Een gezonde navel in een raampje

HET VERLIET zijn schamele breedte tussen alles wat oninteressant was alleen als een van je fijnbesnaarde kennissen zich zo zat te vervelen dat zelfs een aangedikt verhaal over het doorzakken van afgelopen zaterdag daar geen verheugenis in bracht. Maar dan had je ook geen kind meer aan hem.

Een kobaltblauw cahier, formaat ‘du Cinema’. Verschenen in een serie die Bizar heette en op deze aflevering stond als titel nog eens Les Monstres. Keurig gekocht bij Allert de Lange en daarna vol geamuseerd afgrijzen dagenlang niet meer uit handen gelaten.
De monsters waren mensen met wie het om veelal genetische reden anders was gelopen dan de bedoeling was. Gezien in het licht van een mythisch persoon in verband met wie ook wel eens over evenbeeld werd gesproken. Of misschien ook juist weer niet. De genen lagen nog niet zo voor in de mond en behalve in de betere obstetrische handboeken was er van dien aard absoluut niets in de vrije verkoop. Een brave tijd. Kantoorboekhandel Vlieger handelde wel in cursusboeken vol na te tekenen geslachtloze naakten, waar geen paint-box aan te pas was gekomen. Je kon het niet beter voor elkaar hebben. De man met de elastieken huid en jongetjes die andere jongetjes uit hun buik hadden groeien. Tweelingen, zo Siamees als maar mogelijk, en authetieke pinheads. Vanzelf leerde je alle plaatjes van buiten (vooral de verbaasde blik van de jongeman met de drie benen staat mij nog helder voor de geest), zodat ik vele jaren daarna bij het waarnemen van welke geboortekronkel dan ook tot niets anders dan 'Is that all there is?’ kan komen.
Maar iedereen, lang of kort doorgeleerd, poetisch baasje of bankschroeffetisjist ging voor de bijl en een van hen stal tenslotte het kostbare cahier.
De film van Tod Browning waarin de pinheads en de man zonder ledematen, die in Bizar al weelderig werden geciteerd, echt optraden, kwam in het Filmmuseum en vanaf dat moment ging het bergaf met de zeldzaamheid van goede monsters en mijn interesse daarin.
IN HET MUSEE de l'Homme in Parijs stond tot in de jaren zeventig een grauwzwart wasafgietsel van een Afrikaanse vrouw met een buitenproportioneel ontwikkeld achterste. Wanneer je daarop was uitgekeken, kon je aan de voorkant, onder niet mis te verstane borsten, het zogenaamde Hottentottenschortje bewonderen: de tot bijna dubbele washandjeslengte uitgezakte binnenste schaamlippen. Een onbeholpen staaltje van discriminerende exofilie, sterk suggererend dat wittere dames er dergelijke vrolijke tierlantijnen niet op nahouden. Ik wist wel beter, hoewel alle bewijs mij uit handen was geslagen. Met weemoed dacht ik aan mijn monsters in het blauwe gestolen cahier. Bizar apres la lettre.
Er stonden mannen en vrouwen omheen en ze keken ernaar. Onverholen interesse in alle dingen waarin dat burleske lichaam verschilde van het hunne. Erotisch entamerend kon je het nauwelijks noemen, maar behalve die gedoodverfde prikkel zijn er nog een aantal andere motieven om het half of geheel ongeklede lichaam onder ogen te willen zien, het blijft interessant.
Amerikaans fotodeskundige William A. Ewing heeft in een catalogusachtig boekwerk een dozijn beweegredenen en andere vormen van aandrang om lichaam of lichaamsdelen te fixeren, nader bijeengebracht. Het liegt er niet om. Waar gezonde en ongezonde belangstelling in elkaar overgaan is nauwelijks zichtbaar of aangegeven. Een documentaire vlag dekt de gevoelige lading, die daarom waarschijnlijk ook niet is opgeblazen tot meer imponerend formaat maar juist opvallend kleiner dan bij foto-esthetiek gebruikelijk is, wordt getoond.
De voorbeeldig ingenaaide uitgave past nauwkeurig in een sober zwart 'slipjacket’ (cassettevormig omhulsel) met een grappig raampje erin, waardoor een gezonde navel, overgeerfd oerlitteken, een tikje om een hoekje zelfs, naar buiten kijkt.
Een mooi boek. Voorbeeldig gedrukt, de zwart-witillustraties in duotoon, en zonder dat er enige lichaamsgeur aan kleeft. Het ruikt nog eerder naar een nieuwe fiets zoals die dat nog wel eens deed in 1952. Met rijwiellak staat op het dofzwarte vestje dan ook de titel The Body gedrukt, die er door zijn gewicht zelfs enigszins in is verzakt.
Het ontwerp lijkt in de richting van een mystiek of religieus besef te tasten, waarbinnen alle degelijk samengebrachte afbeeldingen dienen te figureren. Een volle dis aan recht op en neer, varianten en afwijkingen, hier en daar begoten met een saus van vertekening, waar ook nog een bloemrijke geur van vervreemding aan gepaard gaat.
Voor de ouderen leuk om te zien hoe het eenzame, gedegenitaliseerde naakt of geheime monster is veranderd in een obsessief totem met duizenden voorkomens. Resultaat van de arbeid van alle fotografen die zich op bijna benauwende wijze op het lichaam hebben geworpen. De indruk gevend of de aanbeden individualisering zich vooral in het zichtbare lichaam heeft vastgebeten. Zowel passief als actief, een visueel S(ubject)M(anipulator) partijtje-tegen.
WANT TENSLOTTE gaat het over fotografie. Lichaam en camera zijn voor elkaar geschapen: harde versus 'zachte machine’. De ijdelheid van het lichaam en de nieuwsgierigheid van de camera maakt ze tot ideale speelkameraden, buiten en binnen de muren. In de schaduw van tapijtjes en kandelaartjes doen ze opwindende spelletjes met elkaar, op warme zolders verlustigen ze zich in elkaars mogelijkheden. Buiten wordt er gewedijverd in gewaagde sprongen en gracieuze capriolen vol lange ledematen en lenige schouders, doelloos zwevend, vastgeprikt op de blauwe lucht (het naakte en echt gewichtloze lichaam wacht nog steeds op vereeuwiging). De stoute oude meester die zichzelf zo bescheiden 'Anonymous’ noemt is ook weer in ruime mate aanwezig. Van de noodlottige verkleving van perziken, meloenen en een (tussen modderkleurige vrouwenkousen gestoken) halve kokosnoot, tot de onmisbare vrome jongelui vlak voor het wetenschappelijk opblazen van elkaars plasser. Maar daar is voor de gezonde boekenwurm de spanning inmiddels danig van af.
Ewing biedt veel tekst en niet de allerslechtste. Mag hier als lokaas zijn notitie van een uitspraak van Walter Benjamin gelden: 'De vervreemding van zichzelf heeft bij de mens een dusdanige hoge graad bereikt dat hij zijn eigen destructie als een esthetisch genoegen van de eerste orde kan ondergaan.’
Denk nu niet dat het alleen om monsters gaat. Alles is aanwezig.
Maar waarom blijft mijn blik dan steeds, na een frisse duik in Weston en Mapplethorpe, in plaats van te verwijlen bij damesstoofperen en herenaugurken, aan de hermafrodiet van Nadar of de ultieme nimfijn van Sally Mann haken?