Een grappiger getal bestaat niet

JOSEPH HELLER, CATCH-22, €11,50

JOSEPH HELLER, CATCH-22, vertaald door J.F. Kliphuis, €15,-

Het schijnt dat Don Draper, de altijd onkreukbare reclameman om wie het bejubelde Mad Men draait, gebaseerd is op Joseph Heller (1923-1999), de auteur van de moderne klassieker Catch-22. Deels dan. In de pas verschenen, veelvuldig voorgepubliceerde biografie van Heller, Just One Catch: A Biography of Joseph Heller, beschrijft Tracy Daugherty in ieder geval hoe Heller te gast was bij NBC’s Today Show, een van de best bekeken programma’s op de Amerikaanse televisie. Heller zat er niet bij als de stereotiepe schrijver; hij straalde juist zelfverzekerdheid uit, hij was likeable, verkocht zichzelf gelikt aan een all American publiek en sprak over de universaliteit van zijn personages: ‘Yossarian is alive somewhere and still on the run.’

Na afloop kwam John Chancellor, interim-presentator van de Today Show, naar Heller toe met een stapeltje stickers die hij zelf had laten drukken: 'YOSSARIAN LIVES’ stond erop. Hij had ze de weken daarvoor in wc-hokjes en op prikborden in het tv-kantoor opgeplakt.

Nu, achteraf, kun je stellen dat het veelzeggend is dat Yossarian, de werk ontduikende, ziekte veinzende antiheld van Catch-22, direct als cultfiguur werd omarmd door een enorme lezersschare, toen het boek eind 1961 verscheen. Hellers oorlogsroman maakte de sprong van de gezagsgetrouwe, naoorlogse kleinburgerlijkheid naar de nog sluimerende tegencultuur van de jaren zestig. Het was een oorlogsroman waarin de Goede Oorlog tegen de nazi’s ontdaan werd van heroïek. De vliegeniers op het eilandje Pianosa, in de Middellandse Zee, willen vooral onder hun taak uitkomen. Liever overleven dan helden worden. Zo biecht Yossarian aan een officier op dat hij te bang is om nog te vliegen. Daar hoef je je niet voor te schamen, zegt de majoor. 'Ik schaam me er ook niet voor’, zegt Yossarian. 'Ik ben alleen bang.’

Een criticus schreef later: 'Catch-22 verklaart niet de Tweede Wereldoorlog, maar de Vietnamoorlog’ - een flink statement, want toen het boek verscheen moest de shit in Vietnam nog goed losbarsten.

In oktober is Catch-22 precies vijftig jaar oud, reden genoeg voor het verschijnen van nieuwe jubileumedities (ook een heel fraaie Nederlandse heruitgave bij Ambo Anthos, met beeldmateriaal en een nawoord van Christopher Hitchens) en, naast Daugherty’s biografie, de memoires van zijn dochter, Erica Heller, Yossarian Slept Here. Ze schrijft hoe haar ouders ’s avonds laat, toen Catch-22 al een enorm succes aan het worden was, in de taxi stapten en zich langs allerlei boekhandels in New York lieten rijden, om te zien hoe 'The Book’ in zoveel winkeletalages lag, in hoge piramides gestapeld. Ze kwamen laat thuis, helemaal duizelig van plezier, en vielen giechelend in slaap, in hun nieuwe grote droomhuis.

Interessanter is de making of, die in Daugherty’s biografie mooi aan bod komt. Joseph Heller was een onbekende schrijver die onder de hoede werd genomen van een onbekende agent en een onbekende redacteur - die later toonaangevend zouden worden in de New Yorkse literaire kringen. Nadat Heller in de Tweede Wereldoorlog gediend had aan het Europese front, als vliegenier in B-25 bommenwerpers, was hij de reclame in gegaan. He was in it for the money, want al vanaf de vroege jaren vijftig liep hij met een idee voor een roman in zijn hoofd over zijn oorlogservaringen. Hij was erop gekomen nadat hij met twee vrienden had gepraat, die beiden gewond waren geraakt. De ene vertelde allerlei grappige verhalen over zijn oorlogservaringen en zijn tijd in het lazaret; de andere kon zich juist niet voorstellen dat humor geassocieerd kon worden met de horror van oorlog.

Juist die combinatie van zwarte humor en soms melancholieke ernst maakte Catch-18 - zoals de werktitel luidde - moeilijk te verteren voor de meeste uitgevers, die het liever aan zich voorbij lieten gaan. Henry Simon, van het prestigieuze uitgevershuis Simon & Schuster, adviseerde tegen publicatie; hij vond de blik op de oorlog ronduit beledigend. Maar Heller had de mazzel dat de toen nog piepjonge literair agente Candida Donadio (die later John Cheever, Jessica Mitford, Philip Roth en Thomas Pynchon zou vertegenwoordigen) heilig in zijn roman geloofde. Donadio, die, zoals Daugherty schrijft, 'meer synoniemen voor excrement paraat had dan wie je dan ook zou ontmoeten’, wist het boek opnieuw bij Simon & Schuster binnen te krijgen, nu bij Robert Gottlieb (later de redacteur van Salman Rushdie, Toni Morrison, John Le Carré, en weer later hoofdredacteur van The New Yorker), die laaiend enthousiast was. Gottlieb verzamelde een team van jonge medewerkers en samen met Heller gingen ze het manuscript van Catch-18 te lijf. 150 pagina’s gingen eraf, personages werden vergroot of juist geschrapt, verschijningsdata werden opgeschoven. Binnen de uitgeverij kreeg het project een welhaast mythische status. Een half jaar voor publicatie was er een nieuw probleem: Leon Uris, de bestsellerauteur van Exodus, publiceerde een nieuwe roman met de titel Mila 18. Twee titels met het getal 18 in de titel zou een probleem zijn, dus ging Heller op zoek naar een nieuwe titel. Catch-11 werd geopperd, maar dat rijmde te veel met de blockbuster Ocean’s Eleven met Frank Sinatra. Daarna heette het boek (of: het manuscript) een tijdlang Catch-14, omdat dat zo'n fijn non-descript nummer was. Hoe het uiteindelijk Catch-22 werd is onduidelijk. Volgens Candida Donadio omdat 22 oktober haar verjaardag was, volgens Robert Gottlieb kwam het hem midden in de nacht op, uit het niets: 22, een grappiger getal bestaat niet.

Ook met de reclamecampagne werd iets nieuws geprobeerd. Grote posters met de cryptische slogan 'What’s the Catch?’ verschenen. Toen het boek eenmaal persklaar was, stuurde het promotieteam van Simon & Schuster, onder leiding van de jonge Nina Bourne, proefdrukken aan gevestigde namen als James Jones, Graham Greene, Art Buchwald en Evelyn Waugh, in de hoop positieve reacties te krijgen die ze op het omslag zouden kunnen zetten, blurbs, ook nog iets nieuws in die tijd. De Britse Evelyn Waugh, zuurpruim pur sang, schreef terug:

'Dear miss Bourne,

Dank voor het toezenden van Catch-22. Het spijt me te horen dat het boek u zo fascineert. It has many passages quite unsuitable to a lady’s reading. U vergist zich als u het een roman noemt. Het is eerder een verzameling sketches - vaak repetitief - zonder enige structuur. Veel van de dialogen zijn grappig. U mag me citeren als: “This exposure of corruption, cowardice and incivility of American officers will outrage all friends of your country (such as myself) and greatly comfort your enemies.”’

Art Buchwald, de populaire columnist van The Wall Street Journal, reageerde na het lezen van het boek per omgaande wel enthousiast, vanuit Parijs: PLEASE CONGRATULATE JOSEPH HELLER ON MASTERPIECE CATCH-22 STOP I THINK IT IS ONE OF THE GREATEST WARBOOKS EVER STOP.

Het gekke is dat als je het boek nu (terug)leest, juist de term 'meesterwerk’ niet direct als eerste in je opkomt. Het is geen boek dat zich makkelijk prijsgeeft, waar je meteen aan verslingerd bent - ik ben er drie keer in begonnen voordat ik een keer over de vijftig pagina’s heen kwam. Het boek begint moeilijk, bijna hysterisch. In elk nieuw hoofdstuk wordt weer een personage geïntroduceerd dat weer excentriek is op zijn of haar eigen manier. De namen zijn vaak gewild onzinnig: majoor Major Major, luitenant Scheisskopf, kapitein Aardvark, Milo Minderbinder. Iedereen heeft een tik, iedereen wordt door anderen voor gek versleten. De personages proclameren een logica - over de oorlog, over het leven - en meestal in datzelfde hoofdstuk nog wordt die logica verworpen en beginnen we weer waar we begonnen zijn.

Pas als je - tenminste, zo ging het dus bij mij - er honderd bladzijden in zit, begint die zichzelf in de staart bijtende logica een eigen dynamiek te krijgen. Het principiële doel van de personages, tenminste die van lagere rang, zoals Yossarian en zijn slapie Orr, is in leven blijven, met andere woorden, niet voor missies geselecteerd worden. En daarin schuilt de 'catch-22’: om onder missies uit te komen moet je krankzinnig worden verklaard, alleen, wanneer je aangeeft krankzinnig te zijn, dan is dat het bewijs dat je rationeel kunt denken, en dus ben je niet krankzinnig.

Deze logica beweegt zich door het hele boek heen. Yossarian ergert zich aan de dode soldaat die in zijn tent ligt opgebaard, dus beklaagt hij zich bij de sergeant, die vervolgens ontkent dat de dode soldaat überhaupt bestaat, aangezien hij niet meer leeft. Dus kan hij er niets aan doen. Point well taken. Als Yossarian zich voor het eerst in het ziekenhuis probeert te drukken, wordt hij er door Clevinger op aangesproken. Maar ze proberen me te doden, zegt Yossarian:

’“Niemand probeert jou te doden!” schreeuwde Clevinger.

“En waarom schieten ze dan op me?” vroeg Yossarian.

“Ze schieten op iederéén”, antwoordde Clevinger. “Ze proberen iederéén te doden.”

“Wat maakt dat nou uit?”’

Het is hilarisch, het is heel pijnlijk. De officieren zitten net zo gevangen in hun eigen bureaucratie. Als een nieuwe generaal hoort dat hij geen parades mag organiseren aan het front krijgt hij de taak van het uitstellen van deze (niet-bestaande) parades. Weer een andere officier, jaloers op deze taak, krijgt de verantwoordelijkheid voor het versturen van memo’s over welke show deze week het regiment niet zal komen vermaken. Een briljante zet, vindt hun meerdere, het aantal niet-bezoekende shows is immers potentieel eindeloos.

Maar de soldaten zijn uiteindelijk degenen die toch weer in de bommenwerpers moeten klimmen, en in de lucht boven Avignon en Bologna worden de slapies en discussiepartners van Yossarian stuk voor stuk aan flenters geschoten. En met de in zichzelf gekeerde logica, die Heller als een soort orwelliaanse 'doublespeak’ hanteert, praten de soldaten na, herbeleven ze hun missies en zitten ze gevangen in hun eigen lot. De oorlog draait zich mentaal zo steeds vaster om de nek van de soldaten, als een hond aan een riem die rondjes om de tafelpoot blijft lopen. Hoe meer soldaten er omkomen, hoe meer missies de generaals plannen. Langzaam maar zeker wordt Yossarians bestaan tragischer.

De vijftig jaar die sinds de eerste druk van Catch-22 zijn verstreken hebben een gek effect op het boek gehad. Als je het nu leest, is het moeilijk het niet te zien in het rijtje met Norman Mailers The Naked and the Dead (1948), over hoe het leger soldaten van hun identiteit ontdoet, en Kurt Vonneguts Slaughterhouse 5 (1971), over de nodeloosheid van de vernietiging in de oorlog. Het is een trio dat noties als heroïsme en patriottisme wegveegt. 'Waar vechten de jongens voor?’ vraagt Yossarian. 'Voor de hot dogs, voor de Brooklyn Dodgers, voor de appeltaart zoals hun moeder die bakte.’ Als je het nu leest, moet je, inderdaad, eerder aan de futiele Vietnamoorlog denken dan aan de gerechtvaardigde Tweede Wereldoorlog.

Het is misschien wat schools om nu weer met Mad Men aan te komen, maar juist daarvandaan kun je misschien wel een helder perspectief krijgen; op een unieke manier illustreert de tv-serie de burgermansmoraal van de jaren zestig, maar als je goed oplet, zie je dat dit niet van iedereen komt. Personages als Roger Sterling, Duck Philips en Freddy Rumpsen vochten in de oorlog, Don Draper vocht in Korea - zij zijn degenen die het meest losstaan van een duidelijke goed-fout-moraal. Waar hun jongere collega’s allerlei principes hebben en daaruit voortvloeiende vooroordelen, daar gaat het Don en de rest vooral om overleven - maakt niet uit hoe. Net als Yossarian.

Deze zomer werd bij Ambo Anthos de Nederlandse vertaling (door J.F. Kliphuis) heruitgegeven (503 blz., € 15,-)

Tracy Daugherty, Just One Catch: A Biography of Joseph Heller, St. Martin’s Press, 560 blz.,

€ 30,99