Een groot kind met een gerimpelde ziel

NEDERLANDSE schrijvers van het mannelijk geslacht die in hun romans of verhalen teruggaan naar hun jeugd, ongeveer de periode tussen kleuterjaren en adolescentie, stellen altijd hetzelfde soort ervaringen centraal, namelijk het ontluiken van de seksualiteit en een tot zekerheid uitgroeiend vermoeden dat er iets ‘aan de hand’ is met vrouwen en hun lichamen. Steevast blikken ze terug op die woensdagmiddagen na school dat ze uit het raam starend opeens zien hoe de buurvrouw aan de overkant haar blouse uittrekt en zwoel dansend voor de spiegel gaat staan om zichzelf te bewonderen.

Steevast wordt dan een wonderlijk gevoel in het onderlichaam waargenomen. Of bij het tikkertje doen op school pakken ze per ongeluk dat leuke meisje uit de klas op zo'n manier vast dat hun vingers een schokkende sensatie ondergaan: de aanraking van jonge borstjes. Of op het grasveld bij het zwembad voelen ze tot hun verbijstering voor de eerste keer hun geslachtsdeel van vorm veranderen, wanneer twee bikinitutjes huppelend voorbij komen giechelen. Na dergelijke momenten zal de wereld nooit meer hetzelfde zijn.
Nadat De Mooiste Vrouw van de Wereld mij een keer opmerkzaam had gemaakt op dit verschijnsel, ging ik er beter op letten. Het bleek waar te zijn, en na verloop van tijd ervoer ik dezelfde irritatie als zij. Jeugdherinneringen worden vaak gedomineerd door enkele scenes die voor mannen hoogstwaarschijnlijk een algemene geldigheid hebben: de eerste erectie, de eerste blote borsten, de eerste kus, de eerste keer dat de jongen de geheime mysterien van het meisje ‘mag aanraken’ en natuurlijk De Eerste Keer. Alsof een mensenleven door slechts die paar verbijsterende momenten van hormonaal terrorisme wordt bepaald, alsof er buiten dat voor niemand dan de verteller zelf interessante geslachtelijk ontwaken helemaal niets bestaat, bederven ranzig pubergekwijl en gefrustreerde jongetjesromantiek meer dan eens een overigens boeiende roman.
Misschien komt het doordat hij geen Nederlander is, maar bij de Vlaming Guido Lauwaert bleek tot mijn opluchting mijn angst ongegrond. Zijn nieuwe roman, Een helder hart, handelt voor het grootste deel over zijn jeugd, en met enige huiver bereidde ik me op het ergste voor. 'Het ergste’ bleef achterwege, want seksualiteit komt slechts een keer terloops ter sprake. In de jongensjaren van de in 1945 geboren auteur was er veel meer aan de hand dan alleen het gieren der hormonen.
Elke jeugd staat in het teken van Voor Het Eerst, wat vanzelfsprekend op veel meer dingen slaat dan alleen de liefde. Lauwaert, op het achterplat liefkozend 'het enfant terrible van de Vlaamse letteren’ genoemd, beschrijft hoe hij opgroeide in de 'vervelende slaapstad’ Mechelen, als kind van eenvoudige doch oprechte ouders.
Zijn geboorte was niet ondramatisch. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, in 1944, kwam vader Lauwaert op een dag niet naar huis. Omdat hij een man van de klok was, iemand die liever drie minuten te vroeg kwam dan op tijd, wekte zijn afwezigheid onrust. Niet ten onrechte, bleek later, want hij was opgesloten in een interneringskamp.
Hij gaf zijn werk als koster op toen hij ging trouwen en meldde zich aan bij de rijkswacht, waar hij tot zijn tevredenheid de wet in Vlaanderen mee mocht helpen handhaven. Na de bevrijding moesten alle verraders het ontgelden, zodat ook agent Lauwaert in de boeien werd geslagen. De arme man was altijd alleen maar geinteresseerd geweest in zijn gezin en hield zich afzijdig van de politiek. Zijn braafheid mocht echter niet baten.
HET MOEILIJKST aan zijn internering was dat zijn vrouw zwanger bleek te zijn, wat ze nog niet was toen hij werd opgepakt. Het bevrijden van Europa was voor veel Engelse soldaten nou eenmaal een inspirerend karwei, dat ze op verschillende indringende manieren aan de plaatselijke bevolking wensten te tonen. Vader Lauwaert was ervan overtuigd dat zijn vrouw hem altijd trouw was geweest, maar in de gevangenis en de stad werd natuurlijk stevig geroddeld. Zou het kind in mei worden geboren, dan was het van hem; duurde het tot juni, dan had hij het vanwege zijn straf niet kunnen verwekken en moest het een Engelsmannetje zijn, fluisterde men. De geboorte was dus nogal beladen.
Alsof de kleine Guido zijn vader direct al een plezier wilde doen, kwam hij ter wereld met een voorkomen dat sterk op dat van papa Lauwaert leek. Rossig. Met sproeten. Vader was blij. Euforisch.
Wat er na die eerste dag 'boven water’ allemaal is gebeurd, beschrijft Lauwaert in Deel I van Een helder hart, 'Eerste jeugd: jeugdjaren’. 'Onze geschiedenis is de geschiedenis van een simpele buurt. De bewoners lazen vlot verteerbare boeken, boeken waar men van gaat dromen maar niet slimmer van wordt. Populaire auteurs waren Karl May, Jules Verne en Charles Dickens. Ook mijn ouders lazen soortgelijke boeken, al kleefde aan hun auteurs een Vlaams-nationaal tintje. De boeken stonden op een rek in de mansardekamer, zaten onder het stof en waren van vermoeidheid in elkaar gezakt, zoals dat de gewoonte was met boeken die op oorlogspapier waren gedrukt en wier kaft bijna net zo dun was als het papier van het binnenwerk. Toen ik ze ontdekte waren ze reeds vergeeld. Filip de Pillecijn, Ernest Claes, Cyriel Verschaeve, Felix Timmermans, Hendrik Conscience, Stijn Streuvels, een zeldzame Cyriel Buysse, hun namen heb ik voor het eerst ontmoet bij een ontdekkingsreis door de rommel van de mansardekamer.’
De jeugd was de tijd van De Eerste Keer. In bomen klimmen, vakantie, gepest worden op school om het haar en de sproeten, met een meisje naar de film, strips en voor het eerst naar de kapper. De onvermijdelijke eerste seksuele ervaring was vrij ongewoon: de twaalfjarige Guido zat op de Katholieke Normaalschool van Mechelen naast Patrick Van Camp. Ze daagden elkaar uit tot het plegen van steeds grovere overtredingen. 'Het was dus normaal dat we uiteindelijk in elkaars broek terechtkwamen.’ De jongens trokken zich terug op het toilet, waar Patrick - die al iets verder was dan de maagdelijke Guido - vakkundig het geslachtsdeel van zijn buurman begon te masseren, eerst nog zonder veel resultaat. Maar al gauw kwam een vreemd gevoel op 'en baande zich met een duizelingwekkende snelheid een weg naar mijn schoot en plotseling loosde mijn piemeltje een papje. Patrick ving het deskundig op - hij had blijkbaar nog andere jongens ingewijd - en likte het papje dat langs zijn vinger gleed op, alsof hij ijscream redde die onder de warmte langs het hoorntje schoof. “Lekker”, zei hij, “eens proeven?” ’
En dat was het wat de seks betreft.
DE JEUGD DIE in deze roman wordt beschreven, is in alle opzichten normaal. Er gebeuren geen grote dingen, ingrijpende veranderingen of hevige drama’s. Sommige mensen gaan dood, anderen worden geboren en ondertussen draait de wereld gewoon door. Lauwaert houdt veel afstand tot zijn verleden. In de voltooid verleden tijd worden anekdoten verteld, herinneringen opgehaald en sferen getekend. Dat laatste is het belangrijkste: niet het pakkende verhaal, de slimme plot of scherpe dialogen dragen de roman, maar vooral de sfeer van de slaapstad, waarin een aantal familieleden en vrienden rondhobbelt. De verteller zegt over zichzelf: 'Mijn geheugen is te zwak voor details. En ik ben nu eenmaal beter in het onthouden van emotionele toestanden dan in het klasseren van technische gegevens.’
Dat hij desondanks nu en dan zeer gedetailleerde beschrijvingen geeft, moeten we hem vergeven. Een helder hart is een ingetogen portret van een jeugd, de vroege jaren van een moeilijke jongen met een ongemakkelijk uiterlijk, die later mensenhater zou worden.
'Nog voor ik tien jaar was, wist ik dat het knokken zou worden, mijn hele leven lang, dat ik er alleen zou voorstaan, tot een zekere hoogte begrip zou kennen maar geen vriendschap. De meisjes van dertien, veertien jaar zagen mij niet staan, welke bloemen ik ook versierd had, welke snoepjes ik ook gekocht had of gestolen in de zuivelwinkel waar ik kluste, of welke popjes ik aan de schiettent gewonnen had. Ze verkozen de mooie jongens, al werden ze aan duizend per uur bedrogen, de mens zoekt de ellende op, van kindsbeen af. Ooit zal ik wraak nemen, neem ik me voor, als elfje, wraak, in naam van al de mijnen. En ik zal doen waar ik zin in heb. Tegen de stroom op.’
In Deel II, 'Tweede jeugd: werkjaren’, wordt beschreven hoe hij doet waar hij zin in heeft, en uiteindelijk als (onder andere) solo-acteur, dichter, toneelschrijver, criticus, dramaturg en essayist succes heeft. Wellicht maakt ook Een helder hart deel uit van de wraak van Guido Lauwaert. Niet met donderend kabaal, woede en agressie, maar rustig, ernstig en subtiel.