Een hard bestaan

LIDY NICOLASEN
DE EEUW VAN SONJA PRINS
Bert Bakker, 288 blz., € 19,95

Het meest wonderlijke is het ontbreken van gevoel. Aan ellende geen gebrek. Van het min of meer triviale ongeluk van armoede en lapzwanzige geliefden die haar met kinderen en al in de steek lieten, tot het onvoorstelbare leed van het verblijf in concentratiekamp Ravensbrück en de zelfmoord van haar dochter – dichteres Sonja Prins lijkt zichzelf nooit te beklagen, lijkt zelfs nauwelijks een krimp te geven.
Aan het eind van haar levensverhaal wordt de afwezigheid van emoties verklaard door de Amsterdamse kunstenares Meertje Kaal. Saillant detail: volgens Sonja Prins was Meertje haar enige vriendin, volgens Meertje hadden ze ‘een verstandhouding, niet een gevoelsverstandhouding’. Dat laatste was ook niet mogelijk met Sonja Prins, daarvoor was ze te veel een buitenstaander, was ze te weinig vertrouwelijk met de mensen om haar heen. En dan volgt Meertjes verklaring: ‘CPN’ers bouwden nooit een persoonlijke band op, ze konden gewoon de knop omdraaien. Ik denk vaak dat Sonja die afstandelijkheid van de partij heeft meegekregen. Het armoedeprobleem, of huiselijk geweld, was in hun ogen altijd een algemeen, nooit een persoonlijk probleem.’
Natuurlijk is het wat kort door de bocht om de afstandelijkheid van Sonja Prins uit haar communisme te verklaren, maar veel van de tragiek in haar leven hangt samen met het idealisme dat haar met de paplepel is ingegoten. Ze werd in 1912 geboren in, zoals het heet, een verlichte familie. Haar grootouders verkeerden in kringen van kunstenaars en intellectuelen en lieten zich al inspireren door wereldverbeteraars als Herman Gorter en Frederik van Eeden. Haar moeder, Ina Willekes MacDonald, werkte als advocate aan de Haarlemse rechtbank en ontpopte zich als onderwijsvernieuwer, feministe en bolsjewiek. Haar vader, Api Prins, dompelde zich ook het liefst onder in het gezelschap van kunstenaars en socialisten – en mooie meisjes. Hij was schuinsmarcheerder, klaploper en fantast – ‘de laatste bohémien van Nederland’, schreven de kranten na zijn dood. Die karaktervolle ouders bezorgden Sonja Prins een avontuurlijke jeugd, met een mislukte emigratie naar Amerika en Canada en episodes in Engeland in Zwitserland. Avontuurlijk en antiburgerlijk, maar tegelijk ook behoorlijk onveilig, onstabiel en gevoelsarm.
De eeuw van Sonja Prins noemde Volkskrant-journaliste Lidy Nicolasen haar boek over de dichteres die de laatste jaren van haar leven als kluizenaar in een boshut in Baarle-Nassau sleet en dit jaar op 15 januari stierf. Die eeuw vertelt een alternatieve geschiedenis van Nederland, een geschiedenis van revolutionair elan en eigenzinnigheid. Het idealisme werkte zowel bevrijdend als onderdrukkend. Haar ruimdenkende moeder liet Sonja al op haar zeventiende vrij om op kamers te gaan wonen. Ze had haar eindexamen nog niet gehaald, haar studietoelage en een legaat van haar grootmoeder stak ze evenwel in haar eigen avant-gardetijdschrift Front, waarvoor ze buitenlandse schrijvers en dichters als Paul Bowles, Ezra Pound, Carl Einstein en Sergej Tretjakov wist te strikken. Dichten was voor Sonja Prins een levenshouding, de poëzie leek vanzelf uit haar te stromen en was de enige plek waar ze wel gevoel kon tonen, maar literatuur was bourgeois en dat remde haar. Want vanaf haar zeventiende was ze ook lid van de Communistische Jeugdbond en een jaar van de Communistische Partij Holland. Over haar gedichten sprak ze niet met haar revolutionaire vrienden. Haar eerste dichtbundel, Proeve van strategie, in 1933 zo ongeveer uit haar handen gegrist door haar literaire mentor Victor van Vriesland, verscheen dan ook onder het pseudoniem Wanda Koopman.
Als communiste rolde ze in de oorlog vanzelfsprekend in het verzet. Ze had inmiddels kinderen – een tweeling van derde machinist Fokke Scholten, als kinderen van een burgermeisje en een arbeider naar haar idee proeven van ‘de nieuwe mens’, en een dochter – maar de plicht voor de wereld was groter dan de plicht voor het gezin. Ze werd opgepakt en kwam in vrouwenkamp Ravensbrück terecht. Over het kamp schreef ze, net als over de dood van haar dochter Issa, haar meest beklemmende poëzie: ‘Ik kan niet slapen ’s nachts want als ik slaap/ is het mijn eigen stem die kermt, en vaak/ komt dan de dag nog onverwacht en haalt ons uit het graf/ van onze korte nacht.’
Na de oorlog groeide de waardering voor haar poëzie – ze wordt als geestverwant van de Vijftigers gezien – en begon ze haar plaats te vinden in de literaire wereld, onder meer als lid van de PEN. Maar in 1956, toen Chroesjtsjov in zijn befaamde rede afstand nam van Stalin en de sovjets Hongarije binnenvielen, voelde Sonja Prins zich niet meer op haar plaats in de CPN. Ze zag in dat het idealisme dat het richtsnoer was in haar leven voor de Nederlandse communisten een starre religie was geworden. Op hetzelfde moment werden communisten als ‘onzuivere elementen’ de PEN uit gewerkt. Sonja Prins hoorde nergens meer bij, helemaal toen de BVD ook nog haar beroepsleven frustreerde: ze werd nu helemaal een eenling, een kluizenaar in haar hutje in het bos.
De eeuw van Sonja Prins verhaalt van een tragisch, maar buitengewoon rijk leven. Lidy Nicolasen schrijft het kaal op, zonder psychologie, zonder duiding achteraf van Sonja Prins zelf. Dat is in de geest van de dichteres, en het werkt aangrijpend: dat genadeloos harde bestaan en de afwezigheid van elk zelfmedelijden.