Een halve tandem

Hoe flikt Jan Brokken dat toch? Zo veel produceren en van zo hoge kwaliteit © Privécollectie Jan Brokken

Jan Brokken is een buitengewoon veelzijdig en productief schrijver. Jaloersmakend. Hoe doet hij dat toch? Zo snel. Zo veel. En dan ook nog met werk van een, voor zover ik kan overzien, gemiddeld zo hoge kwaliteit?

Het laatste boek van zijn hand dat ik indringend las is De vergelding, over de complexe grenzen tussen goed en fout in een Zuid-Hollands dorp aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Ik had er wel wat kritiek op. Dat kan in mijn geval haast niet anders. Maar verder? Bij al het andere dat ik van Brokken heb gelezen dacht ik steeds weer: goh, die Jan, hoe flikt-ie dat toch? En dat steevast met een kleine glimlach.

Nu ook weer. Stedevaart bestaat uit 22 reisverhalen naar alle uithoeken van de wereld, van heel dichtbij (Amsterdam) naar heel ver weg (Kyoto) met het meeste daartussen (Bologna, Berlijn, Arcachon). Op het eerste gezicht is tussen deze verhalen nauwelijks een verband te ontdekken. Ze gaan van de honden van Tip Marugg op Curaçao naar het Concertgebouworkest van Mahler en van de botanische tuinen in Cagliari naar Brokkens eerste erotische ervaring in, of all places, Middelharnis. Ik moest regelmatig denken aan Borges, in het bijzonder aan diens fraaie opstel over de taal van John Wilkins met daarin de beroemde classificatie van het dierenrijk in dieren die a. behoren tot de keizer, b. gebalsemd zijn, c. worden getraind, d. speenvarkens enzovoort.

Op het eerste gezicht is Borges’ classificatie idioot. Bij nader denken is zij een fraaie kritiek op wat wij gewoonlijk als samenhang, logica of ‘de juiste volgorde’ beschouwen. Want wat is die volgorde in een denk- of schrijfproces? Die van 1 + 1 = 2, van morgen dat komt na vandaag en van groot dat volgt op klein? Zo ongeveer gaan inderdaad de stappen die wij geleerd hebben te zetten en die wij gewoonlijk dus ook zetten. Maar zijn het de juiste stappen? De vraag stellen we zelden, misschien uit angst voor een antwoord, misschien uit luiheid of domheid – uit onvermogen om in te zien dat de dingen anders kunnen zijn dan veelal wordt verteld.

Maar maakt deze ‘logica’ de wereld niet tot een gevangenis? Hoeveel mooier, leuker en misschien ook wel beter is het een verband te zien tussen, zeg, een politieman die door een barkruk zakt, de navel van Lola, een overstroming uit 1957, fietsen, grootstedelijke rivaliteit en het werk van Santiago Calatrava. Op deze manier opgeschreven lijkt de volgorde inderdaad gespeend van elke samenhang, absurd dus. Maar als je Brokkens betreffende verhaal over Valencia volgt, begrijp je het verband wel degelijk terwijl je, al lezende, vermoedelijk tevens zult bedenken dat de volgorde ook anders had kunnen zijn. Hoe anders? Er zijn duizend mogelijkheden, honderdduizend, oneindig – en dat terwijl er ook een paar constanten zijn. Minstens twee. In deze bundel althans.

In alles wat Brokken in deze bundel schrijft, dringt ’t besef van het betrekkelijke door

De eerste constante is die van de gekozen thematiek en/of stad. In genoemd geval zijn dat architectuur, in het bijzonder die van Calatrava, en Valencia. Een verhaal daarover dat architectuur, Calatrava en Valencia niet noemt, is inderdaad absurd – alhoewel misschien wel spannend. Maar zo ver gaat Brokken niet. Hij weet dat hij voor een publiek schrijft. Als hij een onderwerp kiest, vertelt hij daarover – overigens niet altijd zo bochtig als in dit geval.

© Privécollectie Jan Brokken
© Privécollectie Jan Brokken

Terwijl de eerste constante in deze bundel per verhaal wisselt, is de tweede constante steeds dezelfde en dus nog constanter: zij is de auteur zelf. Want er is geen verhaal van Brokken waarin hij niet zelf optreedt, nu eens als observator, dan weer als verteller, vervolgens als personage, maar steeds weer als organisator.

Veeleer is het zo dat alles wat hij, althans in deze bundel, schrijft, doordrongen is van het besef dat het uiterst betrekkelijk is, want mensenwerk oftewel een samenspel van toevalligheden, gedachtespinsels, invallen, tijdelijke combinaties en andere subjectiviteiten. Bijna het tegenovergestelde van zelfverheffing dus. Het is alsof de schrijver steeds weer zegt: het spijt me, ik kan op dit moment of in deze situatie niet anders dan de wereld zien zoals ik hem zie, mijn geest en ervaringen stromen door alles heen. Ik kan doen alsof het niet zo is, maar dat is een leugen. Brokken heeft het vaker gezegd, ook in deze bundel weer: dat je door te lezen en te reizen telkens stukjes toevoegt aan je eigen autobiografie.

Er is slechts één ding dat ik om dezelfde reden een beetje raar vind. Ik schreef hetzelfde lang geleden ook over het werk van Cees Nooteboom: dat het lijkt of de auteur alleen is met de wereld, terwijl uit alles blijkt dat hij steeds weer vergezeld wordt door zijn wederhelft. Misschien kan het niet anders. Het is voor een verhaal inderdaad ook raar om telkens die wederhelft te vermelden. Aan de andere kant klopt het evenmin om jezelf in je autobiografie voor te stellen als een eenzame fietser – terwijl je een tandem berijdt. De oplossing weet ik niet. Maar raar blijft het.