Een Groene Van Gogh

Bij het honderd_twintig_jarig bestaan van De Groene bracht schrijver Geert Mak bij de lezers in herinnering dat dit vrijzinnig liberale weekblad, door Mak onder meer ‘een avant-gardekrant’ genoemd, ‘de eerste’ was die een ‘positieve beschouwing’ wijdde aan de kunstenaar Van Gogh. ‘En zulke verrassingen heeft dit weekblad altijd opgeleverd’, schreef Mak, die er zelf tien jaar lang redacteur van was.

Strikt gesproken had hij niet helemaal gelijk, zo kunnen Van Gogh-kenners als Louis van Tilborgh uitleggen, maar De Groene was er wel bijzonder vroeg bij in de bewondering voor deze wegbereider van de twintigste-eeuwse avant-garde, al helemaal voor een Nederlandse krant. Dat was niet verwonderlijk, omdat sinds het ontstaan van het blad de internationale ontwikkelingen in de kunsten nauwlettend in de gaten werden gehouden. Zelfs al voor de bespreking waar Mak op doelde, maakte De Groene melding van het bestaan van de kunstenaar. Dat was op 31 maart 1889, dus ruim voor het uitgebreide en lovende artikel dat de gezaghebbende Franse criticus Albert Aurier in januari 1890 publiceerde in Mercure de France. Dat artikel – dat meer over Van Goghs brieven dan zijn schilderijen ging – is algemeen erkend als het begin van Van Goghs postuum vergaarde roem.

Al eerder, op 3 november 1889, vermeldde De Amsterdammer dat Van Gogh ‘de eenige Nederlander’ was waarvan werk hing op de tentoonstelling der Artistes-Independants in Parijs. Een Franse criticus werd aangehaald die Van Gogh naar aanleiding van die tentoonstelling onder meer een ‘amusant colorist’ noemde, ‘zelfs in zijn buitensporigheden zooals in zijn Sterrennacht: de tuben hebben direkt kegels van wit, rose en geel als sterren, met de vlakke kwast in een ruw vlechtwerk op den hemel neer gequadrilleerd; oranje driehoeken spoken op in den stroom, en dicht bij vastliggende schuiten, spoeden zich wezen van een barokke onheilspellendheid’.

Acht maanden later, op 29 juli 1890, overleed Van Gogh. Op 10 augustus verscheen in De Groene een vrij uitgebreid In Memoriam. De auteur ervan beweerde zelfs Van Goghs werk al vijf jaar lang te volgen. ‘Bij het ontvangen van deze ontroerende kennisgeving komt het geheel verleden van dezen jongen grooten schilder ons voor den geest. Sedert wij vijf jaar geleden enkele van zijne werken ontmoet hadden (…) hebben wij zijne werkzaamheid gevolgd bij elke tentoonstelling der Indépendants. En altijd triompheerde zijn violent coloriet, licht en krachtig. In de menigte van doeken waren altijd de zijnen als standaarden. Het waren aanprikkelingen tot revolutie, roode dwaasheden van krijg.’

En, mooier nog: ‘De schilder teekende zijn omtrekken met ijzeren hand. Heel de wildheid der tegenwoordige kunst liet er zich in gelden.’ En: ‘Het was niet de qualiteit die hem aantrok maar de visie der dingen.’

Louis van Tilborgh, conservator Van Gogh-onderzoek van het Van Gogh Museum in Amsterdam, legt uit dat zulke artikelen weliswaar vroeg waren – ‘absoluut’ – maar niet echt gewicht in de schaal legden bij ‘het bouwen van een reputatie’. Zo’n reputatie bouwend artikel verscheen anderhalf jaar later, op 21 februari 1892, met de titel ‘Vincent van Gogh’. Dat is het artikel waar Geert Mak over sprak bij het honderdtwintigjarig bestaan. Het was geschreven door Willem du Tour. Die waarschuwde dat men de onbevangenheid voor Van Goghs kunst niet moest verliezen door al te veel nadruk op het woeste leven van de kunstenaar. Het was voor het eerst dat deze waarschuwing in Nederland klonk. Dat zou daarna nog duizenden keren gebeuren, hoewel misschien nooit meer zo helder als bij Du Tour in 1892.

Het bleek overigens tevergeefs. Terwijl Du Tour schreef over ‘het onbevangen oordeel van een intelligent energiek kind’ gooide schrijver en kunstenaar Jan Wolkers bijna honderd jaar later de handdoek in de ring en sprak hij over ‘de weeë goudgele golf zonnebloemolie der vincentomanie’. En Wolkers voorspelde op de honderdste sterfdag van Van Gogh dat op het Museumplein binnenkort schiettenten komen te staan waar je een oor van een rubberen kop kunt schieten. Dat is nog niet gebeurd, maar Du Tours waarschuwing is inderdaad in de wind geslagen. Overigens ook door hemzelf, direct al in hetzelfde artikel. Onze bewondering voor de kunstenaar is inderdaad niet ‘van zuiver kritisch-artistieke aard’ gebleven. Du Tour laat al direct zien waarom, in zijn vroege en treffende bespreking.