Een goede leraar

In een poging verhaal en gedicht van elkaar te onderscheiden, schreef John Berger ooit dat alle verhalen in feite over veldslagen gaan, gericht zijn op het eind, waar de uitslag bekend wordt. Gedichten daarentegen ‘steken slagvelden over, ongeacht welke uitkomst, verzorgen de gewonden en luisteren naar de tomeloze monologen van wie zegeviert of angstig is’.

Helemaal ongelijk heeft hij natuurlijk niet - ‘bij alle poëzie zijn de woorden eerst verschijnselen op zich en dan pas communicatiemiddelen’, stelt hij bijvoorbeeld terecht - maar hij houdt zo toch het cliché in stand dat het in proza vooral, of zelfs uitsluitend om de handeling zou gaan, om het wát, en niet om het hóe, om de wijze waarop een schrijver die handeling in beeld brengt. En dat laatste is ook in proza een kwestie van precieze zinswendingen, van een doordachte positionering van woorden, van een diep besef van woorden als verschijnselen op zich.
Men leze Amos Oz’ Zo beginnen verhalen, een verzameling kleine essays, gebaseerd op lessen die Oz op scholen en universiteiten heeft gegeven, waarin het begin van verhalen en romans aan een minutieus onderzoek wordt onderworpen. Dat begin, zo zegt hij, 'is altijd een contractuele overeenkomst tussen de auteur en de lezer’.
Het is een uitnodiging, een voorstel (soms oneerbaar), het is verleiding, ook als de auteur je in de eerste zinnen nukkig de rug lijkt toe te keren. Het is het verzoek je over te geven aan de logica van wat volgt, een logica die met die eerste zinnen begint, en daarmee tevens een oproep om de logica waarmee we, vaak zonder het te beseffen, het verhaal van ons eigen leven opbouwen, voor de duur van het verhaal los te laten.
Neerlandici, gekneed in de tekstanalyse, weten dit allang, maar vergeten dan weer al te vaak dat de analyse eigenlijk bedoeld zou moeten zijn om het leesplezier te verhogen - dat laatste een term uit de literatuurdidactiek en daar dan weer aangewend om aankomende leraren op het hart te drukken bij het lezen van literatuur niet al te veeleisend te zijn, vooral aan te sluiten bij de 'belevingswereld’ van de leerlingen, in plaats van die uit te breiden. De academicus lijkt op iemand die seksuele voorlichting geeft door alleen aandacht te besteden aan de anatomie van de geslachtsdelen, de mechanica van het copuleren, en die aan het eind wijst op de gevaren van zwangerschap en geslachtsziekte, stelt Oz, die het zelf ooit op die manier uitgelegd kreeg. 'Ik begreep helemaal niet waarom een mens met gezond verstand zich in dit soort toestanden zou willen laten verstrikken’, schrijft hij.
Zijn essays over onder andere Fontane, Gogol, Márquez, Carver, Kafka en Morante zijn bedoeld om duidelijk te maken hoe het één met het ander verband houdt, hoe analyse de ervaring verdiept en hoe de ervaring ons naar die analyse toe kan drijven.
Maar dat is niet het enige. Het boek eindigt met een nieuwe vertaling én versie van een essay dat al eerder verscheen in De ware oorzaak van mijn grootmoeders dood (1994). Het probeert antwoord te geven op de vraag naar het waarom van literatuur, naar het soort 'kennis’ dat alleen de literatuur ons kan bieden en dat haar, naast andere soorten van kennis, tot iets onmisbaars maakt. Het geeft aan Zo beginnen verhalen nóg maar eens een didactisch tintje, maar Oz is hier zo'n leraar die men zich later met dankbaarheid herinnert.