Eén grote duivenorgie

MERCÈ RODOREDA
COLOMETA
Uit het Catalaans vertaald door Adri Boon
Meulenhoff, 232 blz., € 18,90

Niet zomaar een herdruk, maar een gloednieuwe vertaling van de ook in Nederland succesvolle roman Colometa (De Bezige Bij, 1987) van de Catalaanse schrijfster Mercè Rodoreda (1908-1983) verscheen vorig jaar bij Meulenhoff. Het plaatje op het omslag van het boek van een Spaanse militiesoldaat met zijn meisje suggereert een vrolijke liefdesroman, maar niets is minder waar. Merkwaardig genoeg stelt Rodoreda in haar nawoord, met enige nadruk nog wel, ook dat La plaça del Diamant (titel in het Catalaans) gezien moet worden als een liefdesroman. Ze haalt hierbij wel enige versregels uit De hel van Dante aan.
Colometa verhaalt de geschiedenis van verloving, huwelijk, weduwschap en tweede huwelijk van Natàlia, in het tijdvak van kort voor het uitroepen van de Spaanse Tweede Republiek (1931), de Burgeroorlog (1936-1939) en de naoorlogse periode tot ergens in de jaren vijftig. Op een pleinfeest wordt het jonge meisje Natàlia, dat in een banketbakkerswinkel werkt, door Quimet, een timmerman, ten dans gevraagd. Hij voorspelt haar dat zij binnen een jaar met elkaar getrouwd zullen zijn, en willoos laat zij zich dat aanleunen: ‘En de ogen tegenover me lieten me geen moment los alsof de hele wereld alleen nog uit die ogen bestond en ik er onmogelijk aan kon ontsnappen.’ Quimet doopt haar diezelfde avond nog om in Colometa, ‘mijn kleine duif’, zo voegt hij eraan toe, waarmee hij haar haar echte naam afneemt en tevens haar persoonlijkheid, haar identiteit en eigenlijk haar leven.
Als Colometa verdraagt ze hem, zijn grillen, de huwelijksnacht die een week duurt, de helse pijnen waaronder ze zijn kinderen baart, een jongen en een meisje, en zijn duiven, wel veertig paren, op het dakterras. Als ze uit werken moet gaan omdat het met het bedrijf van Quimet slecht gaat, en de kinderen, die nog klein zijn, thuis moet achterlaten, merkt ze dat gaandeweg het hele huis in bezit wordt genomen door de duiven en de kinderen tezamen in één grote duivenorgie. Colometa’s eerste daad van verzet is het stelselmatig stukmaken van de duiveneitjes. Haar duivenrevolutie valt samen met de revolutie op straat, de Burgeroorlog is begonnen en in Barcelona nemen de arbeiders het heft in handen. Quimet en zijn vrienden vertrekken naar het front, waardoor Colometa er nu helemaal alleen voor staat. Bovendien wordt ze door de rijke mensen bij wie ze werkt ontslagen.
Naarmate de oorlog voortduurt, krijgt Colometa het steeds moeilijker. Als het ten slotte vrede is geworden geldt dit niet voor de verslagenen in de oorlog. Colometa en de haren horen bij de verkeerde partij en behalve het gouden horloge dat Quimet na zijn dood aan het front aan haar nalaat, heeft ze niets meer om van te leven. Ten einde raad besluit ze haar kinderen en zichzelf, in een vage parallel met de duiven, ter dood te brengen, met zoutzuur. Ze wordt op het nippertje gered door de drogist bij wie ze het zoutzuur haalt. Ook hij is getekend door de oorlog. Hij heeft aan het front niet zijn leven maar wel zijn mannelijkheid verloren. Deze Antoni vraagt haar, Natàlia, met hem te trouwen, zodat hij dan toch een gezin heeft. Haar materiële zorgen zijn voorbij, maar nog jarenlang wordt ze geteisterd door haar trauma’s, pleinvrees, en nare dromen. Stukje bij beetje bouwt ze een eigen identiteit op en door haar verleden met de duiven te vertellen aan andere vrouwen in het park, steeds maar weer, herschrijft ze haar geschiedenis, hervindt ze haar eigen stem. De roman eindigt met het woord: tevreden. Meer zit er niet in.
Het boek is een lange toonloze monologue intérieur, waarin de hoofdpersoon Natàlia terugblikt op haar leven. De gebeurtenissen spreken voor zichzelf. Vrijwel nooit is er sprake van schrik, ontzetting of woede, emoties waarvoor in de roman alle aanleiding is. Wat dat betreft vertoont het boek sterke gelijkenis met de Franse nouveau roman uit de jaren vijftig, waarvan Rodoreda zeker kennis had genomen. De schrijfster had in haar persoonlijk leven alle hoeken gezien van de oorlogsellende, eerst in Barcelona tijdens de Burgeroorlog. Vervolgens was zij als zo veel Spaanse intellectuelen en kunstenaars uitgeweken naar Frankrijk, waar ze tijdens de Tweede Wereldoorlog vertoefde. Pas in Genève, waar ze in 1954 min of meer bij toeval ging wonen, kwam ze tot rust. Daar kon ze zich helemaal wijden aan het schrijven, waarmee ze al in de jaren dertig was gestart. Colometa schreef ze in 1960, toen ze al over de vijftig was en haar schrijverschap duidelijk gerijpt. Het boek wordt algemeen als haar meesterwerk gezien, beleefde in Spanje zeer veel herdrukken, en werd in meer dan twintig talen vertaald.
De wederwaardigheden van de hoofdpersoon worden op een eenvoudige manier verteld. De onderdrukking, de duivennachtmerrie, de oorlog, de honger; Natàlia noteert simpelweg en onopgesmukt wat ze meemaakt, soms kriskras door elkaar, van de hak op de tak. Maar elk woord is raak, de beelden waarmee ze situaties en gebeurtenissen beschrijft zijn prachtig, waardoor Colometa een ontroerend en adembenemend mooi boek is.