Vormgeven van een nieuwe bouwcultuur

Een grachtenpand printen

Werd algemeen gedacht dat de ontwerper ten dode was opgeschreven bij het vastlopen van de bouwproductie, niets is minder waar. Wij staan aan de vooravond van een geheel nieuwe ontwerpcultuur.

Medium kleding

Met het stilvallen van de bouwproductie in Nederland heeft bijna de helft van alle architecten, stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten zijn baan verloren. Dit heeft veel media-aandacht getrokken. Veel minder aandacht is uitgegaan naar de ontwerpers die nog wel actief zijn. Enkelen werken nog altijd als starchitect, anderen blazen het traditionele vakmanschap nieuw leven in, maar daarnaast is er een groeiende beweging van ontwerpers zichtbaar die het ontwerp inventief inzet en zo weer van toegevoegde waarde wordt voor opgaven die sterk leven in de samenleving.

Om de drijfveren en de verdiensten van deze nieuwe beweging te begrijpen, moeten we terug naar de economische hoogtijdagen van Nederland. De bouwproductie draaide op volle toeren. Of het nu ging om woningen, kantoren, bedrijfsterreinen, natuur, (water)wegen, winkels, scholen, zorginstellingen, culturele of recreatieve voorzieningen, het was de tijd van ‘meer, meer, meer’ en ‘gisteren af’. De overheid, de markt en maatschappelijke instellingen werkten in naam van de samenleving, maar in de werkelijkheid kwamen deze partijen steeds verder van de burger af te staan. De samenleving stond erbij en keek ernaar. Twijfel over en kritiek op een introverte vastgoed- en ontwerpsector werden weliswaar geuit, maar leidden nauwelijks tot een krachtig maatschappelijk tegengeluid.

En toen stond plotseling alles stil. Banken vielen om. Landen gingen failliet. Het vertrouwen van burgers zakte tot een dieptepunt. In deze malaise werd de ontwerpwereld, als voorportaal van bouwend Nederland, niet ontzien. Maar dat de klap zo hard en zo structureel zou zijn, was voor velen toch nog een verrassing. Tussen 2008 en 2014 voltrok zich een koude sanering.

Na de klap ontstond er tijd en noodzaak om na te denken over de werkelijk toegevoegde waarde van het ontwerp binnen de veranderende maatschappelijke context. Snel waren daar de vaak jonge, kleinere bureaus die met een totaal andere aanpak een nieuwe manier van ontwerpen ontwikkelden binnen het veranderende maatschappelijke veld. Die veranderingen hebben enerzijds te maken met de ‘spelers’ – in dit geval burgers en professionals – en anderzijds het ’veld’, te weten het sociale domein en het ruimtelijke domein. Waar voorheen het onderscheid tussen spelers en veld duidelijk was, ontstaan nu in toenemende mate meer of minder hybride vormen. Eerst was de burger voornamelijk consument en de professionals voerden hun vak uit, vanuit de markt of overheidsinstantie. Het sociale domein bemoeide zich met zorg, onderwijs, armoede, inkomen en huisvesting. De ruimtelijke sector was puur gericht op de fysieke uitleg van steden, dorpen, infrastructuur, businessparken en bedrijventerreinen, waarbij de ontwerpers hoofdzakelijk in dienst stonden van de fysieke ingrepen. Deze werelden waren behoorlijk gescheiden, en de bijbehorende ‘geldpotjes’ ook.

Nu professionaliseren burgers zich, willen instituties samenwerken met deze burgercollectieven en worden sociale en ruimtelijke vraagstukken niet langer los van elkaar bekeken. De ruimtelijke en sociale sector worden door deze schaalverkleining sterker afhankelijk van medewerking van en investeringen uit de samenleving. Nieuwe digitale productietechnieken als computergestuurde freestechnieken en 3D-printing bieden daarbij compleet nieuwe mogelijkheden in de bouw; individuele keuzes en ontwerpen kunnen zo worden gesystematiseerd en toegankelijk gemaakt voor een grote groep.

Nederlandwordtanders is gericht op ontwerpers die er bewust voor kiezen om weer aan te sluiten bij actuele maatschappelijke opgaven op het gebied van bijvoorbeeld herbestemming, energietransitie, klimaatadaptatie, voedselproductie, mobiliteit, het nieuwe werken of goed(koper) wonen. Deze ontwerpers, die soms aan de start van hun carrière staan maar soms ook al jaren ervaring hebben, hebben een aantal karakteristieken gemeen. Zo hebben zij een scherp oog voor maatschappelijke, economische en technologische veranderingen, voelen ze de tijdgeest en het veranderend krachtenveld goed aan en beseffen ze dat zij de samenleving weer moeten overtuigen van de toegevoegde waarde van het ontwerp. Zij zijn ondernemend, gaan actief op zoek naar opdrachtgevers en nemen vaak zelf het initiatief door risicodragend te investeren.

En zij weten hoe je in deze tijd moet communiceren. Niet alleen met (potentiële) opdrachtgevers, maar met alle spelers in het veld. Hiervoor hebben deze ontwerpers een sterke troef in handen. Naast het feit dat zij hun werkplek vaak letterlijk en figuurlijk verplaatst hebben naar de te ontwerpen locaties weten zij via hun ontwerpen maatschappelijke opgaven te agenderen, komen zij met tijdelijke invullingen om plekken weer maatschappelijke betekenis te geven, testen zij nieuwe aanpakken uit en lopen zij met ontwerpen vooruit op permanente ontwikkelingen.

Omdat het maatschappelijke krachtenveld waarbinnen ontwerpers opereren snel verandert, zijn veel ontwerpen in de afgelopen jaren tot stand gekomen als experiment. Nederlandwordtanders heeft verkend wat de positie van de ontwerper en de toegevoegde waarde van het ontwerp hierin is. De ontwerper wordt steeds meer een schakel tussen denken, verbinden, maken en doen. Hij zet hiervoor zijn ruimtelijke kennis in, maar ook zijn mentale, inspirerende en stimulerende vaardigheden. Een goed en innovatief ontwerp representeert de tijdgeest op twee niveaus: de ‘meta-mentaliteit’ van een tijdsgewricht en de ‘cutting-edge-mogelijkheden’ van de nieuwe technologie. Een goed ontwerp ontlokt interactie en betrokkenheid door open en verbindend, duurzaam en weerbaar te zijn. Nu en voor de langere termijn. De ontwerper en het ontwerp gaan hiermee een langduriger samenwerking aan, dankzij de bijdragen aan zowel bewustwording als het proces en de productvernieuwing. Met als ultiem doel integrale, duurzame, opschaalbare en herhaalbare ontwerpen die weliswaar niet bedoeld zijn om gekopieerd te worden, maar wel te modificeren zijn voor andere locaties.

Om de functie van het ontwerp – te weten: agenderen van een maatschappelijk vraagstuk, het bieden van een tijdelijke invulling om verslechtering tegen te gaan, het testen van proces- en productinnovaties en het vooruitlopen op een permanente ontwikkeling – te illustreren, kan geput worden uit een groeiend aantal inspirerende voorbeelden.

‘De Ceuvel’ is een vervuild terrein van een verlaten scheepswerf dat inmiddels succesvol functioneert als tijdelijke broedplaats met tot bedrijfsruimten getransformeerde woonboten en bodemzuiverende planten. De initiatiefnemers, onder leiding van de ontwerpbureaus Space en Steven Delva Landscape Architects, geven hierdoor de grond over tien jaar wat schoner terug en hebben het startsein gegeven voor een nabijgelegen circulaire herontwikkeling volgens nog verder gaande duurzaamheidsambities.

‘Kus, 100% lokaal’ is een initiatief van Bureau M.E.S.T. en heeft laten zien dat de Rotterdamse Afrikaanderwijk niet alleen kwetsbaar is, maar juist ook ondernemend en creatief. In leegstaande woningen is aanvankelijk een tijdelijk wijkhotel gevestigd, gerund door kunstenaars, bewoners en lokale ondernemers. Dit wijkhotel was zo succesvol dat het nu een permanente status heeft gekregen.

Het gaat niet meer alleen om financiële winst, het gaat ook om sociaal en ecologisch rendement

Inspirerende voorbeelden zijn er ook over de grens, zoals het Endesa Paviljoen in Barcelona door architect Rodrigo Rubio.

‘DO! Research Design by Doing’ is het motto van het 3D Print Canal House van DUS Architects. In dit publiek toegankelijk en drie jaar durende onderzoeksproject werkt een internationaal crosssectoraal team gezamenlijk aan het 3D-printen van een grachtenpand in Amsterdam met als doel een revolutie in de bouwindustrie te ontketenen en wereldwijd nieuwe woonoplossingen te bieden.

Proces- en productinnovatie, via opschaling en industrialisatie, is ook te zien bij het inmiddels mondiaal toegepaste hotelconcept citizenM. Samen met investeerder Rattan Chadha en initiatiefnemer Hans Meyer ontwikkelde het ontwerpbureau Concrete het concept voor een beter hotel voor minder geld. Compacte, slim ingerichte, geprefabriceerde units met een grote ruimtelijke beleving, reduceren de kamerprijs voor de ‘mobile citizens’ van deze wereld, op toplocaties.

Met de projecten ‘HAKA’ in Rotterdam en ‘SLEM’ in Waalwijk laat het multidisciplinaire ontwerpbureau Doepel Strijkers zien hoe ruimtelijke ontwerpen sociale vernieuwing stimuleren door ‘circulaire’ en ‘inclusieve’ projecten te maken. Door (her)gebruik van andere materialen en door een ander productieproces ontstaat het ontwerp tijdens de uitvoering van een project. Dit resulteert in een nieuwe vorm van esthetiek, die in letterlijke zin de nieuwe aanpak representeert en uitdraagt.

Experimenten zijn van groot belang in een periode van transitie. Ze laten, vaak in relatief korte tijd, zien dat de oude manieren van handelen maatschappelijk niet meer passend en toereikend zijn, dat het anders kan en vooral ook dat Nederland er beter, mooier en duurzamer van wordt. Tegelijkertijd kent het experiment zijn beperking. Er zijn vervolgstappen nodig om de omslag van experiment naar een werkelijk andere ontwerpcultuur te bestendigen.

In de eerste plaats zijn de grote maatschappelijke vraagstukken tegenwoordig zo complex dat zij niet door één partij opgelost kunnen worden. Structurele samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven, kennisinstellingen, nichepartijen, maatschappelijke organisaties en burgers is een vereiste, waarbij het overkoepelende belang boven het individuele moet gaan. Nieuw leiderschap in deze samenwerking is richtinggevend, maar verloopt niet meer top-down. Ontwerper en ontwerp zijn daarbij een onmisbare schakel.

In de tweede plaats leven we in een tijd van disruptieve innovatie: innovatie die ontwrichtend werkt en een nieuwe richting geeft aan de huidige maatschappelijke en ruimtelijke organisatie. Voorbeelden daarvan zijn sociale media, 3D-printtechniek, computergestuurde productiemogelijkheden en biobased materialen. Zeker de combinatie van deze vier brengt een versnelde vernieuwing teweeg, waarvan we de eerste contouren inmiddels kunnen waarnemen. De werkelijke, waarschijnlijk verstrekkende invloed daarvan kunnen we nu nog niet bevroeden. Het ontwerp is in staat het effect van de nieuwe mogelijkheden op de omgeving en de samenleving te laten zien.

Projecten en processen zullen in de derde plaats circulair moeten worden. Dat betekent dat het project of de achterliggende structuur herhaalbaar en opschaalbaar moeten zijn en gericht op het creëren van maatschappelijke impact. Materiaal- en arbeidsketens worden gesloten en verdienmodellen zijn gericht op duurzaamheid en inclusieve winst: maatschappelijk, economisch, ecologisch en (lokaal) financieel. Van de ontwerper vraagt dit een integrerende en mobiliserende kracht.

Tot slot vragen begrippen als functionaliteit en winst, die cruciaal zijn voor het ontwerp, om een herdefinitie. Functionaliteit moet niet beperkt blijven tot de praktische toepasbaarheid van een ontwerp of gebouw via materialisatie, gebruik en context. Er is ook zoiets als een mentaal-geestelijke functionaliteit; een ontwerp of gebouw waar je blij en gelukkig van wordt en waar je energie van krijgt. Daarbij vraagt de nieuwe manier van ontwerpen en produceren om een herwaardering. Er moet een waarderingssysteem worden gehanteerd waarin ook de sociale, ecologische, economische en mentale waarden meewegen. Als dat er komt, brengt dat wellicht ook een ander beloningssysteem met zich mee. Geld zal dan niet langer alleen maar de financiële winst symboliseren.

Het maatschappelijk besef dat het bij een ruimtelijk project ook om andere winsten gaat dan een directe ‘return on investment’ wordt steeds groter. Inspiratie, sociale versterking en ecologische duurzaamheid zorgen voor het daadwerkelijke rendement.

Tegelijkertijd is er een geweldige technologische ontwikkeling gaande ten aanzien van communicatie- en reproductietechnologieën. De tijdgeest van nu is daarmee de perfecte voedingsbodem voor een andere ontwerpcultuur.


Beeld: Doepel Strijkers Architects realiseerde in samenwerking met vuilverwerker Van Gansewinkel en Gemeentewerken in het Rotterdamse HAKA-gebouw een interieur van kringloop- en sloopmateriaal (Ralph Kämena / Doepel Strijkers Architects)