De bijbel voor ongelovigen deel 2 van Guus Kuijer

Een god kun je niet eten

‘Patriarchy has God on its side’, schreef de Amerikaanse feministe Kate Millet in haar standaardwerk Sexual Politics (1969). De bijbel, met name Genesis, vond Millet (en velen na haar), negeert niet alleen het vrouwelijk perspectief, maar schrijft consequent bijna al het kwaad toe aan de vrouw en haar gevaarlijke seksualiteit. Eerder betoogde Simone de Beauvoir dat in het scheppingsverhaal een oorsprong ligt van de mannelijke neiging om de vrouw als bezit te zien.

Guus Kuijer. De bijbel voor ongelovigen deel 2: De uittocht en de intocht.

Medium kuijer de bijbel voor ongelovigen

Guus Kuijer moet met zulke ideeën gespeeld hebben toen hij ervoor koos om de eerste verteller in het tweede deel van zijn heerlijke Bijbel voor ongelovigen een vrouw te laten zijn. Dit deel beslaat de boeken Exodus, Jozua en Rechters en het opent met ‘Het verhaal van Gods dochter’, Thermutis, dochter van de farao en ‘moeder’ van Mouses (Mozes), die ze als vondeling uit de Nijl redt. Ze is het ideale personage om het bekende verhaal van scherpe kanttekeningen te voorzien, want behalve vrouw is ze Egyptisch en ze gelooft aanvankelijk niet in de Hebreeuwse god die haar Mouses later de tien geboden zal geven. Ze wordt dan ook regel­matig verscheurd tussen scepsis en moederliefde. Mooi drama, en Kuijer heeft haar ook nog van een goed temperament voorzien. ‘Ik schijn voor een vrouw weinig bescheiden uit mijn ogen te kijken’, zegt ze zelf al.

Thermutis formuleert voorzichtig, naïevig, maar schroomt niet om de motieven van de mannen om haar heen, die elkaar in naam van allerlei goden voortdurend tot bloedens toe in de haren vliegen, in twijfel te trekken. Het lijkt precies haar wankelende geloof, haar geschipper tussen twee loyaliteiten, dat haar wijs maakt en haar zinvolle vragen doet stellen: ‘Ik dacht, als de God van Israël een man is, zou hij dan ook last hebben van dat verschrikkelijke mannelijke eergevoel dat elke kans op vrede vernietigt?’ En meer prozaïsch, wanneer ze zich zorgen maakt of Mouses daar op die berg wel genoeg te eten heeft: ‘Volgens mij kun je een god niet eten.’

Mouses – later Moshé – met zijn onwrikbare godsvrees, komt uit het verhaal van zijn moeder, wier grootste zwakte haar liefde voor hem is, vooral naar voren als een randwaanzinnige fundamentalist, die de Egyptenaren, waaronder vele onschuldigen, zonder enige genade afstraft met de meest gruwelijke plagen. Dat de god van het Oude Testament geen tamme kastanje is, weten de meeste ongelovigen, maar Kuijer lijkt het niet genoeg te kunnen benadrukken; de grofste der plagen spint hij tot in detail uit – pussende ogen en alles – en ook in de rest van het boek blijkt het toch vooral angst waarmee deze heer regeert.

Wie er goed zijn, tja, dat zijn toch echt vooral de vrouwen, én de mannen die liever een vrouw vereren dan een god

Wie er goed zijn, tja, dat zijn toch echt vooral de vrouwen, én de mannen die liever een vrouw vereren dan een god. De brute kracht van de man, zijn onbedwingbare beestachtigheid, wordt eigenlijk maar op één plek gevierd: tussen de lakens. Kuijers bijbel, in tegenstelling tot het origineel, bezingt de liefde en het lichaam (zonder overigens te zeggen dat het altijd handig is, die passie: aan het einde maakt bijvoorbeeld Simsom zijn opwachting, die in zijn blinde lust voornamelijk woest met zijn lange vlechten wappert en onschuldige leeuwen aan flarden scheurt). Toch is het geen eenzijdig feministische her-vertelling. Gelukkig. Na het verhaal van ‘de dwaas die zegt: er is geen god’, Mered, minnaar van Thermutis en veruit de sympathiekste man in heel het boek, komt Jaël aan het woord, die niet bepaald een mooi figuur slaat voor ‘de vrouw’ in het algemeen. Zij dankt haar roem aan de nogal lugubere wijze waarop ze het leven neemt van de man die haar onder valse voorwendselen van haar maagdelijkheid beroofde – met een hamer slaat ze een tentpin (een grote haring, inderdaad) door de schedel van de slapende kerel.

De wraak brengt Jaël weinig anders dan bitterheid. Bitter bijt ze zich vast in het geloof in haar kwade god, en bitter juicht ze het geweld toe waarmee hij wordt vereerd. Door haar hardheid heen schemert hier en daar haar meest tragische frustratie: hoewel ze de bruut die haar eer kaapte vurig haat, blijft ze verlangend terugdenken aan die ene nacht, waarin hij haar deed zuchten van genot. Terecht vraagt ze zich af hoe het met haar gesteld zou zijn wanneer God niet haar haat maar haar liefde had gezegend.

Kuijers boodschap, zijn pleidooi voor liefde, veel en vooral vrij, is duidelijk, maar wordt ons niet ingezalfd. Zijn taal is soms te veel die van een kinderboekenschrijver, die dingen graag helder uitlegt, maar over het algemeen past zijn kale, soms bijna primitieve toon bij de mooie simpelheid van de bijbelverhalen zoals we die kennen. Terwijl zijn verdienste juist is dat hij die verhalen verlost van al te veel simpelheid en ze nieuwe, zeer lezenswaardige dimensies geeft.


Guus Kuijer. De bijbel voor ongelovigen deel 2: De uittocht en de intocht. Athenaeum-Polak Van Gennep, 271 blz., € 18,95

e-book, € 14,99