Een grotere wereld

Tove Ditlevsen thuis in Kopenhagen. Mei 1959 © Per Pejstrup / Ritzau Scanpix / ANP

In de woning van het arbeidersgezin waarin Tove opgroeit, in het Kopenhagen van de vroege jaren twintig, hangt het portret van een zeemansvrouw die uit het raam staart. Met dit schilderij opent Tove Ditlevsen (1917-1976) Kindertijd (1967), het eerste deel van haar memoires, die samen de Kopenhagen-trilogie vormen. Op die eerste pagina’s schetst Ditlevsen een ochtend in haar vroege jeugd, toen ze de dagen nog alleen met haar moeder doorbracht, zonder haar vader of oudere broer. In de korte scène zien we al iets van wat de rest van haar kindertijd, en het gelijknamige boek, zal typeren, namelijk haar grote fantasie, die haar enerzijds doet wegdromen bij de wereld die zich buiten haar raam ophoudt en die haar anderzijds, net als de zeemansvrouw, doet vrezen voor de toekomst.

Tove’s moeder ziet hoe haar dochter in vervoering wordt gebracht door het schilderij en barst in lachen uit. Tove – ze is pas vijf jaar oud – lacht mee en neemt zich voor om het schilderij voortaan te negeren. Ook dat is een voorbode van de rest van haar jeugd. Haar levendige verbeeldingsvermogen zal haar steeds meer vervreemden van haar familie en milieu. Dus past ze zich aan, spiegelt ze haar omgeving en houdt ze haar ware gevoelens verborgen.

Kindertijd is een compact boek. In achttien korte hoofdstukken worden we door Tove’s jeugd heen geleid, die zich afspeelt op de binnenplaats waar de buurtkinderen zich verzamelen, op school en in winkels, bij de buren die ze met haar moeder bezoekt. Dat compacte, en ook Ditlevsens heldere, enigszins afgemeten stijl, weerspiegelen de beperkingen van Tove’s wereld. ‘Ik weet niet of er andere straten zijn, andere binnenplaatsen, andere huizen en andere mensen’, schrijft Ditlevsen vanuit het perspectief van haar jongere zelf. ‘Tot nu toe ben ik niet verder gekomen dan de Vesterbrogade als ik drie pond gladde aardappels moest kopen bij de groenteboer.’

Tove verlangt naar een grotere wereld, waarvoor ze aanknopingspunten vindt in de boeken die ze leest (het liefst volwassenenliteratuur, want kinderboeken vindt ze saai) en de spaarzame afbeeldingen die ze onder ogen krijgt, zoals het portret van de zeemansvrouw. Ze heeft, denkt ze, ‘niets op met de werkelijkheid’. Binnen in haar vormen gedichten zich intussen als een ‘woordenslinger’, maar ze weet dat die haar nog verder zullen verwijderen van haar omgeving. Dus draagt ze een masker van onnozelheid (‘Ik doe mijn mond een stukje open en tover een lege blik in mijn ogen’), zoals alleen ‘heel geniepige’ kinderen doen. En als ze bij Ruth is, haar onbevreesde vriendin, verandert ze zichzelf in ‘een echo van haar’. ‘Al die tijd dat we bevriend zijn, ben ik bang dat ik mezelf in Ruths bijzijn verraad. Ik ben bang dat ze ontdekt hoe ik echt ben.’

‘Als ik aan de toekomst denk, stuit ik overal op een muur’

Zo onopgesmukt als de titel van Ditlevsens memoires lijkt, zo onverwacht en origineel zet ze het begrip kindertijd telkens in als metafoor: de kindertijd als doodskist, lang en smal; de kindertijd die stinkt, bij de een meer dan de ander; de kindertijd die trilt van angst en op zijn tenen probeert te ontsnappen. Beklemmende beelden zijn het, die je naarmate het boek vordert steeds vaker naar adem doen happen.

Subtiel, in bedrieglijk eenvoudige taal, maakt Ditlevsen invoelbaar hoe Tove wordt ingesloten door haar milieu. De woning wordt krapper naarmate de kinderen groter worden, Tove’s ouders begrijpen haar steeds slechter, de buren houden iedereen in de gaten. En intussen werpt de toekomst een constante schaduw over het heden. Van de kinderlokker die zich ophoudt op de binnenplaats tot de consequenties van ongewenste zwangerschap en de rosse buurt waar Tove en Ruth nieuwsgierig rondkijken, openbaart seks zich als een doembeeld, zeker voor vrouwen. Bij Tove in de buurt willen alle meisjes na hun belijdenis ontmaagd worden, en daarna trouwen met een degelijke man. ‘Ik wil niet aan die traditie meedoen’, denkt Tove. ‘Ik wil geen “evenwichtige ambachtsman die direct naar huis komt met zijn weekloon en niet drinkt”. Dan word ik nog liever een oude vrijster, iets waarbij mijn ouders zich waarschijnlijk zo langzamerhand ook hebben neergelegd. Mijn vader heeft het altijd over “een vaste dienstbetrekking met pensioen” als ik klaar ben met school, maar dat lijkt me net zo afschuwelijk als de ambachtsman. Als ik aan de toekomst denk, stuit ik overal op een muur.’

In Kindertijd heeft iedereen het zwaar – Tove’s vader is werkloos, haar broer Edvin gaat gebukt onder de verwachtingen van zijn ouders –, maar als je de wereld bekijkt door meisjesogen, hebben vrouwen het het zwaarst. Hier manifesteert het vrouwzijn zich als horror: het verraad van het lichaam dat weldra rijp is voor seks en zwangerschap; de boezem die volgens Tove van invloed is op je slagingskans op de arbeidsmarkt; de buurvrouw die het appartementengebouw wordt uitgejaagd, volgens Tove’s moeder enkel omdat ze mooi en alleenstaand is; het buurmeisje dat een buitenechtelijk kind krijgt; al die drinkende mannen.

En er is Tove’s moeder zelf, een grillige, gefrustreerde vrouw, wier levenslust knakte toen ze zwanger werd en gedwongen werd te trouwen en huisvrouw te worden. Iets wat ze, zo impliceert Ditlevsen, haar kinderen kwalijk neemt.

Wat zo knap is aan Kindertijd, een boek om in één adem uit te lezen, en daarna meteen nog een keer, is dat dit sombere tijdsbeeld zich niet vertaalt naar gitzwart of juist sentimenteel proza, maar naar een stijl die zowel fris is in zijn lichtheid als zwaar van zorgen. De stem die we horen is kinderlijk en volwassen, kwetsbaar en sterk, het is de stem van iemand die alles hier en nu beleeft en die er tegelijkertijd van een afstand naar kijkt, en alles overziet.

En dat allemaal in die fijne, compacte vorm. Een kleinood.