Het Stedelijk Museum: Toch mist er iets

Een gigantische tijdmachine

Het nieuwe Stedelijk is een feest. Maar er ontbreken schakels naar het nu en de wereld buiten het museum.

Het vernieuwde Stedelijk Museum was nog niet open of NRC Handelsblad zette er een kruis doorheen. ‘Stedelijk haalt wereldtop niet’, kopte de krant op de voorpagina. Wat daarmee precies werd bedoeld, bleek uit de woorden van de directeur van het MoMA in New York. ‘De collectie van het Stedelijk behoort tot de allerbelangrijkste ter wereld, maar om de rol te spelen die zo’n collectie verdient, moet het museum over evenveel inkomsten beschikken als Tate Modern, Centre Pompidou en wij.’ Ik moest bij die uitspraak van de ‘topman’ van een ‘topmuseum’ aan het woord ‘topkunst’ denken, een begrip dat in de jaren tachtig tijdens de eerste boom van de kunstmarkt werd geïntroduceerd. Topkunst betekent sindsdien vooral kunst die de meeste aandacht en het meeste kapitaal genereert, en om die redenen alleen al kunnen topmusea er niet aan voorbij. Niet zelden sleept dan het inhoudelijke en artistieke belang er als een aangenaaide staart achteraan.

Medium christian friedrichdlr

Wie vanuit dit marktperspectief naar de toekomst van het Stedelijk kijkt, ziet natuurlijk op voorhand een verliezer. Het jaarbudget van 11,6 miljoen euro dat de Amsterdamse kunstraad wil toekennen, is niet eens voldoende om een enkel schilderij van Gerhard Richter aan te schaffen. Laat staan dat het een organisatie op kan zetten die als een geoliede machine vele honderd­duizenden bezoekers door het museum heen kan loodsen. Terecht zegt directeur Ann Goldstein dan ook in Vrij Nederland dat het een valstrik is om te willen aansluiten bij de top-drie. We verwachten van iemand met te kleine schoenen toch ook niet dat hij de Santiago de Compostella Route kan lopen?

Blijft de vraag welke alternatieve route Goldstein voor ogen heeft. Uit de paar interviews die zij tot nu toe heeft gegeven, valt daarover niet veel op te maken. Ze drukt zich bij voorkeur uit in frases die haar toewijding aan de kunst zelf onderstrepen, zoals: ‘Het Stedelijk zou een waardevolle bijdrage moeten leveren aan kunst en kunstenaars in de samenleving.’ Dat is ongetwijfeld waar. De Nederlandse kunstwereld heeft door het wegvallen van ons belangrijkste museum voor hedendaagse kunst veel te lang een dwingend en toch aanspreekbaar oriëntatiepunt moeten missen. En wat de samen­leving betreft lijkt het niet onaannemelijk dat die museale leegte heeft bijgedragen aan het dedain en het onbegrip dat de kunst de afgelopen paar jaar over zich heen heeft gekregen. Feit is in ieder geval dat die samenleving niet meer geneigd is om klakkeloos de mantra op te zeggen dat wat goed is voor de kunstenaars ook goed is voor de samenleving. Het publiek wil op z’n minst weten waar het ongeveer over gaat. Mooi dus dat het Stedelijk nu naast een spectaculair gebouw, een uitstekende kunstboek­winkel en een aantrekkelijk restaurant ook een volwaardige educatieve afdeling en een uitgebreid lezingen- en discussieprogramma heeft. Het voert zelfs een heus informatiebeleid, weliswaar voorzichtig, maar toch. Wie weet zet het op een dag ook nog eens de bijl aan de verschrikkelijke woeker van het kunstjargon op de website en in de informatiebladen.

Maar dat alles is de schil. En hoe glimmend die nu ook is, de kern is en blijft de visie van waaruit de kunst zelf wordt geselecteerd, verzameld en gepresenteerd. Die visie is bepalend voor het bijzondere soort vitaliteit dat we tegenwoordig van een museum voor hedendaagse kunst verwachten. Een vitaliteit die samenhangt met het vermogen de wisselwerking aan te voelen tussen ontwikkelingen in de cultuur en de ideeën van kunstenaars, maar even goed met het inzicht en de creativiteit om daar met aansprekende tentoonstellingen vorm aan te geven. Dat laatste vereist ook engagement met het publiek. Want dat heeft nauwelijks nog een boodschap aan kunst die gepresenteerd wordt als iets van een onvatbaar hoge orde. Je zou bijna denken dat de individualisering en secularisering van de samenleving uiteindelijk ook de tempels van de kunst hebben bereikt.

Toch klopt dat niet helemaal. Chris Dercon, directeur van Tate Modern in Londen, wees er vorig jaar in een lezing op dat tegenwoordig aan het museum een nieuwe, bijna magische kwaliteit wordt toegeschreven. Niet alleen verwachten de mensen er een antwoord te vinden op de vraag wat kunst is en wat niet, ze willen evenzeer dat het museum als een soort bemiddelaar functioneert voor de belangrijke vragen van deze tijd. Ze willen, stelt hij, net als in de door de media gestuurde beeldcultuur en de digitale ruimte zichzelf gerepresenteerd zien.

Ik denk dat Dercon daar gelijk in heeft. Ik denk ook dat veel museumdirecteuren en -conservatoren niet weten wat ze met die ontwikkeling aan moeten. Want een meer publieke rol van het museum betekent dat ze de vertrouwde kunsthistorische lijnen moeten loslaten. Maar ook, en misschien meer dan wat ook, dat ze het idee van ‘autonome kunst’ moeten bijstellen, het idee dus dat kunst een los van de wereld staande, onaantastbare grootheid is. Dat idee, of beter dat geloof, verleent nu eenmaal aan ingewijden een absoluut gezag en precies dat is iets waar een geïndividualiseerde samenleving hoogst wantrouwig tegenover staat.

Terug naar het nieuwe Stedelijk Museum en de vraag hoe het deze nieuwe ontwikkelingen pareert. Het antwoord komt direct al bij binnenkomst: met klaroengeschal. Van zaal tot zaal zien we dat het waar is wat de topman van het MoMA zegt: het Stedelijk heeft een van de allerbelangrijkste collecties ter wereld, zowel wat de beeldende kunst betreft als op het gebied van design. We zien ook dat de nieuwe directeur samen met haar conservatoren een uitgewogen selectie heeft gemaakt waarbij de verschillende kunstwerken en ontwerpen uiterst zorgvuldig ten opzichte van elkaar zijn gepositioneerd. Prachtig, die zaal met felkleurige schilderijen van de Cobra-groep. Verrassend hoe de schilderijen van Philip Guston en een sculptuur van Frans West samen met een late Picasso en een vroege Baselitz een associa­tief verband met elkaar aangaan. En waarom hebben we nooit eerder de ‘radio-actieve’ visioenen van de Japanse kunstenaar Tetsumi Kudo zo indringend gezien? Of de witte, met fallische vormen beklede boot van Yayoi Kusama? Gaandeweg ontdekken we de accenten die Goldstein heeft gelegd en hoe die tot uitdrukking komen in de kunst die ze sinds haar aantreden heeft aangekocht: werk van vrouwelijke, vaak feministische kunstenaars en veelal Amerikaanse, conceptuele kunst, met een voorkeur voor kunst uit Los Angeles, de stad waar Goldstein tot voor kort zelf woonde. De kunst uit Europa, die haar voorganger Rudi Fuchs in stelling bracht tegen de dominantie van de kunst uit Amerika, speelt in deze opstelling nog maar een marginale rol.

Zo lopen we door de mooie witte ruimtes, genietend, en ook met bewondering voor de scherpe intuïtie waarmee de voormalige museumdirecteuren kunstwerken hebben aangekocht die op de een of andere manier de tijd lijken te representeren. Het museum wordt er een soort tijdmachine door: de jaren vijftig, zestig, zeventig, je herkent ze moeiteloos aan de hand van de iconen die zijn uitgekozen en de doeltreffende manier waarop ze met elkaar zijn gecombineerd. Een feest dus, en je vergeet daarbij makkelijk dat de meeste kunstwerken zijn aangekocht op een moment dat ze nog betaalbaar waren. De kunstenaars waren nog redelijk onbekend of behoorden nog niet zo lang tot het topsegment van de markt. Een aantal van hen, zoals Willem de Kooning en Donald Judd, deden schenkingen omdat ze bevriend waren met de directeur en het een eer vonden om met meerdere werken in de collectie van het Stedelijk vertegenwoordigd te zijn. Het zou best kunnen dat juist dit bijzondere fundament van sterke persoonlijke relaties, visies en voorkeuren maakt dat de collectie zo glanzend afsteekt tegen het enorme, maar ook tamelijk willekeurig aandoende iconengeweld van de huidige topmusea.

En toch mist er iets. Want hoe fraai de kunstwerken ook worden gepresenteerd, ze lijken vooral terug te wijzen naar de geschiedenis van de kunst zelf. Wat ontbreekt is een context die de kunstwerken onze tijd in trekt. Interessant die feministische kunst uit de jaren zeventig en tachtig, maar wat betekent ze voor ons nu? En hoe bijvoorbeeld verhoudt de minimal art zich tot de kunst en de vormgeving van onze tijd? Doordat schakels naar het nu en de wereld buiten het museum ontbreken, gebeurt precies wat deze tijdloze presentatie probeert te voor­komen: de kunst blijft hangen in een voorbije tijd. Ze wordt een glad gepolijste herinnering.

Hoe dit uitpakt voor de kunst van dit moment zien we bij de tijdelijke tentoonstelling Beyond Imagination. Ze bestaat uit twintig werken die in het kader van de Amsterdamse gemeente-aankopen door een jury gekozen zijn uit de inzending van 657 in Nederland geboren of werkende kunstenaars. Klaarblijkelijk hebben de uitverkorenen het best beantwoord aan de oproep die vanuit het Stedelijk het land in was gestuurd: ‘Laat je gedachten gaan over de manier waarop grenzen tussen realiteit en verbeelding, authenticiteit en rollenspel, zijn vervaagd, daarbij verwijzend naar de ontwikkelingen op het terrein van de politiek, de financiële wereld en de media.’ Dat is een flinke mond vol, en afgezien van de vraag of we, zoals de titel suggereert, nog iets anders hebben om over de toekomst na te denken dan onze verbeelding geeft de formulering aan dat het museum scherp op de tijd wil zitten. Sterker nog, het wil de tijd een zekere richting geven, de kant op van het heersende kunsttheoretische discours. Het hoeft geen betoog dat daarmee bij voorbaat niet-passende vormen van kunst buitengesloten zijn.

Het blijft natuurlijk gissen of dat de reden is dat Beyond Imagination er zo droog-academisch uitziet, of dat de schuld ligt bij de van alle leven losgekoppelde presentatie. Beide, denk ik. Maar hoe dan ook, de verbeelding én de tijd waarin wij leven zijn hier gereduceerd tot een gigantisch déjà-vu.

We wachten af op welke grond Goldstein haar uiteindelijke keuze voor aankoop zal maken.


Beeld: DLR / courtesy of the artist and Wilfried Lentz gallery
Bijschrift: Christian Friedrich, Untitled, 2011, video, sound, 33 min 24 sec. in de tentoonstelling Beyond Imagination