Taal voor de toekomst

Een gouden baan op woelig water

De mens exploiteert de zee en de natuur alsof deze van hem zijn en niet ook van zichzelf. Wat wil het mos? Wat wil de oceaan? We moeten luisteren naar het ruisen van de wereld.

Luister naar dit artikel

De Noordzee bij Scheveningen © Bas de Meijer / De Beeldunie

Where is the knowledge we have lost in information?
T.S. Eliot

Dat we droog wonen in een natte rivierdelta danken we aan dijkenbouwers en poldergemalen. Het voortdurend knechten van land en zee sijpelde langzaam maar zeker in onze genen. Maakbaarheid kenmerkt ons bestaan. Bodembeheer. Leefomgeving. Natuurambities. Ruimtelijke ordening. De relatie van Nederlanders met de buitenwereld is al net zo rechtlijnig als de ruitjesoverhemden van Zeeman. Land verkavelen, recht trekken wat krom is en windmolenparken uitstrooien over zee; we manipuleren de elementen zonder het land of de zee ooit iets te vragen of te bedanken. Ontzag, respect of liefde voor natuur, daar koop je niets voor.

En zo poetsten we in de loop van de eeuwen de intieme omgang met water, planten, dieren en bodemleven uit ons hart en uit onze woordenschat. Een eerlijker en veiliger wereld, prima, maar alleen voor mensen. In zo’n afgepaste manier van denken komt niet eens de gedachte op dat andere levensvormen óók weet hebben van de wereld. We voelen ons eigenaars, nut gaat voor betekenis. Het dekoloniseren van onze relatie met natuur vereist een flinke portie magie. De magie van taal!

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Stephan Sanders Arita Baaijens over haar project ‘Taal voor de toekomst’, een gedeelde taal voor mens en natuur. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

—————

‘Met opgeheven hoofd’, instrueert Viktor Katynov als we rondjes om de stoepa lopen. De wind speelt zachtjes met mijn haren. Het is 21 september 2013, een lome en goudgerande dag die het einde markeert van de zomer en ook van mijn Altai-expeditie. Vandaag vieren we de goede afloop in de zonbespikkelde Oeimonvallei, samen met Viktor en de bergen die ons doorgang verleenden. De omcirkeling van het gebergte door het rotsige hart van Centraal-Azië ging te paard en nam maanden in beslag. Een bedankje aan de Altai was op zijn plaats, meende Viktor, die ons uitnodigde naar de stoepa te komen. Mijn oog glijdt langs de gekartelde en wit bepoederde bergrug aan de horizon. ‘Wat zie je als je naar die bergen kijkt?’ vraag ik in een opwelling.

‘Die bergen’, klinkt het zonder aarzelen, ‘dat ben ik.’

De stenen reus in het midden kan Viktor verstaan. De kameraden aan weerskanten zijn minder spraakzaam en de hoge piek op de achtergrond vangt signalen op uit de kosmos. Viktor praat niet over maar mét de bergen en bekrachtigt hun bestaan maandelijks bij wassende maan met offerandes en fluitmuziek. Omgekeerd geven de onverzettelijke bergen hem levensenergie.

‘Dat hoef je natuurlijk niet te geloven om ze toch mooi te vinden’, raadt hij mijn gedachten. Maar de schoonheid die ik ervaar gaat over de buitenkant en is wat kil. Een paar maanden geleden zou ik beleefd hebben geknikt, maar het verblijf in de bergen heeft me veranderd. Slapen in de buitenlucht, eindeloze ritten te paard, oude rotsgravures in uitzinnige bloemenvelden en ontmoetingen met herders die het landschap lezen, het leerde me te luisteren zonder direct een oordeel te vellen.

Mens en natuur verstaan elkaar in de Altai. En niet alleen daar. Aan de westkust van Ierland trof ik boeren die voortdurend in gesprek zijn met de elementen, zompig veen en de beukende Atlantische Oceaan. In Papoea-Nieuw-Guinea leven bewoners in een akoestisch universum. Natuur is in hun schemerige regenbos geen zelfstandig naamwoord maar een being, een levende entiteit die ontzag afdwingt en waar je rekening mee hebt te houden.

Je kunt het bovenstaande afdoen als onzin, maar vervang het woordje natuur door kunst en kijk wat er gebeurt. Ook een sculptuur en verfstrepen op doek roepen reacties op. Materie kán dus resoneren, ontroeren, iets verwachten of ons ter verantwoording roepen. In de kunsten kijkt niemand daarvan op. Andere culturen vinden het doodnormaal dat gebergte, krullerig hoogveen en paradijsvogels weet hebben van de wereld en tot ons spreken.

‘Weltbeziehung’ noemt filosoof Hartmut Rosa het gesprek tussen mens en buitenwereld. Dat we moeite hebben met Viktors meerstemmige wereld en ons prettig voelen bij de gedachte dat natuur een gebruiksvoorwerp is komt doordat een zee-die-spreekt, denkt of handelt niet past in onze uitleg van de wereld. Doorgroeien, ambities waarmaken, de zee als industrieterrein, technologische vooruitgang, tenzij je de rode pil slikt van Neo uit de Matrix ontsnap je niet aan de illusie dat de mens aan het roer staat van ruimteschip aarde. We gedragen ons als eigenaars van alles wat niet bij onze soort hoort. Natuurvergetelheid, noemt filosoof Koo van der Wal de blinde vlek.

‘Tijdens het hout sprokkelen dacht ik altijd dat ík het kampvuur maakte, maar het is de boom die voor hout zorgt’

Zonder homo sapiens hebben de oceaan, oorsprong van leven, en onze verre neefjes en nichtjes uit de gemeenschappelijke stamboom geen nut of waarde. Natuur verdient volgens Van der Wal beter. Het verdient een grondhouding die uitgaat van een bezield verband tussen bestaansvormen, inclusief de mens. Daar heeft Viktor wel ideeën over. Wat niet wil zeggen dat zijn verstandhouding met de omringende wereld altijd harmonisch verloopt of romantisch van aard is. Vraag hem maar naar de wolven rond zijn schapenschuur of naar onbarmhartige winters die de veestapel decimeren. In de Altai kappen mensen bomen, schieten een hert, zuipen en gaan soms vechtend over straat. Het verschil is dat Viktors cultuur de kunst verstaat van geven en ontvangen, ook in relatie tot niet-mensen. De algemene stelregel is dat je alleen neemt wat nodig is en in woord of gebaar ‘dank je wel’ zegt tegen de gulle gever.

—————

De ideale wereld bestaat niet, ook niet bij samenlevingen die de wereld als bezield beschouwen. Wel maken sommige talen het mogelijk de wereld te ervaren als een samenhangend geheel waar de mens deel van uitmaakt en waarin een oceaan, rots of mug gewoon van zichzelf is. Een voorbeeld: het Nederlands laat geen ruimte voor de grammaticale bepaling of de objecten al of niet bezield zijn. De grammaticale structuur van het Perzisch en van Aboriginal-talen vereist zo’n uitspraak juist wel. Gaelic plaatsnamen in Ierland vertellen over gebeurtenissen die daar hebben plaatsgevonden. In IJsland zijn woorden ruimtelijk en kennen een noord-, zuid-, west- en oostzijde, ontdekte schrijfster Laura Broekhuysen na haar landverhuizing. Aanvankelijk verdwaalt ze in de nieuwe taal, tot ze op een routekaart van naamvallen stuit. De fjord, in de fjord, naar de fjord, over de fjord, richtingen kleven in het IJslands aan benamingen als kauwgom aan een schoenzool. Niks fjord hier of berg daar; objecten en dingen zijn op IJsland geworteld in tijd en plaats. Stoeiend met driedimensionale woorden en nieuwe taalregels merkt Broekhuysen dat haar blik verandert. De omgeving krijgt reliëf en lijkt haar te kunnen plaatsen. Vergeleken met het ruimtelijke en relationele IJslands, schrijft ze in Flessenpost uit Reykjavik, lijkt het Nederlands op een kijkdoos met platte plaatjes.

Taal heeft een geheugen en scheppingskracht. Woorden als ‘verzeeën’ (Riffijns, Marokko), ‘masalei’ (handelende natuurkrachten, Papoea-Nieuw-Guinea), ‘su’ (adem van de wind, Altai, Siberië) en over-de-fjord maken gedachtesporen mogelijk die bij ons niet gangbaar zijn. De woorden suggereren een kennen van binnenuit met als vertrekpunt de zintuiglijke waarneming. Zonder het lichaam geen wereld.

Botanist Robin Wall Kimmerer kreeg van haar voorouders, Potawatomi-indianen, mee dat natuur op vier zijnsniveaus gekend kan worden: ratio, lichaam, emotie en geest. Feiten vertellen nooit het hele verhaal, houdt ze studenten voor. De vraag is of we bereid zijn natuur te kennen op zijnsniveaus voorbij de ratio. Bij wijze van experiment vraagt Kimmerer de studenten een tijdje te stoppen met de gewoonte om alles wat niet-mens is te objectiveren tot een ‘het’ (in het Engels gebruikt men alleen de onzijdige aanspreekvorm voor zelfstandig naamwoorden). De korstmossen die de tweedejaars op het kerkhof bestuderen zijn in de wereldbeschouwing van Potawatomi evenmin een ‘het’ als de doden die onder bemoste zerken liggen. Verwarring. Protest. Is de wind nou een ‘het’ of een, tja, een persoon? En dode takken op de grond? Na een dag stuntelen met de juiste aanspreekvorm merkt een student geërgerd op dat zijn docent beter bomen kan planten als ze de wereld zo nodig wil verbeteren.

Toch kruipt het experiment met voornaamwoorden onder ieders huid omdat de vanzelfsprekendheid waarmee wij ons dingen toe-eigenen in twijfel wordt getrokken. ‘Tijdens het hout sprokkelen dacht ik altijd dat ík het kampvuur maakte’, reflecteert een studente. ‘Maar het is natuurlijk de boom die voor hout zorgt.’

Zo’n manier van in en met de wereld zijn staat haaks op wat we gewend zijn. Toch is het niet onmogelijk. Nicholas Evans geeft in Dying Words talloze voorbeelden van culturen wier taal de natuurlijke wereld als levend beschouwt en een stem geeft. Zo zijn er talen die andere levensvormen als verwanten beschouwen, walvissen een stem geven, minstens twintig woorden kennen voor verschillende aspecten van de ziel. Er zijn gemeenschappen die de tijd achteruit laten gaan en het woordje ‘ik’ niet gebruiken. Het is een hallucinerende gedachte dat op deze aarde duizenden wereldbeschouwingen naast elkaar bestaan, elk een universum op zich. In de ene versie is tijd rekbaar, in de andere spreekt de zee, ontbreekt marktwerking of communiceren mensen via hun dromen. We kunnen leven als Alice in Wonderland. Vele culturen zijn ons voorgegaan.

De Noordzee bij Domburg, Zeeland © Mischa Keijser / De Beeldunie
—————

Op het moment dat we de mens geen uitzonderingspositie toedichten begeven we ons op onbekend terrein. Dat schuurt in een samenleving die is ingericht op exploitatie en het verdingen van niet-mensen. Respect voor alles wat leeft is niet vanzelfsprekend in Nederland. Ja, we hangen vetbollen in de tuin en halen graag een frisse neus in het bos. Natuur doet iets met ons, maar de verbondenheid vindt geen bedding. Alle aandacht gaat uit naar het individu en dat versterkt het idee dat de zuurstof die we inademen niets van doen heeft met zuurstofleveranciers in het bos.

De bomen die ons van levensadem voorzien staan in humusrijke grond waar triljarden bodemdiertjes organische materie afbreken tot minuscule deeltjes, die vroeg of laat op ons bord belanden in de vorm van voedsel. Ons korte bestaan speelt zich af in een samenhangende en zinnenprikkelende wereld, ook al gedragen we ons als losse ‘ikken’ in een denkend hoofd. We genieten van het voorjaar (dank je wel, zon), zakken niet door de grond (dank je wel, bodem) en voelen ons ergens thuis of niet (dank je wel, landschap), maar de intieme verbondenheid tussen ons en andere bestaansvormen registreert het bezige mannetje in ons hoofd niet.

Het kan anders en is ook wel anders geweest. Het beduimelde exemplaar van Legenden langs de Noordzee valt open bij het verhaal van de zeemeermin van Westerschouwen. Op een dag haalden vissers een spartelende, groenglanzende zeemeermin uit de mazen van hun net. Even later klonk een smeekbede uit het water: ‘Laat haar gaan. Ze kan op het droge niet leven!’ Ha, hoonden de vissers bij de aanblik van de wanhopige zeemeermin met een kindje in de armen. Zich vermakend met de spartelende zeemeermin zetten ze koers naar de haven. Van de zeemeermin is niets meer vernomen, maar na de tragedie verzamelde zich zand voor de haven, de drempel werd almaar hoger en legde uiteindelijk de handel en visserij lam. Op een stormachtige nacht maakte de zee de klus af en verzwolg het eens zo trotse stadje Westerschouwen.

Het verhaal is natuurlijk verzonnen, maar waar het om gaat is dat kustbewoners over de zee spraken als een levende kracht, als een persoon. Mensen hadden dondersgoed door dat de zee zich niet laat ringeloren. Anno 2021 geldt dat nog steeds, al blijkt dat niet uit nota’s over windmolenparken op zee en toekomstvisies die maakbaarheid tot kunst verheffen. Wel is de blije trots die we voelden bij de voltooiing van de Deltawerken in Zeeland enigszins getemperd door een zeespiegel die niet doet wat rekenmodellen voorspellen. Het zeeniveau stijgt, zout water sijpelt ongevraagd onder dijken door en verzilt het achterland. Straks gaat het er nog veel ruiger aan toe. In minder dan vijftig jaar, is de verwachting, spoelen hoge vloedgolven over de Oosterscheldekering. Zeelieden werpen in zo’n geval een gouden oorring als zoenoffer in zee. En wij? Verschansen we ons achter nog hogere damwanden of gaan we in gesprek met de schikgodinnen en meerminnen van de zee?

‘Zijn er dan nog geheimen die de zee voor ons verborgen heeft gehouden?’ schreef Johan Palm een eeuw geleden in Het boek van de zee (1930). ‘Wij menschen hebben honderden, ja, duizenden jaren lang de zee bevaren, haar bewonderd en bevochten, wij hebben haar bestudeerd, gepeild, berekend, gemeten, haar geschilderd en gefotografeerd, haar den pols gevoeld en chemisch en physisch onderzocht. Wij hebben haar bezongen en vervloekt, bemind en gehaat en gevreesd, ons lot aan haar toevertrouwd, haar van verraad beschuldigd en gewantrouwd, maar onze kennis is nog lang niet volledig.’ Palm vermoedde dat dat wel eeuwig zo zou blijven omdat de zee een maatje te groot, te diep en te mysterieus is voor de mens. En dat laatste, het mysterie, is wat we node missen in ons technocratisch denken over de zee.

Van de zeemeermin is niets meer vernomen, maar na de tragedie verzamelde zich zand voor de haven. Dat legde de visserij plat
—————

De taal waarin we onze zorgen uiten over het klimaat en oplossingen aandragen voor de toekomst is een erfenis van de negentiende eeuw, een optimistisch en opwindend tijdperk dat werd gedomineerd door westerse, mannelijke wetenschappers. Het heilige geloof in technologie en vooruitgang is inmiddels achterhaald. Net als de idee dat de moderne mens een rationeel handelend wezen zou zijn. Techniek hoort bij de mens en evenzo zijn we onlosmakelijk verbonden met natuur. Ook dat laatste verdient een plek in de verhalen die we elkaar vertellen en de woorden die we gebruiken.

Je kunt taal niet los zien van denken en handelen, zegt taalonderzoeker professor Leonie Cornips van NL-Lab/KNAW. Haar onderzoek naar koeientaal is ook een politiek pleidooi om onze relatie tot dieren grondig te herzien. Verpakt in een vraag stelt Cornips dat we zouden moeten streven naar een veelsoortige samenleving waaraan ook niet-mensen deelnemen. Zo’n uitspraak veronderstelt dat we met andere bestaansvormen in gesprek gaan, leren luisteren en ons verplaatsten in andere manieren van zijn. ‘We kunnen ons inleven in een fictief personage, waarom niet ook in een landschap?’ moedigt auteur Paul Kingsnorth aan.

Hoe gaat zoiets in het geval van de zee? Hoe voer je een gesprek met wezens of entiteiten die zo anders zijn dan wijzelf? Filosoof Eva Meijer onderzocht het voor de Ambassade van de Noordzee. In het essay ‘In gesprek met de zee’ pleit ze voor vloeibaar denken. Dat begint met luisteren naar de zee om wille van de zee. Makkelijker gezegd dan gedaan. De zee spreekt niet in mensentaal en is geen individu. Meijer stelt voor eerst te onderzoeken welke relaties een zee vormt, niet om de zee te bedwingen maar om al tastend gemeenschappelijke werelden te verkennen en te vormen. Empirisch onderzoek alleen is niet voldoende, meent ze. Wetenschappelijke studies zijn waardevol en leveren een vracht aan diepgaande kennis over ecosystemen, waterbewegingen en mogelijke schade die vissen ondervinden van de scheepvaart. Zonder gedegen onderzoek liep Nederland onder water en zouden natuurbeschermers hun werk minder goed kunnen doen.

Toch staat ook bij onderzoekers en natuurbeschermers de mens nog steeds centraal. Viktor, die de zee nooit heeft aanschouwd, zou onze conversatie met de zee bestempelen als eenrichtingsverkeer. In zijn levensfilosofie doe je bestaansvormen onrecht als je ze alleen bestudeert uit wetenschappelijke nieuwsgierigheid of om er economisch beter van te worden. De zee wil gekend worden om wie ze is. Iets formeler uitgedrukt: de zee verdient een grondhouding die uitgaat van een bezield verband.

‘Dingen staan niet los van elkaar, zijn niet inert’, zegt ook filosoof René ten Bos in een interview met journalist en schrijver Sanne Bloemink. De zienswijze dat natuur passief is en technologie alle klimaatproblemen oplost en de teloorgang van gezonde, natuurlijke systemen een halt kan toeroepen, is desastreus. Ten Bos constateert dat we toe zijn aan een vorm van intelligentie die levende en niet-levende zaken weer met elkaar verbindt. Meer data en ingewikkelde berekeningen krijgen dat niet voor elkaar. Wat we nodig hebben is poëtische taal die het ruisen van de wereld ten gehore brengt.

—————

Taal leeft en is dynamisch. Betekenissen en taalregels veranderen voortdurend. Dat gaat vanzelf, taalvernieuwing laat zich niet sturen en het leek in eerste instantie onmogelijk om onze zuinige woordenschat op korte termijn te verwilderen. Tot ik de lerende taalmachine van kunstenaar Tivon Rice in actie zag.

Twee jaar geleden demonstreerde Rice zijn taalalgoritme tijdens de ecologische workshop Cartographies of the Vanishing Now waaraan ik deelnam. Het verbaast me nog steeds dat niemand verblind raakte door de gigantische lichtflits die mijn hersenpan raakte. Ik had Rice een landschapsfoto gegeven. De lerende taalmachine interpreteerde het beeld en produceerde drie ecologisch-getinte bijschriften, elk in een eigen stijl. Afzenders waren een filosoof, een wetenschapper en een dichter. Bingo!

Een nieuwe taal ontwikkelen duurt lang, kunstmatige intelligentie versnelt het proces en de lerende taalmachine rekt onze verbeelding op met verrassende woordvondsten en zinnen die zich niet aan bestaande regels houden. Met de zegen van Tivon Rice voerde kunstenaar Mark IJzerman enkele testen uit en ja, het algoritme kon overweg met de Nederlandse taal. ‘Taal voor de toekomst’ was geboren.

Olieboringen, windmolenparken op zee, visserij – we gebruiken de Noordzee als een industrieterrein en bekommeren ons zelden om de zee zelf en alles wat daarin leeft. Zo’n feodale houding is volkomen uit de tijd. ‘Taal voor de toekomst’ laat zien hoe het anders kan en nodigt het komende half jaar bestuurders, kunstenaars en publiek uit om in gesprek te gaan met de Noordzee. Observaties en ervaringen verwoorden we met assistentie van lerende taalmachines in een rijkere, poëtische taal die past bij een veelsoortige en meerstemmige wereld.

Herwilderde taal komt onze verstandhouding met de zee ten goede, zo had ik bedacht. Maar wat vond de zee van het plan? Op een druilerige herfstdag fiets ik over de waddendijk op Terschelling en stop bij een hek met schapen. De geur van zilte klei en modder waait me tegemoet, regendruppels tikken de tijd weg op mijn poncho. Op het wad scharrelen grutto’s en scholeksters met hun felrode pootjes. Hoe vraag je toestemming aan de zee? Ik stel mijn vraag en wacht af. In het wolkendek verschijnt een opening. Een smalle bundel zonnestralen piept door het gat en penseelt in grove streken een gouden baan op woelig water. Ik weet genoeg. ‘Bedankt, zee!’


‘Taal voor de toekomst’

Schrijfster en bioloog Arita Baaijens pleit voor een rijkere, poëtische taal die een meerstemmige wereld dichterbij brengt waarin natuur spreekt en de mens een stapje terug doet. Samen met de Noordzee, woordkunstenaars, publiek en een lerende taalmachine onderzoekt ze het komende half jaar hoe herwilderde taal eruit zou kunnen zien. Dit essay vormt de start van het futuristische project ‘Taal voor de toekomst: In gesprek met de Noordzee’.

De spil van het project vormen Q&A-sessies met twee lerende taalmachines en een divers publiek. Het ene algoritme spreekt met de stem van de beleidsmaker en bedient zich van functionele taal. De stem van de Noordzee klinkt raadselachtiger. Klanken en betekenissen gaan met elkaar op de loop, woorden raken verstrikt in taalregels die doen wat ze willen. De lezer duikelt een oceanische wereld binnen die onbekend en tegelijkertijd vreemd vertrouwd is. In hoeverre de opgevoerde teksten werkelijk de stem van de Noordzee vertegenwoordigen is niet de kwestie. ‘Taal voor de toekomst’ is een experiment, het onderzoekt met woordkunstenaars, overheden en kustbewoners hoe de stem van de Noordzee zou kúnnen klinken in herwilderde taal.

‘Taal voor de toekomst’ is een initiatief van Arita Baaijens en stichting Living Landscapes. Het project is mede mogelijk gemaakt door de Ambassade van de Noordzee, De Groene Amsterdammer, de Iona-stichting, het Nederlands Letterenfonds, het Pauwhof Fonds, Tolhuistuin Amsterdam-Noord en uitgeverij Atlas Contact.

Doe mee. Luister naar de zee, stuur je vraag op en laat je verrassen door het antwoord. Volg het project op social media, de website taalvoordetoekomst.nl en het online platform van De Groene.