Treinlectuur in de negentiende eeuw

Een goede lezer spoort niet

Op zoek naar romans in de negentiende eeuw komt men uit op een verbluffend lage productie van dit destijds toch zo populaire genre. De verklaring daarvoor schuilt niet in de schrijvers ervan, noch in de voorkeur van de lezers. Wel in de opkomst van een nieuw vervoermiddel: de trein.

Akoïsering, vrouwenboeken, damesromans, gemaksliteratuur, chick-lit, Airport-novel: er zijn veel aanduidingen in omloop voor de populaire roman. Ze verwijzen naar de plaats waar die roman gekocht of gelezen wordt, of appelleren aan een doelgroep. Het is de bedoeling dat wij het idee krijgen dat het om «pulp» gaat, terwijl de aanduidingen op zichzelf niets zeggen. Op het vliegveld en bij de Ako kun je ook heel andere boeken zien liggen, en vrouwen lezen geloof ik ook wel eens een «goed boek» of een «mannenboek», voorzover dat bestaat. Maar kennelijk werkt de menselijke geest zo dat ze graag een ordeningsprincipe hanteert, ook als het een schijnordening is.
Dit vereenzelvigen van de literaire vorm met de context waarbinnen die wordt aangeboden, doet denken aan de verwarring die ontstond toen in de negentiende eeuw de eerste treinen gingen rijden. In 1839 werd het eerste spoorlijntje, tussen Amsterdam en Haarlem, geopend. In 1890 was het grootste deel van het huidige spoorwegnet van Nederland al aangelegd. Treinreizen was wel een tikje anders dan nu. Er waren bijvoorbeeld aparte coupés voor dames, en ’s avonds werd het treinreizen veraangenaamd door olielampen en later met gaslicht. Bovendien was een trein stabieler dan een postkoets, en minder koud. Omdat een treinreis toen nog vrij lang duurde was het iets waarop een reiziger zich terdege voorbereidde. Treinreizen zag men als een uitje: de zondagstrein was als volksvermaak een begrip, en werd door predikanten verfoeid, «omdat de schare zelve, die met de Zondagtreinen naar buiten vliegt, zich nalatig betoont in het bijwonen der openbare godsdienstbeoefening», schreef C. Busken Huet in een ironisch stukje, waarin hij met die predikanten de draak stak. Het volk zou, als het niet in de trein zat op zondag, anders in de kroeg zitten en dan was de trein toch beter, schreef hij. Roken was in de eerste en tweede klas verboden, in de derde klas mocht het wel. En je was verplicht gedurende de reis te blijven zitten. Wat deden de reizigers dan in de trein? Zij lazen.

Voor de lezende treinreiziger waren speciale lectuurvoorzieningen in het leven geroepen. Op zichzelf niets nieuws, want ook toen men zich nog vooral per trekschuit verplaatste, bestonden er al «Schuitpraatjes» speciaal te lezen gedurende de tocht te water. In 1839 bestonden er diverse aantrekkelijk geïllustreerde tijdschriften, zoals het Nederlandsch Magazijn ter verspreiding van algemeene en nuttige kundigheden, De Aglaja, of het Humoristich Album. Die waren niet speciaal voor de reizenden bedoeld. Kennelijk was het voor uitgevers toch lucratief genoeg om speciaal voor de treinreizigers – of voor hen die dat graag wilden zijn – verhalend proza uit te brengen, in de vorm van een passende serie. Zo had je de Huis- en Reisbibliotheek, Belinfante’s Goedkoope Spoorweg-lectuur, Minkmans Reisbibliotheek, Spoorwegbibliotheek, Lectuur op Reis en in de Huiskamer, de Reis-Bibliotheek, Voor den Coupé, en nog een paar reeksen. Het waren dunne boekjes in serievorm, die laaggeprijsd waren, en de duurzaamheid hadden van de gemiddelde treinreis. Er zaten Nederlandse auteurs in, maar ook werk van Victor Hugo, van Charles Dickens, George Eliot, Poesjkin, Voltaire, kortom: niet de minsten. Deeltjes kostten twintig cent, vijftig cent, een gulden hooguit. Dat waren nog eens koopjes, afgezet tegen de gangbare romanprijzen. Romans van Kapitein F. Marryat of C. Spindler, buitenlandse toppers uit de jaren 1830-1840, meestal in twee of meer delen, kostten tussen de f 2,90 en de f 6,30. Dat is een enorm bedrag als je het afzet tegen het arbeidersdagloon van een gulden. De werken van Eugene Sue, misschien wel de allerpopulairste schrijver uit dit tijdvak, waren nog duurder: voor zijn befaamde De wandelende Jood in negen delen moest je f 19,60 neertellen, zijn vierdelige De verborgenheden van Parijs kostte f 17,-.

Het lezen van korte stukjes verhalend proza nam een hoge vlucht. Er was kennelijk behoefte aan een tegenwicht tegen de kolossale romans – ook Nederlandse romans telden met gemak vijf of zes delen – die in de negentiende-eeuwse boekwinkels te koop waren. Zo’n seriedeeltje was goedkoop, en las vlot weg. In het kielzog van de goedkope series kwam een tussenvorm op, het romantijdschrift, dat iets heel anders is dan de tijdschriftroman. Onder die laatste benaming zie je tegenwoordig bij de supermarkt tussen de Story en de Privé bladen waarin een drama over liefde en/of moederschap compact is verhaald binnen één tijdschriftaflevering, soms als beeldroman.

Een negentiende-eeuws romantijdschrift was gemaakt volgens een ander procédé. Daarin stonden novellen van verschillende auteurs, die je afleveringsgewijs tot je nam, soms van verschillende auteurs bij elkaar. En niet in verkorte vorm, zoals dat tegenwoordig nog door Readers Digest in Het Beste gebeurt, maar integraal. Het waren echte tijdschriften, waarop je je kon abonneren, maar die waarschijnlijk ook los te koop waren bij de opkomende stationskiosken. De Algemene Kioskonderneming, die we tegenwoordig de Ako noemen, was er één van. We moeten denken aan titels als Historisch Romantisch Album, De Echo, De Reisgenoot, Keur van verhalen, Familiemagazijn, en zo meer. Als je ze nu in een bibliografie tegenkomt, of in de bibliotheek, is nauwelijks nog de oorspronkelijke aard van die bladen te achterhalen, ze zijn dan immers ingebonden en lijken op een gewoon boekdeel. Wel staat er soms een datum bij het voorwoord die je aan het denken zet: een uitgave uit 1852 heeft dan een voorwoord gedateerd januari 1853, en er staan soms aanwijzingen over waar men de bijgeleverde illustraties in de ingebonden jaargang moest plaatsen. Uit advertenties in het Nieuwsblad voor den Boekhandel of andere tijdschriften kun je de aard van zo’n uitgave wel opmaken.

De populariteit – overigens niet alleen in Nederland – van dit type verhalend proza is niet gemakkelijk cijfermatig te onderbouwen, juist vanwege die bibliografische dubbelzinnigheid. Zo zal dus iemand die wil weten hoeveel romans er in 1848 verschenen, ontdekken dat er in dat jaar slechts 39 romans, oorspronkelijk en vertaald bij elkaar opgeteld, en 42 poëziebundels het licht zagen. Daar viel voor uitgevers niet veel te halen, kun je concluderen. Er zat meer brood in de afdeling godgeleerdheid (148 titels per jaar) en educatieve boeken (143) of boeken over geschiedenis (137). En het aantal algemeen/letterkundige tijdschriften bedroeg circa 154 en was in 1860 al gestegen tot 204! Je zou bijna denken dat de negentiende-eeuwer geen fictie las. Maar rekent men de romantijdschriften ook tot die categorie, dan ziet het plaatje er rooskleuriger uit.

Romantijdschriften waren, nog meer dan de seriedeeltjes, een alternatief voor mensen voor wie de boekwinkel een te hoge drempel had, en voor wie dikke boeken te ontoegankelijk en te duur waren. «Beginnende liefhebbers», werden ze genoemd. Zij waren voor het boekbedrijf de toekomst: zij lazen de blaadjes, de tijdschriften, de dunne boekjes. De abonnementenformule was een vorm om deze lezers vast te houden. Het lezen in afleveringen, om het zo maar even te noemen, raakte allengs ingeburgerd. Ook in kranten en tijdschriften verschenen romanafleveringen: de feuilletons. En romans die niet in een tijdschrift verschenen, maar gewoon los, als individuele uitgave, werden ook in afleveringen uitgegeven. De lezer kon er vooraf op intekenen, en wist dan vaak nog niet eens hoeveel afleveringen het boek zou tellen. Hij zat er dan aan vast, ook als het hem na de zoveelste aflevering begon te vervelen. Er werden in het Nieuwsblad voor den Boekhandel wel discussies gevoerd over hoe ver je daar als uitgever in kon gaan. Was het geoorloofd om, als de intekenaar was overleden, zijn erfgenamen met de lopende reeks romanafleveringen op te zadelen? Of moest de boekhandelaar, die de afleveringen uitleverde (en zo ook een graantje meepikte van deze tijdschriftenmode) dan aansprakelijk worden gesteld? Schrijvers en uitgevers raakten aan de roman-in-afleveringen gewend, voor hen was deze periodieke uitgeefformule een manier om inkomsten op zo lucratief mogelijke wijze binnen te halen. Schrijvers van feuilletons en populair werk werden per aflevering betaald, daarmee konden zij een min of meer regelmatig inkomen verwerven. Uitgevers konden met het vooruitbetaalde abonnementsgeld de hele uitgave financieren, en liepen betrekkelijk weinig risico omdat ze de oplage op het aantal intekenaren af konden stemmen.

Was er geen enkele wanklank? Jawel, er werd op de lezers van romans in afleveringen geschimpt. «Mannen van wetenschap houden zich er niet mee op», verklaarde boekhandelaar K. Fuhri. «De toenemende leeslust onder alle klassen van de maatschappij heeft het noodzakelijk gemaakt dat ook eenvoudigen hunnen litteratuur bezitten dat men door afleveringen van weinige bladen, de betaling gemakkelijk maakt en alzo den tijdgeest tegemoet komt», schreef hij in 1846. Maar die litteratuur voor de eenvoudigen werd door de mannen van wetenschap «spoorweglectuur» genoemd, en in de negentiende eeuw werd dat van lieverlee een begrip dat weinig goeds inhield. «Door het aanbieden van ongehoorde honoraria – uw nommers moeten op den bepaalden tijd vol! – graaft gij der wetenschap en uzelven een graf», kregen de uitgevers te horen. De periodieke vorm van literatuur, aanvankelijk nog zo serieus en literair – Victor Hugo! Voltaire! – werd langzaamaan synoniem voor slechte lectuur. En als bij een self-fulfilling prophecy gingen de vooroordelen zich vanzelf bevestigen. Er kwamen nieuwe genres op, zoals de «stuiversroman» en de detective die uitsluitend in goedkope afleveringen, met een nietje erdoor, verschenen. Aan het begin van de twintigste eeuw was de stationskiosk in de ogen van velen zelfs een soort pornozaak geworden. «De blos vliegt u naar de wangen, als gij eenige van de geïllustreerde boekjes inziet die aan de stations worden gevent», schreef pater Van der Veer in 1905 in het vakblad Lectuur.

Het is grappig dat sinds enkele jaren de Nederlandse Spoorwegen onder het motto «Tijd voor lezen» de perfecte ambiance voor het lezen van een boek propageren: de treincoupé. Liefst driekwart van de hedendaagse reizigers is in de trein aan het lezen, melden de NS verheugd. De spoorwegen doen mee aan de gedichtendag, en sponsoren lezingen. Op het Centraal Station van Utrecht is zelfs een kleine reizigersbibliotheek ingericht. Een speciale romanreeks voor in de trein bestaat echter niet meer. En misschien is dat maar goed ook. * Lisa Kuitert is hoogleraar boekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam