rekenfoutje in de kinderopvang

Een gloeiend heet cijfer

De groei van de kinderopvang blijkt veel groter te zijn dan het kabinet bij zijn aantreden beraamde. Wie was verantwoordelijk voor de grove misrekening?

De kosten van de kinderopvang zijn veel hoger dan cda, pvda en ChristenUnie bij de formatie in 2007 dachten. Nog maar anderhalf jaar geleden gingen de onderhandelaars Jan Peter Balkenende (cda), Wouter Bos (pvda) en André Rouvoet (cu) er volgens het ministerie van Onderwijs van uit dat de kinderopvang met twee procent per jaar zou groeien. In 2007 blijkt dat echter 35 procent te zijn geweest. Dat zou erop kunnen duiden dat fors meer jonge vrouwen blijven werken als ze kinderen krijgen, wat toch de insteek is van dit kabinet. Goed dus, dat de opvang goedkoper is geworden voor ouders? Zelfs China kent niet dit soort groeicijfers, zegt een betrokkene echter met enige ironie.

Dus borrelt de vraag op: waar is bij de raming van de groei in de kinderopvang rekening mee gehouden? Eén telefoontje naar de opsteller van die raming, zo is mijn idee, moet daarvoor voldoende zijn. Maar net als de raming zelf blijkt ook dit een misrekening. Want van wie komt dat cijfer van twee procent eigenlijk? De staatssecretaris van Onderwijs Sharon Dijksma (pvda), die de kinderopvang in haar portefeuille heeft, lijkt vorige week woensdag in een interview met de Volkskrant het antwoord op die vraag te geven: van het cpb. Dat valt bij het Centraal Planbureau echter in verkeerde aarde. Nog dezelfde dag staat er op de website van het Planbureau dat het cijfer niet van hen afkomstig is. Van wie dan wel?

Ik bel met het cpb. Daar hoor ik dat rond de verkiezingen en de formatie is gewerkt met cijfers van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waar de kinderopvang destijds onder viel, maar dat daar geen cijfer van twee procent bij zat. In een stuk dat het cpb op de website zet om het werkelijke groeicijfer van 35 procent te helpen verklaren, staan verwijzingen naar een rapport met ramingen van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Bij het scp is de reactie echter dat zij werkten met cijfers van begin deze eeuw en dat er ten tijde van de kabinetsformatie door hen geen nieuwe ramingen zijn gemaakt.

Het ministerie van Onderwijs houdt bij een eerste telefoontje vol dat de twee procent toch écht van het cpb afkomstig is, maar laat later in de week formeel weten dat het ministerie van Financiën verantwoordelijk is voor alle ramingen. Op Financiën is de aanvankelijke reactie dat de collega’s van Onderwijs zelf het beste weten waar het groeicijfer vandaan komt. Als ik vertel dat die juist verwijzen naar Financiën, blijkt men zo druk met de in de Tweede Kamer te houden Verantwoordingsdag over het beleid van het afgelopen jaar, dat er geen tijd is om over de raming van de kinderopvang verantwoording af te leggen. In een van die vele telefoongesprekken zegt een betrokkene: het ligt politiek heel gevoelig, niemand wil zijn vingers eraan branden.

Het is het understatement van de week.

Doordat niemand de verantwoordelijkheid voor de raming wil nemen, is niet na te gaan op welke aannames het groeicijfer was gebaseerd. Het onderzoek daarnaar loopt op deze manier dood. Door een analyse van de oorzaken van de groei komt er echter wel enige duidelijkheid over. Althans over dat waar géén rekening mee gehouden is. Bij zijn aantreden in 2007 besluit dit kabinet meer overheidsgeld uit te trekken voor kinderopvang om het zo voor ouders aantrekkelijker te maken de zorg voor kinderen te combineren met een baan. Met het oog op de vergrijzing zijn ook vrouwen op de arbeidsmarkt hard nodig, is de gedachte. Maar het extra geld voor de opvang leidt vooralsnog niet tot een groei van het aantal werkende jonge vrouwen. Integendeel. Uit het stuk van het cpb blijkt de 35 procent groei in de kinderopvang zelfs gepaard te gaan met een daling van die andere groei. Tussen 1994 en 2004 nam het arbeidsaanbod van vrouwen tussen de 20 en 45 jaar jaarlijks met gemiddeld 1,7 procent toe, in de drie jaar daarna is dat met gemiddeld 1,1 procent.

Als dat zo blijft, geeft de overheid volgens het cpb straks 1,2 miljard euro uit om 13.500 jonge vrouwen extra aan het werk te krijgen. Op basis hiervan zou je kunnen zeggen dat voor één van die extra banen een loonkostensubsidie wordt gegeven van negentigduizend euro. Verhoudt het doel zich zo nog wel met de middelen?

Als er minder groei zit in het aantal jonge vrouwen dat gaat werken, waarom is de kinderopvang dan toch zo gegroeid? Volgens het cpb is een deel te verklaren uit het witten van opvang die door de ouders voorheen zwart werd betaald. De hogere subsidie heeft het blijkbaar aantrekkelijk gemaakt de kinderopvang voortaan netjes aan de Belastingdienst op te geven. Een tweede deel van de groei is volgens het cpb het gevolg van het vanaf 2007 meetellen van kinderen van ouders met een hoog inkomen die al naar de kinderopvang gingen, maar die tot vorig jaar niet onder de Wet Kinderopvang vielen en daarom niet in de officiële cijfers zaten. Beide oorzaken roepen echter de vraag op: waarom hebben ze met deze te voorziene effecten van een beleidswijziging geen rekening gehouden in de ramingen? Was dat onkunde of bewuste politieke onwil? Bij dat laatste wordt het des te interessanter je af te vragen wie er verantwoordelijk was voor die ramingen?

De grootste groei, door het cpb explosief genoemd, zit echter in de opvang door familie, buren of vrienden, opvang waar tot de laatste subsidiewijziging door de ouders vaak niet voor werd betaald. Deze zogenoemde gastouderopvang steeg met 81 procent per jaar. 85 procent daarvan is opvang die door een opa of oma wordt gedaan. Het cpb voorziet dat de kosten voor gastouderopvang tot 2011 verdubbelen als het kabinet het huidige beleid ongewijzigd laat.

Ook hier dringt de vraag zich op: heeft niemand dat kunnen bedenken? Bedenken wel, maar ermee rekenen mag volgens insiders niet, omdat bij het opstellen van een raming niet mag worden uitgegaan van zaken waarvoor geen concreet cijfermateriaal is.

De pvda vermoedde een paar jaar geleden al dat juist de kosten van de opvang door opa’s en oma’s, vrienden of bekenden wel eens op zouden kunnen lopen. Dat blijkt uit vragen die de huidige fractievoorzitter Marriëtte Hamer destijds stelde aan de verantwoordelijke minister, cda’er Aart Jan de Geus, de man die in de eerste drie kabinetten-Balkenende op Sociale Zaken zat. Op de vraag van Hamer of hij ‘niet bang was voor oneigenlijk gebruik en voor vergoeding van uren die feitelijk niet met opvang zijn gemoeid’, antwoordde De Geus: ‘Ik heb dan ook niet de indruk dat op grote schaal gebruik gemaakt wordt van familieleden als formele gastouder.’ Hij ging daarbij uit van, jawel, eerdere ramingen. Ook verwachtte hij niet ‘dat uren zullen worden vergoed die feitelijk niet met de opvang zijn gemoeid’. Was dit wensdenken van de cda’er, aangevuld met een blinde vlek voor calculerende burgers? Heeft het cda aan dit wensdenken en deze blindheid tot bij de formatie van 2007 vastgehouden, omdat dat goed uitkwam bij het streven naar een betere subsidiëring van gastouderopvang?

Vraag is ook waar de aanvankelijke argwaan van de pvda is gebleven. Is die tijdens de formatie voor het gemak opzij geschoven, omdat er alleen dan meer geld kan komen voor het verzilveren van een deel van de pvda-verkiezingsbelofte dat drie dagen kinderopvang in de week gratis moet zijn? Dat is dan gezien de problemen die de pvda zich ermee op de hals heeft gehaald, onverstandig geweest. Want volgens insiders zat Hamer met haar argwanende vragen dichter bij wat er nu in werkelijkheid gebeurt dan De Geus destijds met zijn antwoorden.

Er zijn sinds vorig jaar oma’s en opa’s die op hun kleinkinderen passen en het geld dat de overheid daarvoor uitkeert teruggeven of delen met hun zoon of dochter. Sommige ouders blijken ook veel meer uren opvang op te geven bij de overheid dan ze buitenshuis werken. Die opvanguren gebruiken ze om zelf te gaan sporten of winkelen. Of ze gebruiken deze uren helemaal niet, maar innen wel de subsidie. Staatssecretaris Dijksma zelf kwam met nóg een vorm van oneigenlijk gebruik: gastouders die bij de Belastingdienst alle uitgaven voor een familie-uitje opgeven als aftrekbare bedrijfskosten. cda en ChristenUnie, pvda’ers die blijven pleiten voor gratis kinderopvang en oppositiepartijen die over de pvda heen vallen nu het kabinet vanwege de gigantische groei op termijn wil bezuinigen op de kinderopvang, zouden zich moeten afvragen of ze bovenstaand gebruik van gemeenschapsgeld wenselijk vinden.

Op het pvda-congres, half juni, zal de kinderopvang een heikel onderwerp zijn. Eerst gratis opvang beloven en nu in het kabinet instemmen met een bezuiniging vindt menig partijlid onverkoopbaar. Voordat ze aan dat standpunt vasthouden, is er behalve het geringe aantal extra werkende jonge vrouwen en het oneigenlijke gebruik een derde reden om nog eens goed na te denken.

De pvda had immers nóg een doel met gratis kinderopvang: het creëren van gelijke ontwikkelingskansen voor kinderen met verschillende achtergronden. Staatssecretaris Dijksma sprak, met het oog op het groeicijfer, al hoopvol over een cultuuromslag in die richting. Maar die omslag kwam niet. De meeste kinderen zaten volgens het cpb immers al in de opvang. Bovendien gaan veel kinderen niet naar een officiële crèche, met leidsters die daarvoor zijn opgeleid, maar naar opa of oma. cda en cu hebben daar geen moeite mee, maar voor de pvda betekent dit dat ook deze doelstelling van de gratis kinderopvang ondanks het vele geld niet wordt bereikt.