Een graf delven met een balpen

Imre Kertesz, Kaddisj voor een niet geboren kind. Vertaald door Henry Kammer, uitgeverij Van Gennep, 116 blz., f32,50
‘AUSCHWITZ HING immers al heel lang - wie weet hoe lang al? - in de lucht, misschien al eeuwen, als een donkere, door de stralen van talloze wandaden gerijpte vrucht die wachtte op het moment dat hij op het hoofd van de mensen kon neerploffen’, aldus de Hongaarse schrijver Imre Kertesz in zijn verbijsterende monoloog Kaddisj voor een niet geboren kind.

Op het ogenblik dat zijn joodse vrouw hem meedeelt dat ze - moe van de negativiteit die tot de tweede natuur van haar echtgenoot is geworden - waarschijnlijk zal trouwen met een vriend die geen jood is, barst de schrijver in woede uit: ‘Waar zie je me voor aan? riep ik tegen haar, voor een soort omgekeerde racist misschien? Dacht je soms dat ik deze tijd en deze wereld pas in Auschwitz heb doorzien? Dat ik daar geleerd heb de waarheid onder ogen te zien?’
Voor Kertesz, die weliswaar van joodse afkomst is maar die zich met het jodendom absoluut niet verbonden voelt, is het jood-zijn nochtans iets waarvan hij geen afstand zou willen doen: als identiteit betekent het jood-zijn niets voor hem, als ervaring daarentegen alles. Het jood-zijn en Auschwitz zijn immers bronnen van bewustwording en inspiratie. En inspiratie zocht Kertesz al altijd in de vernedering, de hopeloosheid en de dood. In de joodse ervaring van Auschwitz interesseert hem de uiterste vernedering van de mens in het algemeen. Dat Kertesz een jood is, is dus 'een weinig aangenaam en vooral weinig begrijpelijk en af en toe levensgevaarlijk feit, dat voor mij echter juist vanwege die gevaarlijkheid bruikbaar is’.
Dat is beslist geen alledaagse opvatting, maar in dit ademloze doodslied staan wel meer dingen die conventioneel aangelegde naturen tegen de borst zullen stuiten. Zeker, Auschwitz is de grote obsessie van Kertesz, maar het is niet zozeer het kampverleden dat de verteller noopte tot het afwijzen van het verwekken van kinderen. In de ogen van de verteller is Auschwitz niets anders dan de apotheose van de destructieve krachten die zich reeds in zijn kindertijd (voor het uitbreken van de oorlog en voor Auschwitz) hadden geopenbaard in het internaat waar hij tussen zijn vijfde en tiende levensjaar verbleef: 'Nooit mocht een ander kind meemaken wat ik indertijd had meegemaakt: een kindertijd.’
Kaddisj voor een niet geboren kind is een onafgebroken provocatie, wat geen verbazing wekt bij een auteur die niet verbergt hoezeer hij het radicalisme van een schrijver als Thomas Bernhard weet te waarderen. Het lijdt dan ook geen twijfel dat Kaddisj in sommige kringen zal worden onthaald als een groot schandaal. Niet zozeer omdat Kertesz beweert dat hij al lang voor Auschwitz wist wat voor een afschuwelijke plek de wereld is, zelfs niet omdat hij het ritueel van het schoolse 'op het rapport verschijnen’ bij wijze van spreken vergelijkt met de appels in Auschwitz. Maar wel omdat de schrijver de verantwoordelijkheid voor Auschwitz ook legt bij zijn joodse ouders en opvoeders die de kinderen voorbereidden op de heersende cultuur zonder zich te bekommeren om de doelstellingen van die cultuur. 'Auschwitz, zei ik tegen mijn vrouw, manifesteert zich in het beeld van mijn vader, ja, de woorden “Auschwitz” en “vader” brengen in mij dezelfde weerklank teweeg, zei ik tegen mijn vrouw. En als het waar is dat God een verheven vader is, heeft God zich aan mij geopenbaard in het beeld van Auschwitz.’
OP HET INTERNAAT maakt de schoolleiding zich schuldig aan georganiseerde intimidatie, destructiviteit, pervertering en een hoop andere ondeugden waarin de leerlingen worden geschoold. Zo worden de kinderen medeplichtig gemaakt aan het willekeurige schrikbewind van de autoriteiten, die niet te beroerd zijn om zelfs het eten van de schoolkinderen te stelen. Het tegenbeeld van het 'pedagogische’ monster dat zijn leven in het internaat heeft vergald, is dat van een gevangene in Auschwitz die door Kertesz 'de leraar’ wordt genoemd. Die 'leraar’ is op een onverklaarbare manier in het bezit gekomen van het rantsoen dat aan de knaap toebehoort. Omdat het ernaar uitziet dat het jongetje het nu zonder dit armzalige pakketje voedsel zal moeten stellen, is zijn kans op overleven bijzonder klein geworden. Maar wie schetst de verbazing van de uitgeputte jongen als de 'leraar’ zich vol doodsverachting van zijn plaats verwijdert - wie op zo'n beweging werd betrapt, werd door de Duitse bewakers zonder pardon doodgeslagen - en het rantsoen aan de verbaasde jongen terugbezorgt?
In zijn dagboeken wordt pater Kolbe overigens in een adem met deze 'leraar’ genoemd. Moeten we er nog op wijzen hoezeer de schrijver de stof voor zijn aangrijpend oeuvre uit zijn eigen levensloop heeft geput?
Kaddisj voor een niet geboren kind is een prachtige 'roman’ van een schrijver die lang heeft moeten wachten om de erkenning te vinden die hij verdient. Kertesz behoort tot de kleine categorie van grote schrijvers die in het totalitaire regime zijn blijven doorwerken, ongeacht het feit dat er destijds geen uitzicht bestond dat ze hun manuscripten ooit zouden kunnen publiceren. Nu dat uiteindelijk toch gebeurt, moeten we meteen erkennen dat Imre Kertesz een superieur talent is dat de vergelijking met de grote Middeneuropese schrijvers van deze eeuw gemakkelijk kan doorstaan. Hij behoort, samen met schrijvers als Kafka en later Bernhard en Kis, tot de gekwelde kunstenaars die de ware aard van deze eeuw (die in de ogen van Kertesz een onophoudelijk executiepeloton is) en de gevolgen ervan voor de menselijke conditie in een even compromisloze als betoverende literatuur hebben verdicht.
IMRE KERTESZ werd in 1929 in Boedapest geboren en in 1944 wegens zijn joodse afstamming eerst naar Auschwitz en vandaar naar Buchenwald gedeporteerd. In 1945 werd hij uit het kamp bevrijd. Tot 1951 werkte Kertesz op de redactie van een Hongaarse krant. Na zijn militaire dienst (1951-1953) vestigde hij zich als zelfstandig schrijver (van onuitgegeven essays en romans) en vooral - om aan de kost te komen - als vertaler van Duitsschrijvende auteurs als Nietzsche, Freud, Wittgenstein en Canetti.
Van 1963 tot 1973 schreef Kertesz aan de roman Sorstalansag (Zonder lotsbestemming), waarin de ervaring van de deportatie uit het perspectief van een vijftienjarige jongen wordt beschreven. Dit boek, dat tot de indrukwekkendste literaire geschriften over de holocaust wordt gerekend, mocht in het socialistische Hongarije niet verschijnen omdat het niet strookte met het officiele beeld van de feiten. Toen dat boek in 1975 alsnog in Hongarije verscheen, namen de media en de publieke opinie er geen notitie van. Pas in 1985, toen de roman opnieuw werd uitgegeven, kreeg hij de aandacht die hem zolang was onthouden en werd het boek als een meesterwerk geprezen.
Intussen had Kertesz de al even autobiografische roman A kurdarc (Het fiasco) voltooid. Daarin treedt een Hongaarse schrijver op die ervan overtuigd is dat hij een echt belangwekkende roman heeft geschreven. Maar de politieke situatie in zijn land is zo absurd dat het boek niet mag worden uitgegeven.
Zopas verscheen een Duitse vertaling van het in 1992 verschenen Galyanaplo (Galeidagboek), een keuze uit de schitterende invallen, aforismen, reportages, mini-essays en beschouwingen die Kertesz de jongste dertig jaar (1961-1991) heeft opgetekend. Net als in Kaddisj word je overweldigd door de obsessies die het leven van deze illusieloze 'overlevende’ hebben beheerst en behekst. Op 17 juni 1988 laat hij zich in een opwelling van verbazing iets ontvallen over de constructie van het boek dat hij in die jaren aan het schrijven is: 'Hoe “Kaddisj” helemaal zonder opzet en zonder “voorafgaande reflectie” op de “Todesfuge” opbouwt.’ Kertesz bedoelt het weergaloze gedicht van Paul Celan, waarin het lot van de joden wordt bezworen in een lyrische stroom die de lezer in een zielsbedroefde vervoering brengt. En werkelijk, Kertesz’ Kaddisj is een onafgebroken poging om het kwaad te bezweren door het met een grenzeloze woordenvloed tegen te houden en in te dijken. Als een dansende derwisj laat Kertesz zijn bedwelmende literaire spiralen kringelen en varieert hij onafgebroken de thema’s van de beelden en de ideee"n die in zijn ziel zijn gebrand, schrijvend in zijn door weer en wind geteisterde hok 'waar ik af en toe naar de stralende hemel of de wolken opkijk en mijn graf met een balpen delf, vlijtig als een met een fluitsignaal opgecommandeerde dwangarbeider die elke dag met zijn spade verder moet graven, die elke dag een nog duisterder en zoeter doodslied op zijn viool moet spelen’.
In die fuga, waarin het ene thema door het andere wordt overwoekerd, worden steeds opnieuw de essenties bezworen: het naderen van het 'mooie jodinnetje’ dat kortstondig zijn vrouw zal worden, de relatie tussen bestaan en schrijven, de ontkenning dat het leven alleen maar een aaneenschakeling van pure toevalligheden zou zijn, de onontkoombaarheid van zijn lotsbestemming die hem ertoe dwingt 'zijn’ wereld te laten zien 'wat ik absoluut noodzakelijk achtte, ik wilde haar laten zien aan degene die zich over en (misschien ook) voor ons schaamt, wie hij ook mag zijn.’
KADDISJ VOOR EEN niet geboren kind is het in een geut uitgebraakte relaas van alle gewaarwordingen, gevoelens, overwegingen en herinneringen die de schrijver tijdens een lucide doorwaakte nacht door het hoofd zijn geflitst. Door de precisie waarmee hij zijn en onze fiasco’s ontleedt, laat Kertesz Kaddisj uitgroeien tot een ongenadig voortwoekerend schotschrift tegen de hele natuur en tegen de mensheid waarvan het bestaan in de ogen van de schrijver gewoon een aberratie is. Er staan schitterende terloopse zinnetjes in dit werk (de paraplu wordt het symbool van onze aardse groteskheid genoemd), maar in het algemeen is deze huiveringwekkende monoloog een geschrift waarin de auteur uitlegt hoe hij zich van zijn lotsbestemming bewust is geworden en hoe hij deze als een opdracht en een plicht heeft vervuld, hoe treurig, eenzaam en gespeend van alle succes die bezigheid ook was. Wat zit er ook anders op? Januari 1990 noteert deze moderne Hongaarse Sisyphus in zijn Galeidagboek: 'Waaraan je ook gelooft, sterven zal je toch; maar als je aan niets gelooft, ben je levend al dood.’