

En ze noemt nog een premisse: ‘Elke filmer worstelt: mag ik dat wel laten zien? Ik moet voorzichtig zijn: het is mijn familie.’ Als die, in haar documentaire, het voorlopig resultaat heeft bekeken, wordt nabesproken. Hij lijkt pijnlijk voor alle betrokkenen, hoewel het grootste object van ouderlijke zorg en ongenoegen, de zoon, er het minst mee lijkt te zitten. Vader komt er niet al te best vanaf (ziet hij, ondanks door hemzelf aangevoerde verzachtende omstandigheden, ook in), maar ook de maakster zelf heeft twijfels en soms een vieze smaak over haar aandeel in het gezinsverleden. Na een eerste dochter, Lot, werd een enigszins weerbarstig joch, Beer, geboren, waarvan we pas aan het eind van de film horen dat hij de eerste jaren niets anders deed dan huilen. Wat nogal een wissel trekt op jonge ouders, en vaak vooral moeders.

De derde heette, na problematische bevalling en kantjeboord overleven, Josefien. Zij maakte alles goed: een engel was geboren. Het is precies die rol waarover zij al voor het maken van de documentaire twijfels zal hebben gehad, die door alle geschreven en beeldmateriaal alleen maar groter werden. Een oudste dochter die minder aandacht kreeg door een moeilijk broertje en zij plus dat broertje samen in de schaduw van de beminde jongste. Die als tienjarige op Oudejaarsavond voor de camera als goed voornemen onder meer noemt ‘minder schijnheilig’ te zijn. We hebben haar dan al in ‘voice over’ vol schaamte horen vertellen hoe ze haar broertje erbij lapte bij hun ouders of hem dwong dat zelf te doen.

Het boeiende van de film is dat die alle obligate paradijselijkheid van vakanties in verre oorden laat zien, lekker blote blonde kindjes, kampvuur, zonsondergang, nachtelijke zwempartijen et cetera. Maar hier ook de wrijving, de pijnlijkheden. Vader die energiek moeder lezend in bed filmt en meldt dat ze al een maand overspannen is. Als ze dat niet was zou ze het door zoiets wel worden, denk ik dan. Gevolgd door wederzijdse stekeligheden, variërend van kritiek op humeur tot seksleven. Vader gaat verdomde ver in zijn cynische commentaren op zoonlief, die waarschijnlijk moeilijk te hanteren was. Maar die, zegt Josefien, voornamelijk zonder woorden (waarvan hij er niet veel had) vroeg: ‘Hou van mij.’ ‘Had hij dat maar gezegd’, is de conclusie van vader. En uitgerekend die zoon zegt, sans rancune: ‘Ja, wel aardig die film, maar waarom zou die op de televisie moeten?’ Daar zit wat in.

Maar toch, ik keek mijn ogen uit en dacht, met gemengde gevoelens, over de verhouding, lang geleden, tot mijn kleine broer, die het niet makkelijk met me had. En aan mijn godlof niet op beeld vastgelegde vaderschap dat zoveel weerbarstiger was dan dat van opa zijn. Enfin: Josefien maakte deze film onder meer, letterlijk en figuurlijk gericht op haar zwangere buik – echo van die van haar moeder, gefilmd door vader. Daarmee stelt ze een vraag: hoe zal dat bij ons gaan? Haar antwoord schat ik in als ‘hopelijk beter’. Haar film is kritisch, maar ik vermoed dat ze niet blij zal zijn met mijn woorden. Misschien omdat ik, subjectief, meer pijnlijkheden dan liefde voelde terwijl zij die zelf wel (ook) ervaart. Maar vooral omdat het principe van het clangevoel is: ik mag op mijn roedel schelden, maar jij, buitenstaander, moet je bek houden.


Josefien Hendrickx, Dit waren wij, VPRO 2Doc, dinsdag 4 juli, NPO 2, 22.55 uur