Fotograaf Gerard Petrus Fieret (80)

Een Haagse vliegenneuker

Gerard Petrus Fieret, inmiddels tachtig jaar, is obsessief in zijn neiging tot vastleggen. Alles is onderwerp. Zijn foto’s zijn tegelijk uitdagend en onbehoorlijk intiem door een eigenzinnig gebrek aan behagen. Fieret is inmiddels ook in Amerika bekend.

Op de cover van het New Yorkse tijdschrift Art + Auction van maart 2004 is een portret van de frisse gelaatstrekken van Anouschka Pali-Tod zichtbaar. Vrolijk jaren-zestig-Haags, en lichtelijk Shocking Grijs.

Hetzelfde beeld, ditmaal van hoofd tot voeten waarbij een even verrassend als mal maliënkolderachtig stukje couture opduikt, werd in 1993 opgenomen in een aan de fotograaf Gerard Petrus Fieret gewijde uitgave ter gelegenheid van de in 1992 aan hem toegekende Ouborg-prijs. Uitgereikt door een jury waarin aanwezig Bob Bonies, Rudi Fuchs, Josephine Sloet, Auke de Vries en voorzitter Lily van Ginneken.

Zij is het die bij deze gelegenheid schrijft dat het werk van Fieret eigenzinnig weinig behaagziek is en geheel parallel loopt met zijn dagelijks leven. In het openingswoord van de begeleidende tentoonstelling in het Gemeentemuseum wijst Henry Mühl op de mogelijkheid nader in te gaan op invloeden van de Stijl, het Bauhaus en de Russische constructivisten. Ach ja.

De loopbaan van Fieret is al te grillig om ooit goed omschreven te worden. In1939 begint hij als vijftienjarige assistent-antiquaar bij uitgeverij Nijhoff in Den Haag, en volgt aan de Academie ’s avonds een aantal studierichtingen, waaronder schilderen en typografie. In 1942 werkt hij een jaar lang bij Liefkes, een glas-in-loodschilder. Door het internaat waar hij verblijft wordt hij aan de Arbeitseinsatz overgeleverd. Na anderhalf jaar weet hij te vluchten en onder te duiken bij een boer in Pintersfeld (Schnee-Eifel). Tot aan de bevrijding door de Amerikanen. Hij gaat werken als glazenier en wordt assistent van Livinus van de Bundt aan de Vrije Academie. Daarnaast is hij werkzaam als portrettekenaar en wordt loslopend handelaar, in textiel en aanverwante artikelen. Hij gaat cafés af of komt aan huis.

Graficus Sipke Huismans herinnert zich een koffer vol Hema-sokken. Diep daar onder voorouderbeelden afkomstig uit Afrika en Oceanië. Te koop, maar voor veel geld. Huismans vond hem de gekste gek die hij ooit had ontmoet. Met de mooiste verhalen.

Inmiddels was hij via een tweedehands gekochte Praktiflex-camera ook gewonnen voor de fotografie. Geïntroduceerd door mijn vriend Sipke staat hij daarom op een middag opeens in mijn donkere kamer. Onder de werkbank met de bakken ontwikkelaar en fixeer lagen stapels aan elkaar vastgekoekte misdrukken en proefstroken. Uitgeslagen sepia en zilver; van alle chemicaliën doortrokken. Fieret reageert alsof hij een goudschat ontdekt. «Mocht hij dat allemaal meenemen?» Vreemde vent, inderdaad.

Immens is zijn fotografische productie, obsessioneel de neiging tot vastleggen. Alles is onderwerp. Echt ontdekt wordt hij door professor Hans van de Waal, en al snel liggen duizenden van zijn afdrukken in de kluizen van het Leidse Prentenkabinet. Publicaties en exposities volgen.

Meisjes, zich ontkledend of aankledend. Doet er niet zo veel toe. Ruimhartig poserend, erotisch of niet. Er is nog een fotokunstenaar die deze aantrekkelijke richting niet schuwt en Fieret waant zich achtervolgd. Door de tijdens zijn korte leven (1937-67), door zijn favoriete model Anna Beeke geïnspireerde, overal korrel zaaiende Sanne Sannes. Die hem zijn negatieven ofwel ideeën ontsteelt. Wanneer bevriende kunsthistoricus J.S. Locher hem meermalen voorstelt daar via jurisprudentie een eind aan te maken, trekt Fieret zich ijlings terug. Komt vaker voor: paranoia fotografica.

Het heeft wel tot gevolg dat er stempels verschijnen op zijn prints. Heldere blauwe letters en cijfers. Die moeten bewijzen dat het hier om uniek werk van Gerard Petrus gaat. Met postbox.

Naar aanleiding van de tentoonstelling Gerard P. Fieret — 80 jaar: Een retrospectief van zijn fotowerken verscheen een lijvig boekwerk, in adequaat waaiende pamfletdruk uitgevoerde triomf van het fotografische zien. Spaarzaam een titel, waar hij in ’92 iets ruimer mee omsprong: jonge modiste, jonge Oostenrijkse, model, modelletje of onbekend model. Café Balemans en «mijn kat Bimmeltje».

Waarom titels? Het kleverige beschouwersoog blijft ondanks dat toch wel hangen. Zelfs aan een asbak zonder naam. Of toch Mijn duif en schildpadje of Phil Bloom. Namen van bekende mensen is altijd handig.

Zoals Rudi Fuchs in ’79, ’71 en, spichtig als een spitsmuis, met drie bentgenoten, in ’67. Portret van conservator Els Barents, uit ’79. Gerrit Petrus zelf. Weldadige zelfspiegelingen. Vakkundige portretten, voorzover daar in dat genre sprake van kan zijn. Bondig naast barok, studieus of wegzwevend in Slavische of andere mooie mist. Tegelijk uitdagend en onbehoorlijk intiem door dat gebrek aan behagen. Valt alles in het niet bij het aanschouwen van de rest van de inhoud. De foto benoemt zelf: rommelige optel sommen van bijna niets en wiebelende staartdelingen van weer andere kleinig heden. Details worden zorgvuldig samen gebracht, en zorgzaam gescheiden verkwijnen ze weer. Onder je eigen zo capabele ogen. In de richting van halfdimensionaal. Afschriften in minimale gradaties, schameler kan het vaak niet.

Alsof de fotografie niet in de eerste plaats was uitgevonden voor het evocatieve, het expositionele of desnoods de verheerlijking van de exhibitionistiek. Gewend als we zijn aan de normale explosieve bezinking van het beladen verleden komen we er hier met momentloze worstelvrije kunst vanaf.

Zitten er ook meesterwerken tussen? Het zijn alle meesterwerken en één het meest. Goed kijken. Een been is geen kat en een sprei is geen been maar een kat en de kat is haar kut.

Zijn allermooiste verhaal ging over vliegen. Die kon hij neuken. Maar hoe?

«Je gaat in je blote kont in een vol, warm bad liggen, Maakt je apparaat stijf en laat alleen de eikel er bovenuit komen. Honing erop smeren. Of aardbeienjam. Beetje aftrekken en wachten. Gegarandeerd dat er zo’n vieze dikke vlieg op af komt en die geef je dan een beurt.»

Heel vaak heb ik hem niet teruggezien. Nog een loze ochtend in De Posthoorn. Het was dat hij mij herkende.

Zijn foto-oog was er zeer slecht aan toe en lag bijna op zijn rechterwang. Waar het figuurlijk al zijn hele leven aanwezig was geweest. En maar klagen; in dat goed gerijpte overtuigende Haags.

Dankzij een expositie vorig jaar in de gallery van Deborah Bell in New York is Fieret daar nu ook bekend. Ze hebben hem meteen door. «A Dutch national treasure», noemen ze hem. «In zijn oeuvre zitten de echo’s van Bonnard, Renoir en Daumier opgesloten, bovendien verwijzingen naar het clair-obscur van Rembrandt en aspecten van Vermeer.» En wat zegt de onbetaalbare Susan Herzig: «A man who cares genuinely about women.»

Is er verder nog die kwestie van de ostentatief en uit actief wantrouwen gestempelde naam of signatuur. Dat wordt uitgelegd als «regelbrekende gevoeligheid die tot artistieke bloei kwam in de 1960’s, en Fierets fotografie binnen de scherpte van het postmoderne domein bracht».