Interview met Michaël Borremans

‘Een goed schilderij beweegt’

De Gentse schilder en filmer Michaël Borremans is zo zachtjesaan wereldberoemd, maar in Nederland goeddeels onbekend. Dat vindt hij niet erg. Hij blijft graag op de achtergrond.

Medium vmb3klein

De tekeningen en schilderijen van Michaël Borremans (1963) vonden de laatste jaren hun weg naar de grote musea en collecties van de wereld – San Francisco, Ucla, Smak, MoMA, Basel – maar zijn tentoonstelling in De Appel is zijn debuut in Amsterdam. De directeur, Ann Demeester, kent hij al uit haar Gentse dagen.

Borremans is een discreet personage met een fijnzinnige manier van doen, een zachte stem met even zacht, melodisch Vlaams, een plezier om naar te luisteren. Niet groot van stuk, een goeie lok haar, een vlassig baardje, frisse grijze trui, frisse blik. Fijne humor. Borremans is vooral een tekenaar, en een schilder, maar in De Appel richt hij een tentoonstelling in waar voor het eerst zijn films te zien zijn. Die maakt hij pas sinds een jaar of twee.

Medium vmbk

Alhoewel, films zijn het eigenlijk ook weer niet echt. Het zijn langzaam bewegende tableaus, sfeervolle opnamen van vrijwel statische objecten. Een meisje in trui en plooirok dat langzaam ronddraait. Drie duttende negers in een schemerende kamer. Een vitrinekast met miniatuurboompjes. De camera lijkt ernaar te kijken zoals een museumbezoeker zou kijken naar een beeld, door er langzaam omheen te lopen. In Borremans’ werk bepaalt het beeld eigenlijk zelf waar je het eerst naar kijkt en wat daarna komt. Eerst de plooien van de rok, eerst de hals van het meisje, van achteren, dan pas het hele bovenlichaam – en dan komt pas het besef dat de sculptuur weliswaar een levend mens is, maar geen benen heeft. De videoschermen zijn strak omlijst, en het zijn, in hun presentatie, schilderijen, met ingetogen kleuren, zonder geluid.

Medium vmbk2

Zijn het schilderijen? Of films?

Michaël Borremans: ‘Mijn schilderkunstige benadering is op zichzelf altijd beïnvloed geweest door de film, het filmische kijken. Op een gegeven moment had ik het idee, bij het tot stand brengen van geschilderd beeld, dat ik dat misschien zou moeten filmen. Dat heb ik geprobeerd. Dat is het experiment. Maar het blijft een schilderkunstige benadering.’

Maar met andere middelen.

‘Ja, met gewoon film, pelicuul, 35mm en 16mm, omdat die veel meer nuances en dichtheid en schaduwen hebben, die je kunt adapteren zoals je wilt. Een reden om met film te werken is dat het net als schilderkunst een soort ondoorzichtig medium is. Je weet dat je met film te maken hebt, zeker de manier waarop ik het presenteer. Bij schilderkunst weet je ook dat je met schilderkunst te maken hebt, met een leugen, iets uit de verbeelding. Dus het kan nooit de neiging hebben te zeggen: het gaat hier om iets documentairs.

Filmen is een uitbreiding van het onderzoek, van het schilderkunstig onderzoek. Sculptuur is ook iets dat mij interesseert, dat is ook al aanwezig in mijn werk; ik ga waarschijnlijk nooit sculpturen maken, maar ik wil ze best suggereren. Sommige van mijn schilderijen zijn eigenlijk voorstellingen van sculpturen, in wezen. Zoals de vrouwentorso op de tafel – ik zie dat als een ruimtelijk iets, maar ik stel het niet zo voor. Daarom zijn die figuren zowel in de films als in de schilderijen tussen sculptuur en, ja, eh, levend wezen in. Personages zijn zowel object als subject, of het is niet duidelijk. Dat vind ik interessant.

Het is meer schilderkunst dan dat het film is. Je kijkt ernaar zoals je naar een schilderij kijkt, dat is de bedoeling. Ik wil het ook op die manier presenteren. Ik gebruik opzettelijk geen geluid. Ik wil dat bewust elimineren, wil het opzettelijk stil houden, ook in de tentoonstelling hoop ik dat daar stilte gaat zijn, dat die stilte gaat gevoeld worden.’

Zullen de films ooit langer worden?

‘Ik ben wel geïnspireerd, om verder te doen, ik heb veel ideeën en scenario’s klaar liggen. En ze worden wel complexer, da’s al wat ik kan zeggen, maar om echt een speelfilm te gaan maken…’

Dat is ook weer zo’n werk…

‘Ja. Het is nu al angstaanjagend, zelfs een filmpje van twee minuten. Ik heb altijd de ambitie een film van een kwartier te maken en dan schiet er twee minuten over, omdat je altijd wegsnijdt. Je wilt de essentie overhouden. Dat is een normaal proces, bij schilderen is dat ook zo. Voor één goed schilderij maak ik er ook tien slechte, soms.’

Tíen slechte?

‘Ja, ja. Vandaar dat mijn productie zo klein is. Dat wil niet zeggen dat ik niet hard werk.’

Dus achter in de tuin ligt een hele stapel slechte schilderijen?

‘Nee, nee, ik overschilder die altijd weer, hè. Als je een schilderij hebt, dan zitten er soms wel vijf andere onder. Of twee. Of geen enkele, kan ook. Soms speelt dat zelfs mee, in het schilderij, dat zijn interessante toevallige elementen. Het schilderij blijft ook evolueren, hè, ik ervaar schilderijen sowieso niet als statische beelden. Een goed schilderij, dat beweegt. Dat is een aanwezigheid, da’s niet zuiver beeld, dat is een object. Je weet ook dat het een schilderij is, met alles wat daaraan vast hangt.’

Medium vmb3

De atmosfeer van uw schilderijen, het filmische karakter, het bescheiden kleurgebruik. Waar komt dat vandaan? Film noir?

‘In mijn schilderijen heb ik nooit echt filmstills gebruikt. Ah ja, één keer, en dat noem ik dan ook Still. Dat is uit een oude detectivefilm, een vrij goedkope, eigenlijk wel een goeie film, maar totaal vergeten. Een spionagefilm uit de jaren zestig, The Quiller Memorandum. Ik kan die invloed niet zo specifiek duiden, met voorbeelden, maar Hitchcock is een zekere invloed, Tarkovski, tal van filmmakers.’

David Lynch?

‘Lynch ook. Met Lynch voel ik mij meer verwant, zo van “hé kijk, die is ook met film bezig, ook interessant”. Ik vind hem heel goed, maar d’r is niet een directe invloed waar ik mij echt bewust van ben. In de tekeningen is er ook vaak verwijzing naar film, da’s op een andere manier. Ik heb nogal een aantal tekeningen die voorstellen zijn voor ingrepen in de publieke ruimte.’

Projecties op muren van openbare gebouwen, bijvoorbeeld.

‘Ja, maar ik wil dat niet uitvoeren, in het echt. Ik vind het heel goed dat dat bij een idee blijft. Ik heb dat graag. Ik ben niet zo’n patser die zich zo op die manier wil manifesteren, die dat werk allemaal wil concreet maken. Het idee en de droom en het aspect dat je dat kúnt verbeelden, vind ik altijd rijker dan wanneer er iets uitgevoerd wordt. Ik sta daar met zeer grote terughoudendheid tegenover. Ik zou een heel slechte architect zijn. Ik zou zeggen: “Ja, ’t is wel goed, maar we gaan ’t niet uitvoeren, stel u voor dat iemand zich daaraan stoort!” (lacht) Men zou met zware argumenten moeten afkomen vooraleer ik dat werkelijk zou doen, of daar moest over nadenken. Want het is een beetje zo: je bent dan de droom kwijt, weet ge? En die moet je zeker als kunstenaar koesteren. Ik heb ook een interview gezien met een Italiaanse auto-ontwerper van sportwagens, zo’n Pininfarina of zo, en die vertelde daarover, en hij zei dat hij altijd een heel tragisch gevoel had, eens een wagen werd gebouwd. Want ’t was allemaal veel mooier tevoor. Het is zoveel mooier om ervan te dromen.’

Medium vmb4

Die terughoudendheid kan dus betekenen dat niemand het werk ooit ziet?

‘U kunt het zien op de tekening. ’t Is toch goed? Soms beter! Het heeft iets literairs, een boek kun je ook altijd lezen. En je kunt ’t ook niet lezen. Je hebt de keuze. Maar als iets concreet daar is, moet je ’t ondergaan, of je wilt of niet. En dat is een morele kwestie, natuurlijk. Dat moet iedereen voor zichzelf weten.’

Die terughoudendheid is een beetje tegen de tijdgeest, lijkt me.

‘Misschien. Dat wil niet zeggen dat ik mij niet wil manifesteren, maar ik wil dat toch op een zeer bescheiden manier doen. Ja, in het leven moet ge u een zekere stijl aanmeten, waar je je goed bij voelt. ’k Volg mijn natuur, denk ik.’

Bevindt u zich in ideale omstandigheden om dat te doen?

‘Ja, ik ben zeer dankbaar voor de omstandigheden waarin ik leef. Ik leef zoals een aristocraat. Ik werk wanneer ik wil. Maar dat is heel hard, hoor! Ge moet dat kunnen, hè. Ge moet discipline hebben. Zo voel ik het wel: ik heb alle vrijheid. Hoe meer ik verkoop hoe minder ik maak. Vroeger gaf ik les, en dan moet je elke dag op bepaalde uren ergens zijn. Ik heb dat meer dan tien jaar gedaan. En toen dat stopte, voelde ik mij echt bevrijd. En toen dacht ik: goh, fantastisch. Zelfs al word ik heel arm en moet ik onder de bruggen slapen, ’k wil die vrijheid niet meer afgeven.’

Michaël Borremans, Veldwerk. De Appel, Amsterdam,8 september tot 4 november. Bij de tentoonstelling verschijnt een omvangrijke catalogus uitgegeven door CAV Coimbra, De Appel en Hatje Cantz