Jong versus oud Nieuwe verzuiling

Een half uur te laat geboren

Vorig jaar probeerde Sywert van Lienden met zijn G500 jongeren meer invloed te geven in de politiek. Intussen zit 50Plus in de Tweede Kamer. Juist nu het tegenzit en het op solidariteit aankomt, komt iedereen vooral voor zichzelf op.

Medium groene jong oud groot

Eigenlijk moet je er natuurlijk niet instinken. Binnen de kortste keren doe je precies wat je niet wilt: meegaan in de generatiestrijd. Die strijd wil je niet, al was het maar omdat de diversiteit binnen generatiegenoten zo groot is dat de etiketten die op generaties worden geplakt al gaan jeuken voordat ze goed en wel zijn aangebracht. Babyboomers, de Generatie X, Niet-Nix’ers, de Generatie Z, natuurlijk hebben de leden binnen deze leeftijdsgroepen zaken gemeen, maar wie alleen dat ziet, is blind voor de verschillen. En die blindheid kan funest zijn. Zeker als politici ermee behept zijn.

Maar soms laat je je toch meeslepen in de generatiestrijd. Dat is dan weliswaar omdat je je wilt ontdoen van dat jeukende en ook verstikkende etiket en niet alles wat er over jouw generatie en daarmee over jou persoonlijk wordt gezegd zomaar wilt slikken, maar het resultaat voelt als het tegenovergestelde.

Het overkwam me in de Ridderzaal, inmiddels al weer drie jaar geleden, waarmee meteen is gezegd dat de nu oplaaiende generatiestrijd er niet sinds gisteren is, maar al langer op de loer lag. Het toenmalige kabinet van cda, pvda en ChristenUnie had kort daarvoor het plan gepresenteerd om de aow-leeftijd met ingang van 2020 in één keer met een jaar te verhogen. Wie op 1 januari 1955 of later was geboren, zou op zijn 66ste met pensioen gaan, of – een paar jaar later – op zijn 67ste. De Telegraaf had snel iemand gevonden die kort na middernacht op die 1ste januari van 1955 was geboren. Deze man vond het niet eerlijk wat hem overkwam: een half uur te laat geboren, een jaar langer moeten werken.

Op een bijeenkomst in de Ridderzaal werd de klager uit De Telegraaf belachelijk gemaakt, zonder dat de man zich kon verweren want hij was er niet bij. Dat gebeurde door een spreker die even oud was als de klager, maar die het zich gezien zijn portemonnee kon veroorloven om zich niks aan te hoeven trekken van pensioenleeftijden. Wat overigens bevestigde dat de verschillen tussen leeftijdgenoten groot kunnen zijn, maar juist dat had de spreker niet door.

Het geheel vond ik stuitend. Maar toen ik daar wat over zei tegen een daar aanwezig Kamerlid kreeg ik een heel exposé over me heen over babyboomers. Het klonk alsof zij – ik zal maar vast verklappen: wij – een verderfelijke soort zijn. Inderdaad, dat Kamerlid was van ver na 1955. Ik stonk erin en viel tegen hem uit.

Wat bijzonder was om te zien, was dat het Kamerlid zich kapot schrok toen hij hoorde dat ook ik van 1955 ben. Nee, dat was geen onbedoeld compliment voor mij, al dacht ik naderhand wel: hij heeft waarschijnlijk een standaardbeeld van mensen van mijn leeftijd en ik paste daar niet in, wat voor mij opnieuw een klein bewijs was dat het denken in generaties verkeerd is. Het Kamerlid schrok, omdat hij zich ineens realiseerde dat praten in algemeenheden heel anders is als je tegenover iemand staat die je met die algemeenheden hebt gemeend te kunnen typeren. Maar wat hij zich vooral niet had gerealiseerd was dat ik tegenover zijn verhaal over verwende babyboomers ook een andere praktijk kon zetten.

Ik werd met vele anderen werkloos toen ik eind jaren zeventig op de arbeidsmarkt kwam. Ik heb altijd vut-premie betaald, en nog steeds, maar ik zal daar nooit gebruik van kunnen maken. Ik ben begonnen met een eindloon-pensioen, dat inmiddels was omgezet in een middelloon-­pensioen. Mijn jongere echtgenoot zal geen partner-aow krijgen zolang hij zelf de aow-gerechtigde leeftijd niet heeft bereikt, terwijl toch ook ik daar altijd aan meebetaal voor mensen die ouder zijn dan ik en die daar nog wel gebruik van kunnen maken.

Ik ben verder alleszins bereid om niet al op mijn 65ste met pensioen te gaan, graag zelfs, maar dan wil ik wel dat de jongere generatie me ook in waardigheid laat werken en me niet eigenlijk het liefst als oud en niet bij de tijd wil afserveren, het is van tweeën één.

Even voelde dat wel lekker, zo uitvallen. Maar uiteindelijk luchtte het niet op. Want leek het nou niet alsof ik mij op mijn beurt afzette tegen degenen die ouder zijn dan ik? Alsof die wel over één kam te scheren zouden zijn? En lok ik met die opsomming zelf ook niet uit dat er van alles bij wordt gehaald om toch maar precies op een weegschaaltje te kunnen meten wie gedurende zijn leven het meeste, of eigenlijk juist het minste, profijt heeft gehad van de staat en de onderlinge solidariteit?

Inmiddels zijn we ruim drie jaar verder en zou die weegschaal, aangevuld met in de tussentijd ingevoerde of aangekondigde overheidsmaatregelen, binnen de kortste keren overvol zijn. Bovendien heb je eigenlijk vele weegschalen nodig, want er zijn vele scheidslijnen. Als er alleen een breuk zou liggen op 1 januari 1955 voor de aow-leeftijd zou het nog makkelijk zijn.

Ben je van de generatie met of zonder vut, van voor of na de aow op je 65ste, met of zonder partner-aow voor je jongere partner, met of zonder studiefinanciering, met of zonder aflossingsvrije hypotheek, met of zonder restschuld op je huis, met of zonder vergoeding voor de kinderopvang, met of zonder recht op een rollator, met of zonder pil in het ziektekosten­pakket, met of zonder sobere WW, van voor of na de versoepeling van het ontslagrecht, van voor of na de rem op de ontslagvergoedingen, en ga zo maar door.

Was mijn discussie met het Kamerlid drie jaar geleden nog nieuw voor mij, inmiddels is de generatiestrijd in alle hevigheid losgebarsten en zou ik me in de wandelgangen van het parlement elke week kunnen laten uitlokken om erin mee te gaan. Dat het zo ver is gekomen, kent een aantal oorzaken.

Ten eerste is er de vergrijzing van de bevolking, een gevolg van de geboortegolf na de oorlog en van de stijging van de gemiddelde leeftijd van mannen en vrouwen. Die vergrijzing brengt kosten met zich mee die door steeds minder werkenden moeten worden opgebracht, tenzij de overheid allerlei regelingen versobert of verandert waardoor ook de niet meer werkende ouderen daar zelf aan meebetalen. Linksom of rechtsom doet dat pijn.

Behalve door die vergrijzing zijn de kosten van de zorg door allerlei nieuwe medische technieken nog eens extra gestegen. Dat roept de vraag op of we die kosten nog met z’n allen – collectief – willen betalen als dat een steeds groter deel van ons inkomen gaat opslokken. Als het antwoord daarop nee is, volgt de logische vraag wat nog wel uit een solidaire pot met geld wordt betaald en wat iemand zelf moet betalen. Dat ook dit van au gaat, hebben we de afgelopen tijd gemerkt. Denk aan het premieoproer rondom de voorgestelde inkomensafhankelijke ziektekostenpremie kort na het aantreden van het nieuwe kabinet, of aan de emotionele discussies over ‘qaly’s’, het bedrag dat een medische ingreep maximaal mag kosten als daarmee het leven met één jaar kan worden verlengd.

De vergrijzing heeft iedereen kunnen zien aankomen, maar de crisis die de economie al een aantal jaren in zijn greep heeft, hebben we niet voorzien. Ook die crisis legt een zware druk op allerlei rechten en regelingen, die ook daardoor versoberd of veranderd worden om ze betaalbaar te houden. Dat zouden toekomstige werklozen bijvoorbeeld kunnen gaan merken als ze na een jaar WW direct in de bijstand komen, zoals dit kabinet van plan is.

Dan is er nog de veranderende arbeidsmarkt met allerlei nieuwe soorten arbeidscontracten en met echte en schijn-zzp’ers. Die arbeidsmarkt schreeuwt om aanpassingen om te voorkomen dat de rechten en plichten scheef verdeeld zijn over soorten werkenden. Dat komt hard aan bij degenen die rechten verliezen en ja, dat zijn vooral zij die al langer op de arbeidsmarkt actief zijn, de ouderen dus.

Al deze veranderingen raken mensen. Voor velen zijn het ook geen verbeteringen. Ze wilden op hun 62ste stoppen met werken, maar dat kan niet meer. Ze wilden een groter huis of een eerste huis kopen, maar krijgen geen hypotheek. Ze wilden hun spaargeld nalaten aan hun kinderen, maar moeten daar de zorg op hun oude dag van gaan betalen. Ze wilden doorwerken tot hun 67ste, maar raken eerder hun baan kwijt en komen in de bijstand. Ze willen graag een vaste baan, maar gaan van flexcontract naar flex­contract en durven geen gezin te stichten. Ze wilden gaan studeren, maar durven dat niet omdat ze daarvoor geld moeten lenen.

Deze als verslechtering ervaren veranderingen, na decennia van voorspoed, komen bovendien in een tijd dat solidariteit een verouderd woord lijkt te zijn geworden. Hele generaties, echt niet alleen de jongeren, hebben inmiddels geleerd dat je vooral voor jezelf op moet komen. Vakbond en strijd zijn uit de mode. We vinden dat zowel succes als pech in het leven toch vooral aan onszelf te danken zijn.

Het denken in ‘ik’ heeft ons voorspoed gebracht, maar de solidariteit ondergraven. Nu het ik-denken ook zijn zwarte kanten laat zien en ons in crisis heeft gestort, merken we pas hoe diep dat gat is geworden. Juist nu het tegenzit en het op solidariteit aankomt, weten we niet goed meer wat dat laatste is en vooral ook niet waarom dat nodig is en hoe we dat moeten organiseren. Dat maakt het extra moeilijk om het eens te worden over wat een eerlijke verdeling van de pijn is. Moeilijker dan het toch al geweest zou zijn.

Solidariteit dreigt overigens niet alleen te ontbreken tussen generaties. Wil hoogopgeleid nog wel betalen voor laagopgeleid. Heeft vaste baan nog wel wat over voor los contract. Heeft gezond levend geld over voor ongezond levend. Wil eigen huis nog bijdragen aan huurhuis.

Toch springt het gebrek aan solidariteit tussen generaties nu in het oog. Vorig jaar was er het G500-initiatief van Sywert van Lienden, een poging om jongeren in één klap invloed te geven in drie ‘oude’ politieke partijen, vvd, pvda en cda. Het initiatief kwam voort uit onvrede, de jongeren vinden dat ze te zwaar worden belast en dat de verdeling over de generaties niet eerlijk is.

Succesvol was G500 niet, de 50Plus-partij is dat daarentegen wel. Zij zit sinds september met twee leden in de Tweede Kamer. Waar Van Lienden en co vinden dat de jongeren het kind van de rekening zijn, vindt 50Plus juist dat het de ouderen zijn. Met haar naam, 50Plus, geeft zij dan ook openlijk aan waar het haar om gaat: de belangen van ouderen. De partij van fractievoorzitter Henk Krol is, evenals het initiatief van Van Lienden, dus zelf een gevolg van het gebrek aan solidariteit tussen generaties, maar vervolgens ondergraven beide die solidariteit ook nog weer verder. De huidige winst in de peilingen van 50Plus is daar het bewijs van.

De populariteit van fractievoorzitter Henk Krol steeg flink toen hij, kort nadat iedereen in januari zijn eerste salaris of aow had ontvangen, beweerde dat ouderen door de maatregelen van dit kabinet worden gepakt. Voor het gemak schoor Krol iedereen boven de vijftig over één kam. De grootste valkuil voor Krol is echter juist datgene waar hij nu nog van profiteert: het gebrek aan solidariteit tussen generaties. Want iemand uit 1961 is binnen dat denkpatroon toch echt van een andere generatie dan iemand uit 1931. Als de 52-jarigen van nu erachter komen dat hun situatie en vooruitzichten anders zijn dan die van de 82-jarigen – en omgekeerd – is het waarschijnlijk gauw gedaan met de onderlinge verbondenheid. Je zou erom willen lachen, ware het niet dat het zo pijnlijk duidelijk maakt hoe iedereen zich bedreigd voelt en vooral oog heeft voor zijn eigen zekerheden en de eigen portemonnee. Eigenbelang eerst.

De generatiestrijd is van alle tijden, al steekt ze steeds in een ander jasje. Maar dat ontslaat de huidige generaties nog niet van de plicht er verstandig mee om te gaan.

In de tijd van de verzuiling in de politiek en het maatschappelijk middenveld werd die strijd opgevangen binnen de eigen zuil, oud en jong organiseerde zich rondom het geloof of de levensovertuiging. Nu woedt die strijd openlijk in de Tweede Kamer en daarbuiten.

Omdat ouderen een steeds grotere kiezersgroep worden, zijn ze electoraal aantrekkelijk. Wie de ouderen heeft, heeft de toekomst. Als ik jong was, zou ik me daar ook door bedreigd voelen. Als we niet oppassen dreigt een nieuwe verzuiling, maar dan op leeftijd, waarschijnlijk gecombineerd met opleiding. In de Tweede Kamer hoor je dan ook regelmatig dat 50Plus niet veel anders doet dan d66, alleen is die laatste dan de partij voor de – hoogopgeleide – jongeren.

Willen we een harde confrontatie tussen generaties voorkomen, dan ligt daar uiteraard een verantwoordelijkheid voor politici. Zij zijn het die met compassie voor alle leeftijdsgroepen en na goed beargumenteerde debatten waarin er eerlijk op wordt gewezen dat de verschillen binnen één generatie vaak groter zijn dan die tussen generaties, de pijn zo eerlijk mogelijk moeten verdelen. Maar dat kunnen ze niet zonder dat ook de kiezer verder kijkt dan zijn eigenbelang, want het is de kiezer die de politiek aanstuurt. Er is dan wel steeds de roep om leiderschap, maar dat laatste wordt niet geaccepteerd zodra de leider pijnlijke maatregelen neemt.

Oud moet zich realiseren dat ze ooit jong was en hoe belangrijk het dan is dat je perspectief hebt, op een opleiding, werk, woonruimte, een gezin. En jong moet beseffen dat ook zij ooit oud wordt en dat graag waardig zou willen kunnen doen.