Een giftig mengsel

Zelden waren de critici het zo met elkaar oneens als over ‘Mystiek lichaam’. Eerst het boek, nu de toneelbewerking. Twaalf recensies onder het mes.
Mystiek lichaam door Het Nationale Toneel, nog tot eind mei overal in het land te zien.
DE VRAAG WORDT altijd opnieuw gesteld: waarom maken acteurs zich zo druk over negatieve toneelrecensies? Het is toch maar papier waarin morgen de makreel wordt verpakt! Dat is waar. De uitspraak van Pontius Pilatus, ‘Wat geschreven staat, staat geschreven’, geldt echter ook voor acteurs en regisseurs als een harde waarheid. Op prikborden, in vitrines, in knipselmappen en tegenwoordig ook in de archiefkasten van kunstadviseurs en knopen (resp. kunstenaars) doorhakkende ambtenaren - recensies blijven de theatermakers achtervolgen. Met name de negatieve.

Over het project Mystiek lichaam, een toneelbewerking van Frans Kellendonks roman uit 1986 bij het Nationale Toneel, verschenen tot nu toe twaalf kritieken. Zeven daarvan (enkele in lokale en regionale kranten, plus Algemeen Dagblad, De Telegraaf en Trouw) waren uitgesproken positief; Elsevier was ‘neutraal’; vier waren negatief: de Volkskrant, NRC Handelsblad, Het Parool en het Nieuw Israelietisch Weekblad. De beroepskijkers zijn het dus verregaand met elkaar oneens, wat wijst op een hoe dan ook controversiele en daardoor potentieel boeiende voorstelling.
KRANTELEZERS hebben daar echter weinig boodschap aan. Vooreerst: naar het effect van recensies op het publiek bestaat nauwelijks wetenschappelijk onderzoek. Er zijn wel een paar feiten. Ten eerste: de meeste Nederlanders lezen een krant. Voor zover zij toneel (willen) bezoeken en daarbij hun bezoek laten bepalen door 'hun’ recensent, weten zij niets van controversen tussen critici. Voor zover mensen al twee kranten lezen, is dat in de regel - zeker voor theaterbezoekend publiek - de combinatie Volkskrant/NRC. Zijn die twee kran ten negatief over een produktie, dan heeft het producerende gezelschap een probleem. Steekt Het Parool ook de duim omlaag, dan heeft die produktie er in de regio Amsterdam nog een probleem bij.
Ten tweede blijkt het adverteren met (veelal positieve) krantekoppen contraproduktief. Met direct mail, waarbij een specifieke doelgroep afdrukken vanalle recensies (negatieve en positieve) in de bus krijgt, bestaat in Nederland nauwelijks ervaring - bij mijn weten heeft alleen De Appel ermee geexperimenteerd. Het ziet er naar uit dat het verschijnsel van de al dan niet georganiseerde mond-tot-mondreclame in Nederland-toneelland wordt onderschat.
DE TITEL van het gewraakte stuk, Mystiek lichaam, verwijst naar een verborgen gemeenschap van alle mensen - levenden, doden, jonggeborenen en ongeborenen - die zichzelf voortplant op een weg door de tijd. Het boek van Kellendonk is een familiekroniek, een soort mini-soap: over de gierige vader Gijselhart, zijn zwangere dochter Magda (bijnaam: Prul) die later moeder wordt, en zijn homoseksuele zoon Leendert. Vader en zoon vertellen het verhaal, daarin hinderlijk op de voet gevolgd door de verteller, die als een 'narratologisch monster’ kosmopolitische bespiegelingen aan hun anekdotiek toevoegt. Het boek werd indertijd achtervolgd door een nogal dommige beschuldiging van antisemitisme. In de hoofdstukken over de 'metafysica van de homoseksualiteit’ werd destijds een venijn ontdekt 'waarbij de mozaische kuisheidswetten uit Leviticus de allure van een padvindersinstructie krijgen’, zo schrijft Michael Zeeman in het programmaboek. Mystiek lichaam werd door sommigen destijds ook gezien als een uitgesproken theatraal boek: juist door de ambiance van pastiche en parodie, door de permanent aanwezige schmiere, en door het bizarre decor.
PLAATSEN WE DRIE positieve dagbladkritieken op de voorstelling Mystiek lichaam (Telegraaf, Trouw en AD) naast drie negatieve (Parool, NRC en Volkskrant), dan roept dat in ieder geval drie vragen op: 1. Slaagt de criticus erin het boek (gedeeltelijk of tijdelijk) te vergeten, en de voorstelling te zien als een zelfstandig produkt? 2. Beschrijft de criticus wat hij ziet, wat hij hoopte te zien of wat hij wilde zien? 3. Hoe accuraat is de criticus in het benoemen van wat hem aantrok of afstootte aan de voorstelling?
Hans Oranje (Trouw), Eddy Geerlings (AD) en Peter Liefhebber (De Telegraaf) lijken het boek in hun achterhoofd te hebben, maar hun theaterogen staan op nieuwsgierige steeltjes: ze laten zich duidelijk verrassen door de wijze waarop Kellendonks personages 'van het papier weglopen’, misschien niet altijd even coherent of begrijpelijk, 'maar wel steeds barstend van leven, van oorspronkelijkheid en inventiviteit’. Het ironische en fantasierijke karakter van Doesburgs enscenering, wordt evenzeer erkend als het feit dat het resultaat een 'neerslachtig makende voorstelling’ is. Deze critici zijn geraakt, en dat laten ze merken ook.
Vooral het personage van de homoseksuele zoon Leendert, en zijn monoloog over de door hem vervloekte mannenliefde en het sterven van zijn vriend 'hakken met hun ironie stevig op de toeschouwer in’. Er is in deze positieve besprekingen ook aarzeling voelbaar, een aarzeling die ik als lezer van het boek indertijd ook had: zoveel vra gen oproepen, en je vervolgens als schrijver verschuilen achter een schimmig 'giftig mengsel van katholicisme, homoseksualiteit en ironie’, zoals Gert Hekma het na Kellendonks dood in deze krant opschreef - dat schept verplichtingen.
Zo aanraakbaar als Oranje, Geerlings en Liefhebber in hun kritieken zijn, zo onaantastbaar zijn Maartje Somers (Parool), Pieter Kottman (NRC) en Hein Janssen (Volkskrant). Deze recensies lijken te zijn geschreven vanuit een vogelvluchtperspectief: op grote afstand en zonder direct contact met het object van hun observaties. Het Parool heb ik wellicht niet goed begrepen. Maartje Somers eist van Johan Doesburgs enscenering 'kunstmatigheid’, constateert vervolgens dat hij 'grotesk’ verwart met 'luidruchtig, nadrukkelijk en veel te overdadig spel’. Jeroen Willems (Leendert) zou 'ergerlijk barok’ spelen, zonder dat duidelijk wordt wat dat is ('barok’) en hoe dat voelt ('ergerlijk’).
Hein Janssen legt dat in de Volkskrant wel uit: Jeroen Willems acteert 'alsof hij op de markt staat’, 'temerig’, en hij zou uitgelegd moeten krijgen dat hij normaal moet spreken, want dan zegt hij 'duizend keer meer dan met dit gemaniereerde gedoe’. Nergens blijkt enig inzicht in het feit dat het personage Leendert bijkans stikt in zijn eigen en de hem door het 'narratologische monster’ Kellendonk opgelegde gedachtensprongen. Jeroen Willems doet een poging dat in zijn spel uit te drukken - in mimiek, in gestiek, in het zeggen (bijna 'zingen’) van zijn teksten. Maar ja, van zo'n 'poging tot iets’ zie je niets vanuit een vogelvluchtperspectief. Janssens recensie poneert nog veel meer, maar steeds ontbreekt de uitleg. De bewerking zou verdoezelen 'wie die mensen zijn’, Kellendonks gedachtengoed zou zijn vermalen tot een mengelmoes 'waar je horendol van wordt’. Argumenten graag!
BIJ PIETER KOTTMANS kritiek in NRC Handelsblad is iets anders aan de hand. Hij weigert eigenlijk de voorstelling te kritiseren, hij recenseert almaar het boek van Frans Kellendonk. Al in zijn voorbeschouwing (ruim een week voor de premiere) verlangde Kottman naar een verfilming van het boek (door Alex van Warmerdam). De criticus vermoedde bij Johan Doesburg vooral provocatieve bedoelingen. Eigenlijk had het bij die voorbeschouwing moeten blijven; een andere NRC-journalist had vervolgens de recensie moeten schrijven. In de recensie gooit de criticus Kottman nog een schepje bovenop de voorbeschouwer Kottman: zo eist hij van het personage Leendert 'een bezonkener gedrag’ omdat Leendert de woordvoerder van Kellendonk zou zijn - dat laatste is ongetwijfeld waar, maar waarom dan in een toneelbewerking een 'bezonkener gedrag’ vereist is? Kottman verwijt de theatermakers dat ze Leenderts ode aan de dood (het slot van Kellendonks boek) hebben weggelaten. Een merkwaardig verwijt: de theatermakers hebben voor Kellendonks 'hoogliedje van de dood’ iets in de plaats gezet: een acteur (geen zanger, geen alt) die 'Erbarme Dich’ uit de Mattheus Passion zingt. 'Heb medelijden met mij’ - met wie? Met Petrus, de martelaar in het nieuw-testamentische lijdensverhaal. Petrus heeft op dat moment Christus drie keer verraden. Daarmee werd de slotscene van Mystiek lichaam een mooie knipoog. Naar Leendert. En naar Frans Kellendonk. Die met Mystiek lichaam, dat giftig mengsel van ironie over katholicisme, homoseksualiteit en jodendom, volgens zijn critici ook drie keer verraad zou hebben gepleegd.