Een groezelige kaart van een vuile wereld

DE DEBUUTROMAN van Irvine Welsh, Trainspotting (1995), was een van de meest toegejuichte en tegelijk een van de slechtst begrepen boeken van dat jaar. En masse bombardeerde de kritiek Trainspotting tot de roman die (eindelijk) een generatie een stem gaf. Wat men binnenlands niet kon vinden, haalde men van ver, uit Schotland, en men vond dat vervolgens meer dan smakelijk. Trainspotting slaagde met verve waar bijvoorbeeld de Generatie Nix faalde, vond men: de tijdgeest van het moderne fin-de-siècle vangen, de tweede generatie no future-jongeren gedetailleerd portretteren. Ja, Trainspotting was de typische uiting van het postmoderne cynisme waardoor de jeugd van de jaren negentig werd gedreven (of juist niet werd gedreven, gniffelde men). Ja, Trainspotting, en Irvine Welsh, chroniqueerde een tijdperk, een tijdgeest en een generatie, wereldwijd. Zei men.

TRAINSPOTTING is een sterke roman, absoluut, maar veel te particulier en veel te sterk verankerd in het junkieleven om ‘exemplarisch’ te kunnen zijn voor 'de jeugd’ of iets in dat genre. (Dat de critici er een portret van een generatie in zagen, roept de vraag op of de wens misschien de vader van de gedachte was en men het liefst al die adolescenten het loodje zag leggen door de drugs.) Zelden heb ik een beter, authentieker en schrijnender boek gelezen over een leven met heroïne. Het feit dat dat verdoemde middel het centrale punt van het boek is, droeg ook bij aan de onduidelijkheid: veel mensen lazen in Trainspotting een verslag van een doorgedraaide jongeman die een uitzichtloos en leeg leven leidt - geen werk, geen opwinding, geen toekomst - en zijn heil zoekt in 'sex, drugs en rock 'n’ roll’, dat gedateerde trio dat altijd door ouderen wordt genoemd als ze iets over jongeren willen zeggen.
In die roman beschrijft Irvine Welsh echter het platte, profane leven van een lower-class heroïneverslaafde dat helemaal niet zo 'leeg’ is. De motieven van de hoofdpersoon om drugs te gebruiken staan geenszins in verband met een of andere 'tijdgeest’. Ook niet met een metafysich gemis. Hij doet het gewoon, en that’s it.
Acid house staat niet ver van Trainspotting af. Gelukkig niet. Welsh is zichzelf trouw gebleven. Wat je ook van hem kunt zeggen, wat hij schrijft is in elk geval echt, of authentiek, zo je wilt. Voor velen is dat misschien geen criterium voor literaire waarde, maar bij proza als dat van Welsh maakt het wel degelijk het verschil uit tussen een geslaagd en een mislukt boek. De ellende die hij in zijn verhalen beschrijft, de diepe, diepe goorheid, de vuile gore klotetroep die iedere dag opnieuw weer tegemoet moet worden getreden, de pijn en de ziekte van de heroïneverslaafde, de wanhoop van de ex-verslaafde, de vertwijfeling van de afkickende verslaafde, het staat er allemaal zo omdat het zo gebeurt of zo gebeurd is: Welsh heeft doorleefd wat hij zo vlammend optekent. Een dergelijke 'echtheid’ tilt het boek dan wel degelijk naar een hoger niveau.
DE VERHALEN in Acid house hebben een verteller, steeds een ander maar telkens dezelfde, die het leven neemt zoals het is. Dat de dingen kunnen veranderen, is iets wat niet in hem opkomt. Hij woont soms in Amsterdam, soms in Schotland, en hij loopt zijn neus en andere lichaamsdelen achterna.
Opnieuw ontmoet de lezer de al bekende kutlullen, nazi-lullen uit Glasgow 'met een kleine smeerkaaspik en een smoel dat ontsierd wordt door mee-eters, littekenweefsel en gesprongen aders, en hij heeft van dat kroeshaar dat de meeste van die nazi’s hebben, en dat lijkt op getransplanteerd schaamhaar, en hij heeft ook een enorme reet waaruit voortdurend van alles weglekt.’ Opnieuw dwaalt de hoofdpersoon door het leven alsof het tweedehands is.
In het verhaal 'Eurotroep’, bijvoorbeeld, is een Schotse jongen aan het woord, Euan, die naar Nederland is getrokken en bij zijn vriend Rab/Robbie inwoont. Hij is net drie weken van de dope af en doet alsof hij zijn leven wil beteren. Een goed teken: in een boekwinkel besluit hij geen boek te stelen! In plaats daarvan gaat hij naar een donker café, waar hij tot zijn eigen verbazing een vrouw opduikelt. Als zij hem in de ogen kijkt, herkent hij in haar, ondanks haar ogenschijnlijke hartelijkheid, iemand met een instinctieve neiging tot manipulatie.
De vrouw heet Chrissie. Ze is niet de mooiste. 'Het is een gewoonte van mij om ontblote armen te bestuderen. Die van Chrissie waren bedekt met oude spuitgaten; van het soort dat altijd een smerig littekenweefsel achterlaat. Nog opvallender waren de oude snijwonden; te oordelen naar plaats en diepte waren het eerder het soort uit zelfhaat en frustratie aangebrachte japen dan de serieuze zelfmoordvariant. Ze had een open en vrolijk gezicht, maar haar ogen hadden het waterige en bijziende dat eigen is aan traumatici. Ik las haar als een groezelige kaart van alle plekken waar geen mens heen wil: verslaving, zenuwinzinkingen, drugspsychose, seksuele uitbuiting. Ik zag in Chrissie iemand die zich ongelukkig had gevoeld met zichzelf en de wereld en die geprobeerd had zichzelf naar een beter leven te spuiten en te neuken, zonder te beseffen dat ze daardoor haar problemen alleen maar groter maakte.’
Acid house is net als Chrissie: een groezelige kaart van allerlei plekken waar geen mens heen wil. Verhaal na verhaal zet Irvine Welsh een wereld neer die maar weinig mensen kennen, en die dus voor velen fascinerend is: het leven aan de achterkant van de vooruitgang. Een wereld ook waar de meesten van ons intuïtief bang voor zijn. Welsh beheerst als geen ander het idioom van de goot, en vertelt als een meester over het bestaan aldaar. Soms in een paar bladzijden, soms in enkele tientallen, telkens zet hij verhalen neer die rond zijn, die een pointe hebben en bij vlagen spannend zijn.
ALS OPVALLENDE intermezzo’s zijn er de min of meer surrealistische, enigszins droomachtige vertellingen waarin mensenhoofden in een aquarium leven, ziend en horend. De toon is, natuurlijk, overwegend rauw en hard. Omdat het leven dat wordt beschreven rauw en hard is. Hier geen gekoketteer met de duisternis, niks would-be, dit is echt. En dat maakt het soort literatuur dat Welsh schrijft alleen maar indringender.
Welsh’ talent om proza van het dirty realistic soort te schrijven is groot. Of hij ook iets anders kan, moet nog blijken. Want er is een serieuze kans dat men snel uitgekeken zal zijn op deze verbeelding van een wereld die ver weg lijkt maar bij iedereen om de hoek ligt. Die wereld waar men zo snel mogelijk voorbij loopt, waar enge mensen wonen die men zo veel mogelijk mijdt - een wereld, echter, waar niemand zijn ogen voor mag sluiten.
Dat is ook de politieke lading van Acid house: zonder moralistisch te worden of te gaan preken legt Welsh een ouderwets engagement aan de dag, door regelrechte, niet-verliteraturiseerde maatschappijkritiek te leveren. En ook dat is wel weer eens prettig om te lezen.