A.F.Th. van der Heijden - De helleveeg

Een groot loyaliteitsprobleem

In De helleveeg zoekt A.F.Th. van der Heijden het niet in de diepte, maar in de uitvergroting, en de herhaling. Als zelfstandig deel van de imposante Tandeloze tijd-cyclus is het daardoor net te vrijblijvend.

Medium afth layout

Richard Linklaters prachtige film Before Midnight eindigt (bijna) met een knallende echtelijke ruzie op een chique hotelkamer die het stel door vrienden voor een nachtje cadeau is gedaan, om weer eens tijd voor elkaar te hebben. Hij probeert rustig te blijven, zij schreeuwt. Eerst dat hij, schrijver, haar nooit meer in zijn boeken mag opvoeren. Daarna dat hij ook weer niet zo goed kan schrijven, dat hij vast is vreemdgegaan, dat hij niet moet denken dat hij goed is in bed, en dan, uiteindelijk, dat ze niet meer van hem houdt.

Tijdens de aftiteling waren de meningen verdeeld. Volgens haar zei ze het omdat het de enig mogelijke slotsom was, dat wanneer ze alles in hun huwelijk op een rijtje zette ze tot geen andere conclusie kon komen. Volgens hem, volgens mij zei ze het omdat ruzie zo z’n eigen dynamiek kent, waarbij elke aanklacht de voorgaande dient te overtroeven in gemeenheid. Na zijn schrijven te hebben afgedaan en zijn seks was er nog een overtreffende trap: zijn algehele liefde.

Hoe ontmantel je zo’n explosieve ruzie?

De hoofdpersoon in het nieuwste deel van A.F.Th van der Heijdens _Tandeloze tijd-_cyclus is tante Tiny, de helleveeg uit de titel, een driftige bitch met een schelle stem die vanaf haar vroege tienerjaren op dat overtreffend boze niveau zit en daar niet vanaf komt. Ze is mooi, ze is slim, ze heeft zo’n schoonmaakwoede dat ze nooit gewapend zonder gelige stofdoek het huis verlaat (wat haar de bijnaam ‘tientje Poets’ oplevert) en weet geen vent te houden, omdat die telkens tegen de roddel aanloopt dat ze geen kinderen zou kunnen krijgen. Wat ze zelf ontkent. En haar ouders verwijt.

Waar komt die vijandschap jegens haar ouders en haar zus vandaan, waarom moet ze iedereen het bloed onder de nagels vandaan halen? Aan neef Albert Egberts, nog altijd de spil van de romancyclus, de taak deze vragen te beantwoorden. Na zijn jeugdjaren in Brabant (Vallende ouders), zijn impotente studententijd in Nijmegen (De gevarendriehoek) en zijn leven als junk in gekraakt Amsterdam (Het hof van barmhartigheid) is hij inmiddels een succesvol dramaturg geworden, met een vrouw, een kind en een stiefkind. Albert is een van de weinigen die door tante Tiny niet als vijand wordt gezien, aan wie zij verhaaltjes vertelt in bed, terwijl hij haar als een klein kind chocolade voert.

In een wonderlijk licht gecomponeerde vertelling schieten we moeiteloos door vijftig jaar Brabants familieleven heen, zien we Alberts positie ten opzichte van zijn familie en tante Tiny veranderen (en eng intiem worden), horen we haar steeds nieuwe leugens vertellen en lukt het steeds maar niet die bom van haar cartooneske woede te ontmantelen. We blijven om het geheim heen draaien.

Het werk van Van der Heijden heeft altijd iets repetitiefs gehad – zie de eindeloze gesprekken tussen Remo en Maddox in Het schervengericht, of de aanhoudende drinkgelagen van Ernst Quispel in Advocaat van de hanen. In de beste van die gevallen vullen de herhalingen elkaar aan, wordt de zaak net vanuit een ander perspectief bekeken, wordt iets nieuws aan de orde gebracht. Het maakt het lezen van sommige van zijn boeken – snel, uren achtereen – tot een bijna trance-achtige ervaring. Mede mogelijk gemaakt door een telkens kraakheldere spanningsboog – komt Albert van zijn impotentie af?, ontdekt Movo wie zijn moeder is?, hoe stierf de kraker in de politiecel? – die de romans genoeg suspense gaf opdat Van der Heijden kon herhalen, in de tijd kon springen, kon uitwijden en associëren en lustig kon vertellen, vertellen, vertellen zonder dat de lezer ooit het onderwerp uit het oog verloor en kon genieten van zijn rijke stijl met al die kleine details en levende anekdotes. Maar dat waren forsere boeken, met ruimte tussen de herhalingen in; in De helleveeg zit die ruimte niet, en openbaren de herhalingen van ruzies, dialogen en schreeuwpartijen zelden iets nieuws over Tiny’s wereldwoede. Het vreemdste is dat ook Van der Heijden soms vastloopt in zijn proza, met alinea’s als: ‘Het viel me op dat Tiny’s gezicht nu onafgebroken kwaad stond. Ze deed geen enkele keer haar best om de woede onder een valse glimlach of een clowneske uitdrukking te verbergen. Ik kende mijn tante goed genoeg om aan te voelen dat het gif bij haar aan het gisten en opborrelen was: de eruptie kon niet lang meer op zich laten wachten.’

Dat ‘Het viel me op’ is al wat lelijk, want we hebben hier een ik-verteller, dus alles wat hij vertelt valt hem op, en bovendien is wat hem dan opviel (haar onafgebroken kwade gezicht) niet echt een observatie van-heb-ik-jou-daar; ‘ik kende mijn tante goed genoeg’ heeft ook iets raar overbodigs, want Albert is immers het hele boek al over haar aan het vertellen. De alinea staat op bladzijde 155; uit al het voorgaande blijkt dat Tiny permanent geïrriteerd is en dat nooit eens weet te verbergen. Het is alsof je een boek over Nelson Mandela schrijft en op bladzijde 155 nog eens benadrukt dat hij zwart is. Op andere momenten is de stijl weer too much: ‘Ja, Tineke was een soort heilige. Maar niet voor wie, zoals ik, haar gewijde handelingen al tientallen jaren onder een zelfgeschapen mensenmicroscoop bestudeerde.’ Voor iemand als Van der Heijden, in wiens kolossale oeuvre nog geen dozijn saaie alinea’s te vinden is, is dit behoorlijk geforceerd schrijven: ‘gewijde handelingen’ is al vettig, het zelf feliciterende ‘zelfgeschapen mensenmicroscoop’ is wel heel opgepoetst. Alsof Van der Heijden in zijn stijl manieren zoekt om zijn onderwerp groter te maken dan het daadwerkelijk is, alsof hij zelf ook aanvoelt dat het mysterie van de al dan niet vruchtbare baarmoeder van Tiny niet interessant genoeg is om een hele roman te dragen.

Misschien ging De helleveeg Van der Heijden in eerste instantie nooit echt om tante Tiny met d’r stofdoek, maar zocht hij een deur om zijn Tandeloze tijd weer binnen te treden. Het treffendst zijn opnieuw die momenten dat Van der Heijden stilstaat bij zijn personages en hun eigenaardigheden. Het zachte suizen tussen de tanden van Alberts moeder als ze lacht, de stem van Tiny die klinkt als een kind dat iemand er onterecht van probeert te overtuigen dat een ander kind iets heeft afgepakt, de man die niet boos is omdat hij beschuldigd wordt van het vaderen van buitenechtelijke kinderen, maar omdat hem minder buitenechtelijke kinderen worden aangerekend dan het er daadwerkelijk zijn. Het zijn de observaties die op het oog iets zeggen over een groep individuen die een familie vormen, maar uiteindelijk steeds meer een portret geven van een tijd en een sociale klasse: de angst voor een afkeurende blik van de buren, het vanzelfsprekende ontzag voor mensen met nette banen, het vaste patroon waarbinnen een relatie moet verlopen, de aandrang alles wat afwijkt onder het tapijt te vegen, de familieverplichtingen die broers, zussen en ouders aan elkaar verbinden zonder dat ze dat zelf echt willen. Albert aanschouwt al die herhalende ruzies niet omdat de personages hem van kinds af aan interesseerden, maar omdat hij geen manier heeft om aan ze te ontkomen. Als De helleveeg iets uitbeeldt, dan is het dat het een fabeltje is om terug te verlangen naar de tijd waarin het gezin de hoeksteen van de samenleving was. Familie is, in de woorden van Albert, ‘één groot loyaliteitsprobleem’.

Uiteindelijk wordt Tiny’s geheim gemakkelijk onthuld, wat de mooiste, warmste scène van de roman oplevert, waarin je maar weer ziet hoe goed Van der Heijden zijn personages en hun wereld kent. Het is een moment van zusterlijke solidariteit, waaraan door de ouders een einde wordt gemaakt. Reputaties moeten worden bewaakt, kleine meisjes moeten hun mond houden.

In interviews de afgelopen weken zei Van der Heijden dat hij sinds het noodlottige overlijden van zijn zoon Tonio lijdt aan wat hij ‘verschaming’ noemt: alle dingen waarvan hij ooit dacht dat ze glans hadden, treft hij nu alleen nog verschraald in zijn geheugen aan. Als gevolg daarvan zou hij grimmiger zijn gaan schrijven, minder frivoliteit toelaten. Veel recensenten lazen De helleveeg prompt met alleen die bril op (wat een macht, als je zo zelf de randvoorwaarden van je eigen literaire ontvangst kunt scheppen) en kwamen tot de conclusie dat, inderdaad, deze roman een stuk grotesker was dan eerdere boeken, minder frivool, venijniger. Maar in dat venijnige is iets verloren gegaan: de kunst van de vorige Tandeloze tijd-_delen was toch dat de problemen en persoonlijkheden van de hoofdpersonen altijd omgeven werden door de problemen en persoonlijkheden van die eindeloze stoet bijfiguren en passanten, de romans werden collages, er werd laag op laag aangebracht. In _De helleveeg zoekt Van der Heijden het niet in de diepte, maar in de uitvergroting; niet in de veelvoud, maar in de herhaling. Het gevolg is dat je tot een conclusie komt die zowel voor de lezer als voor de schrijver onbevredigend uitpakt, namelijk dat als De helleveeg van de hand van een andere auteur zou komen het een lovenswaardig los gecomponeerd maar hecht geschreven portret van de familiefeeks was geweest, maar dat het als zelfstandig deel van die imposante _Tandeloze tijd-_cyclus net te overdreven, en daardoor te vrijblijvend is.