Basuki Gunawan

Het is natuurlijk niet zo dat politiek nooit eerder een rol speelde in het circus rond verhalende literatuur. In 1953 ontving de dichteres Ellen Warmond de Reina Prinsen Geerligsprijs (voor jonge schrijvers van 20 tot 25 jaar) voor haar debuutbundel Proeftuin. Interessant is dat een zekere Basuki Gunawan voor zijn novelle Winarta met een eervolle vermelding werd onderscheiden. Zeg maar: hij had de shortlist gehaald. Zijn novelle Winarta was als feuilleton verschenen in het literaire tijdschrift De Nieuwe Stem, maar geen uitgever waagde het om die in boekvorm uit te geven.

Als een Indonesiër met een nota bene in het Nederlands gestelde novelle komt, die zich afspeelt tijdens de Indonesische revolutie, dan is dat een loepzuivere postkoloniale tekst tussen allerlei varianten die onder die noemer vallen. In het nieuwste overzichtswerk De postkoloniale spiegel (2021) wordt in het voorwoord melding gemaakt van speurtochten naar in het Nederlands gesteld proza van Indonesiërs. Geen van de 26 medewerkers vond meer dan twee boeken, geschreven vóór de Indonesische revolutie. Rudy Kousbroek, die klaagde over een gebrek aan Nederlandstalige literatuur geschreven door Indonesiërs, zocht destijds ook al niet goed. Eigenaardig toch, want De Nieuwe Stem schonk veel aandacht aan (post)koloniale geschriften en citeerde ruimschoots Basuki Gunawan, die in 1966 klaagde over racisme in Nederland jegens Indonesiërs (zie dbnl).

Op 16 februari twitterde bijzonder hoogleraar (post)koloniale literatuur Remco Raben over Basuki Gunawans novelle Winarta: ‘Je kunt twaalf loodzware boeken over oorlog en revolutie lezen, of een roman pakken.’ Hij vond de novelle ‘mooi’. ‘Meesterlijk’ is passender. Enerzijds suggereert hij dat De postkoloniale spiegel, waar ook hij aan heeft meegewerkt, een ernstig hiaat vertoont; anderzijds maakt hij niet direct reclame voor dat opgeklopte onderzoek van het Niod, het nimh en het kitlv, zeg maar de Excessennota 2.0 die in twaalf delen tot ons komt, waar je flink wat geld voor moet neertellen en wat je allemaal nog moet lezen ook.

Dit is het verhaal over een grote geest voor wie het bestaan meer is dan het leven op aarde

Er gaat niets boven fictie. Leven is beleving. Fictie brengt beleving. Over de Indonesische revolutie is wel wat Nederlands proza geschreven dat vaak de pers niet haalde, en wie eventjes zoekt komt terecht bij Lin Scholte, F. van den Bosch, Vincent Mahieu, Paula Gomes enzovoorts, maar niet bij een Indonesische schrijver en al helemaal niet bij iemand die zich moeiteloos kon meten met een jonge Pramoedya Ananta Toer. Een groot talent waar Nederland destijds niet bepaald op zat te wachten. Liever lazen ze tempo-doeloe-proza. Ja, ook Indische Nederlanders.

Wat behelst het boek? Wie schreef het? Wat spookte die man hier in Nederland uit? Basuki Gunawan wordt in 1923 geboren op Midden-Java en doorloopt de Hogere Indische Kweekschool. Na de Japanse bezetting wordt hij tijdens de Indonesische revolutie lid van een guerrilla-eenheid, die opereert tegen de Nederlandse overheerser. Later komt hij met de eerste lichting Indonesiërs met een studiebeurs naar Nederland, om uiteindelijk aan de UvA te promoveren in de sociologie, wat zijn vakgebied zal blijven. Vroeg in de jaren vijftig belandt hij in een sanatorium in Laren, waar hij tijdens zijn herstel de novelle Winarta schrijft (nu dan eindelijk uitgegeven, door Alfabet). Hij trouwt, krijgt twee dochters en maakt van Nederland zijn thuisland, al zal hij altijd zijn Indonesische paspoort behouden.

Veel heeft hij niet geschreven. Misschien had hij dat wél gedaan als zijn novelle Winarta een uitgever had gevonden. De Indonesische revolutie, beschreven vanuit het perspectief van een Indonesiër, daar was men in 1954 in elk geval nog niet aan toe, en nu feitelijk nog maar half; liever beschrijft men die zelf dan simpelweg overgaan tot het vertalen van boeken van Indonesische historici. Ja, de ‘Indische melkkoe’ van Busken Huet loeit nog altijd.

De novelle, of korte roman, lijkt niet van een erg jonge, eerder van een ervaren schrijver te komen, zo beheerst is het geconstrueerd en geschreven: een bedrieglijk eenvoudig verhaal vol fijnzinnige humor, diepzinnige bespiegelingen en onaangename scènes. De hoofdpersoon vindt zijn ouders door een eenheid van vijftien soldaten vermoord, loopt tbc op, verlaat amper hersteld het sanatorium, laat zijn studieplannen voor wat ze zijn en meldt zich bij een verzetseenheid. Hij klimt op in rang, snijdt spionnen (m/v) eigenhandig de strot door, fusilleert leden van communistische gevechtseenheden, saboteert een munitieopslagplaats van ‘de vijand’ en duikt onder bij een hoer, bij wie hij zijn afkeer voor alcohol vergeet. Met haar deelt hij filosofische kwesties en in haar bordeel bereikt hij als het ware ‘de verlichting’ (een boeddhistisch motief). De hoofdpersoon bevraagt zijn oorlogshandelingen voortdurend, is wijs in al zijn hardheid en gebruikt nergens het woord ‘belanda’s’, maar ‘de vijand’. Zijn haat is gevoed door de moord op zijn ouders, niet door een afkeer van de koloniale onderdrukkers, en zijn gedachtegang tijdens zijn strijd ontstijgt zelfs de oorlog. Dit is het verhaal over een grote geest voor wie het bestaan meer is dan het leven op aarde. Dit is hét vervolg op Hella Haasses novelle Oeroeg van vijf jaar eerder, is van een hogere literaire orde ook nog; het heeft zeventig jaar geduldig liggen wachten en wij mogen dit juweel nu gaan lezen.