Uit het oog (4)

Een gulzig kijken

Speciaal voor de ongelukkige nimf Perimèle liet Henri Van Cutsem een museum bouwen. De schilder Léonce Legendre liet haar levenloos aanspoelen op de kust van Capri.

Léonce Legendre, Perimèle, nymphe de Capri, 1864. Olieverf op canvas, 115 X 215 cm © Musée des Beaux-Arts de Tournai

Perimèle. In 1864 spoelt ze aan op het doek van de Brugse kunstschilder Léonce Legendre. Levensgroot en naakt, omringd door kalkskeletten en schelpen, ligt ze in de branding. Haar haren aaneen geklit als wieren. Haar armen slap van het spartelen. Het is niet duidelijk of ze bewusteloos is, of verdronk. Ze heeft hoe dan ook heel mooie, zorgvuldig geronde borsten. Rond haar knieën tekent zich een weekmakende schaduw af – zou ook huidverkleuring kunnen zijn door het gebrek aan zuurstof in geval van verdrinking.

Op meer dan één manier is Perimèle verdwenen. Welgeteld twintig versregels wijdt Ovidius in zijn Metamorfosen aan haar noodlot en uitgerekend van haar verhaal werd de tekst onvolledig overgeleverd. Bovendien wordt slechts terloops, als een anekdote in een ander verhaal, over haar bericht. Daarbij wordt wat haar overkwam verteld vanuit het standpunt van diegene die haar geweld aandeed.

We weten niet zeker hoe haar dader, de riviergod Acheloüs, eruitziet. In de iconografie wordt hij op drie verschillende manieren beschreven: als een stier met een mannenhoofd, als een stiervormige centaur, of als een meerman met flapperende vissenstaart. In elk geval groeit ergens uit zijn hoofd een nadrukkelijke hoorn.

Wanneer Theseus, de gebruikelijke held op terugkeer naar Athene, onderdak zoekt voor een storm, ontvangt Acheloüs hem in zijn majesteitelijke grot. De wanden zijn opgetrokken uit poreus puim en ruwe tufsteen, het plafond versierd met parelschelp en purperslak. Op een comfortabele vloer van vochtig mos ligt het gezelschap, terwijl dienstbare nimfen een maal serveren. Wijn vloeit uit parelmoeren bekers en uitbuikend wisselen de mannen verwezenlijkingen uit. Theseus heeft net een jacht volbracht. Acheloüs pocht dat hij wraaklustiger is dan de godin Diana en illustreert dat met een voorbeeld: op een dag hadden enkele waternimfen het gewaagd een dansfeest te houden in zijn grot. Alle goden waren uitgenodigd, behalve Acheloüs. Vanzelfsprekend had hij zich laten gelden. Met land en al had hij de ondankbare wichten de zee ingesleurd en nu lagen ze daar, afgericht en omvat door aarde, in de verte als eilanden.

Theseus is onder de indruk van zijn daadkracht en vraagt, wijzend naar het verstgelegen eiland, door.

‘Dat is Perimèle’, zegt Acheloüs, plots op zachte toon. ‘Ik had haar lief en heb haar verkracht.’

Hij vertelt er niet bij dat Perimèle de dochter van zijn zoon Hippodamus en bijgevolg zijn kleinkind is. Wanneer haar vader ontdekte van wie het meisje zwanger was, schopte hij haar van een rots de woeste zee in. Opa Acheloüs, nog steeds gek op haar, zag Perimèle een gewisse verdrinkingsdood tegemoet gaan en smeekte Neptunus om haar vaste grond te geven. Daarop veranderde Neptunus de spartelende Perimèle in een eiland waar Acheloüs sindsdien naar believen op kan gaan ‘rusten’.

In het schilderij van Legendre is de ongelukkige nimf niet omgetoverd tot een pleziereiland, maar spoelt ze levenloos aan op de kust van Capri. Het is de vraag in welke van de twee versies ze slechter af is.

Het doek bevindt zich vandaag in het Museum voor Schone Kunsten in het Belgische Doornik, maar daar had het bijna niet gehangen. Perimèle’s beeltenis ondervond net als haar vertelling weerstand in de overlevering.

‘De Belgische Staat zal de schenking aanvaarden, op voorwaarde dat het “blote doek” uit de collectie verwijderd wordt’, stelde destijds de bevoegde hoge ambtenaar.

Henri Van Cutsem (1839-1904), Brussels hotelerfgenaam en mecenas, had zijn halve leven gewijd aan het samenbrengen van de kunstwerken in zijn private verzameling. Hij was niet van plan om concessies te doen.

‘De schilder van wat u “het blote doek” noemt, heeft de prestigeuze Prix de Rome mogen ontvangen’, verduidelijkte hij.

‘Te aanstootgevend’, oordeelde de bevoegde hoge ambtenaar.

‘De Belgische Staat zal de schenking aan-vaarden, mits het “blote doek” verwijderd wordt’

Alles, of niets, en voorzeker geen censuur. Van Cutsem trok het legaat terug en gaf bevriend architect Victor Horta (1861-1947) prompt de opdracht een nieuw museum te ontwerpen waar hij zijn volledige collectie kon onderbrengen.

Ver genoeg van de hoofdstad, net onder de taalgrens en op een boogscheut van Frankrijk vond Van Cutsem – na een gulle schenking van zijn hand die nagenoeg alle kosten dekte – de stad Doornik bereid om de bouw van het museum te financieren.

Koste wat het kost wilde Van Cutsem voor zijn dood de publieke toegankelijkheid van zijn collectie verzekerd zien. De schilderijen vroegen erom. Naast eigentijdse werken van Belgische kunstenaars als James Ensor, Fernand Khnopff en Rik Wouters bevat de collectie-Van Cutsem ook stukken van beroemde Franse impressionisten: Claude Monet, Edouard Manet, Henri de Toulouse-Lautrec en George Seurat. Een van de weinige tekeningen die Vincent van Gogh bij leven verkocht, werd door Van Cutsem aangekocht: Olijfbomen in Montmajour (1888) – een door de mistralwind opgeschud tafereel van knisperend gras en ruisende bomen, vervaardigd met een fijne rietpen die de tekening de sfeer van Japanse etsen geeft.

Van Cutsem was niet alleen een verwoed verzamelaar, ook speelde hij een sleutelrol in de totstandkoming van de bloeiende Belgische belle époque-scene in de tweede helft van de negentiende eeuw. Naast financiële steun verzekerde hij de kunstenaars in zijn vriendenkring van medische zorg. Twee keer per jaar keerde hij reisbeurzen uit. Aan zijn herenwoning in de Brusselse rand liet hij galerijen aanbouwen waar beginnende kunstenaars konden tentoonstellen. De salons, concerten en diners die hij organiseerde in zijn buitenverblijf in Blankenbergen vormden een bruisende ontmoetingsplek. De vele steuninitiatieven en de uitbouw van zijn indrukwekkende verzameling verraden Van Cutsems hart voor de kunst, maar evengoed bood zijn toewijding hem houvast tegen de persoonlijke tragedie van zijn leven.

Op 35-jarige leeftijd verloor hij zijn broer, zijn zoontje en zijn echtgenote Laure. ‘De schone kunsten’ hebben hem naar eigen zeggen gered van verwoestend verdriet.

Aan het einde van zijn leven wilde hij dat anderen dezelfde kans kregen zich door kunst getroost te voelen. Het zou de weigering om Legendre’s Perimèle achterwege te laten kunnen verklaren. Alles of niets. De plannen voor het museum werden vlak voor Van Cutsems dood in 1904 goedgekeurd.

Uit het oog

Zolang de musea in Nederland nog dicht zijn en de musea in het buitenland onbereikbaar, kijken schrijvers vooruit naar de kunst die ze als oude vrienden willen weerzien zodra het virus dat toelaat. Uit het oog, maar niet uit het hart.

Wie Perimèle vandaag wil zien, moet goed zoeken. Om de doorstroom van bezoekers te garanderen en de nodige afstand te bewaren krijg je bovendien slechts een tijdslot van zestig kostbare minuten in het museum toegewezen. Ondanks het reserveringssysteem is het druk, drukker dan normaal.

‘De mensen weten niet meer waar anders naartoe’, zucht de vrouw achter de ticketbalie. Naast winkelen is een museumbezoek de enige binnenactiviteit die momenteel is toegelaten. Bovendien heeft een museum, in tegenstelling tot winkels, sanitaire voorzieningen, waardoor het een hoognodige tussenstop vormt voor dagtrippers die nergens anders naar het toilet kunnen. ‘Ik moet erbij zeggen dat de leidingen verstopt zijn en u geen gebruik zal kunnen maken van de toiletten.’

Ik knik vol begrip, verwens de meeneemkoffie die ik vooraf gedronken heb en loop langs de balie naar het centrale atrium. Een monumentale hal, overgoten door het licht dat rijkelijk door de glazen dakoverwelving naar binnen valt en zich voortzet in de transparantie van het grondplan: vanuit de centrale hal heb je zicht op alle kapelzalen rondom. De trap naar de eerste verdieping, met de Chinees aandoende ballustraden, is afgesloten. Hier en daar staan emmers om binnensijpelend regenwater op te vangen. In de brochure lees ik dat niet alle werken tentoongesteld kunnen worden omwille van problemen met de luchtvochtigheid. Het museum is slecht onderhouden en de plannen voor de aanbouw van een nieuwe vleugel lopen vertraging op. Ik zet koers naar het ‘blote doek’ van Legendre.

De collectie is een gulzig kijken. Een hevige wind waait door het doek La Pointe du Cap Martin (1884) van Monet en veegt het azuurblauwe, opslaande water tegen de paarsroze kliffen. Een besnorde man oefent zijn versiertrucs op het terras van Père Lathuille (1879) in het beroemde schilderij van Manet. In olieverf blinken de rood aangezogen tepels van een monumentale tijger die haar jongen zoogt. Het portret van de bijleraar van Leopold II kijkt me schuldeloos aan. Kamerbrede doeken documenteren hoe de pest in de veertiende eeuw huishield in Doornik. Ik vergaap me aan de potloodstudies van exotische dieren naar zestiende-eeuwse fantasie: als hellewezens geanatomeerde vissen en dinosaurusachtige neushoorns. De knetterende, elektrisch-blauwe houtsnedes van Frans Masereel. De verlokking van de communicante die me vanaf haar doek aankijkt als een kindbruid. Perimèle is nergens te bespeuren.

Op weg naar de uitgang passeer ik het borstbeeld van Henri Van Cutsem en de maquette voor de renovatie van het museum. Horta’s bouwwerk zal omsloten worden door nieuwbouw en in de toekomst zal het oude gedeelte enkel nog dienst doen als brasserie en museumshop. De schilderijen en beeldhouwwerken worden integraal verhuisd naar de benedenverdieping van een aangebouwde toren met drie verdiepingen voor tijdelijke tentoonstellingen. Het nieuwe ontwerp lijkt een goedbedoelde reddingsactie, maar ik prijs me gelukkig dat ik het gebouw in haar oorspronkelijke staat bezoek. Per toeval kijk ik bij het naar buiten gaan naar boven en daar zie ik, boven de metershoge toegangspoort, Perimèle, de vrouw voor wie Van Cutsem dit museum liet bouwen.

Wie haar niet kent, zal haar naam niet leren. Het informatiebordje ontbreekt. De golf die haar aan land duwde heeft haar gezicht zorgvuldig afgewend van de toeschouwer.


Charlotte Van den Broeck is schrijfster, onder meer van de essayroman Waagstukken (2019)