Een groot

José Saramago
Het verzuim van de dood
Uit het Portugees (As intermitências da morte, 2005) vertaald door Maartje de Kort
Meulenhoff, 222 blz., € 18,50

Vanaf nieuwjaarsdag gaat er in dit land geen mens meer dood. Consternatie alom wanneer men begint te beseffen wat hiervan de gevolgen zullen zijn. En niet te vergeten de consequenties voor diverse bedrijfstakken, zoals de katholieke kerk, immers zonder dood geen verrijzenis en zonder verrijzenis geen kerk. Ziekenhuizen en bejaardentehuizen raken zonder natuurlijk verloop overbelast; begrafenisondernemingen raken aan de grond wanneer ze alleen nog maar dieren ter aarde kunnen bestellen; levensverzekeringen worden niet meer afgesloten, et cetera. De Portugese schrijver Saramago neemt het hele rijtje van praktische gevolgen door en vergeet niet de aanhangende theologische en filosofische vraagstukken te behandelen. En wat te doen met de stervenden? Vindingrijk als mensen zijn brengen sommigen hun terminale familieleden over de grens, waar ze onmiddellijk sterven, en begraven ze thuis. Bejaarden die dit uit vrije wil doen, zijn voor de regering zelfmoordenaars. Als een organisatie, maphia met ph, het karwei grootscheeps aanpakt, worden er troepen aan de grens gestationeerd. Doorslaggevend is de ordinaire vraag wie straks de zich opeenhopende pensioenen gaat betalen – het probleem van de vergrijzing in het kwadraat.

Net als in vorige boeken als De stad der blinden en De stad der zienden schept het politieke enfant terrible Saramago (1922) er een sardonisch genoegen in te laten zien hoe een regering in zo’n ongewone toestand stoethaspelt en miskleunt of gewoon criminele trekken krijgt. Mooie gelegenheid ook om te schmieren; ongerijmdheden wuift de schrijver met een los handje weg. Maar de dood zelf doorbreekt de impasse, door een handgeschreven brief – volgens grafologen geschreven door een jonge vrouw – waarin zij aankondigt dat er weldra weer gestorven gaat worden, zij het dat voortaan iedereen een week van tevoren een aanzegging thuisbezorgd krijgt, in een paarse envelop. Dan wordt het een heel ander verhaal tussen twee personen, namelijk wanneer de dood, die wekelijks duizenden enveloppen verstuurt – hoe, dat doet er niet toe – er één terugkrijgt. Als die tot vier keer toe op haar bureau fladdert, gaat zij geprikkeld maar ook nieuwsgierig op zoek naar de geadresseerde: een van niets wetende cellist, een alleenwonende vijftiger. Dat wordt een uitgesponnen flauw sprookje. De aanpak van Saramago is toch al hachelijk door een hele roman op te hangen aan één idee, één ‘als’: stel dat de dood staakt (eerste helft van de roman), of haar macht gaat misbruiken door uitstel en persoonlijke willekeur (tweede helft). Zelfs een Saramago houdt zo’n omgekeerde piramideconstructie maar bij vlagen in evenwicht.