Een hard gelach

MILO ANSTADT heeft opnieuw een produkt geschapen. De ex-televisiemaker (Vara), ex-journalist, publicist, auteur van een klein dozijn diverse boeken, heeft, aldus uitgeverij Contact, ‘een autobiografische roman’ geschreven.

De verdachte oorboog kun je echter bezwaarlijk een roman noemen, want het gaat om de notities van een joodse onderduiker tijdens de bezetting, aangevuld met politieke en filosofische beschouwingen. Volgens Anstadt zelf gaat het om nog veel meer. Hij acht zijn jongste werkstuk een aanvulling op de geschiedenis van de bezetting. Meer nog: hij heeft De verdachte oorboog voornamelijk geschreven om een eind te maken aan de mythe dat het Nederlandse volk meer dan honderdduizend joden heeft laten deporteren en vermoorden zonder daar wakker van te liggen. Of, nog erger: de mythe dat veel Nederlanders het niet erg vonden dat werd opgetreden tegen degenen die ‘altijd aan de ruif zaten’. Dat koningin Beatrix zich tijdens haar bezoek aan Israel 'verontschuldigend uitliet’, vindt Anstadt ergerlijk: 'Moest dat nou, ze zat tijdens de oorlog in Canada.’
Anstadt woont in een van de royale appartementen in het oude deel van Nieuw-Zuid - daar waar Amsterdam eigenlijk al Amsterdam niet meer is. Een beetje deftige buurt. Hij vlucht regelmatig weg uit Amsterdam naar Normandië, waar hij over een soort tweede woning kan beschikken. Maar, laat hij merken, helemaal eerlijk is die luxe niet.
Anstadt komt over als een lieve, zachtzinnige man. Hij neemt de tijd om over kritische opmerkingen na te denken, geen enkele keer wuift hij die weg. Was dat zo, vraag ik hem, dat alleen de joden om acht uur binnen moesten zijn? Nee natuurlijk. De avondklok gold al heel vroeg in de bezetting voor iedereen. 'Nou ja, een kleinigheid.’ Anstadt zegt zijn boek niet te hebben geschreven met de instelling van een gekwalificeerde historicus. En acht uur of tien uur, het doet er weinig toe. 'Als er een herdruk komt, zal ik het verbeteren.’ Het gaat in eerste instantie om dat beeld van de slechte Nederlander. Slecht, als het ging om de deportatie van de joden.
Anstadt gaat iets meer rechtop zitten op de bank. Moeiteloos begint hij te rekenen, de cijfers zitten duidelijk goed en vooraan in zijn hoofd. Na veel plussen en minnen trekt hij de conclusie, of eigenlijk de anticonclusie: 'Je mag dus aannemen dat zeg zesentwintig miljoen Polen honderdvijftigduizend Poolse joden hebben gered. In Nederland hebben acht miljoen Nederlanders vijftienduizend joden weten te redden. Ja, ik weet, er zijn er dertigduizend overgebleven, maar daarbij waren vijftienduizend gemengd gehuwden en die waren niet bedreigd. Wel, procentueel hebben dus de Polen veel meer joden gered dan de Nederlanders. Daaruit zou je weer de gevolgtrekking kunnen maken dat de Polen minder antisemitisch zijn dan de Nederlanders. Vergeet dat maar. Ik bedoel, de dingen zitten anders in elkaar dan je zo oppervlakkig zou denken.’
ANSTADT WEET veel over Polen. Hij werd er geboren, Pools is zijn moedertaal, Nederlands heeft hij pas na zijn elfde jaar geleerd. Naast de Nederlandse heeft hij ook nog de Poolse nationaliteit. Anstadt: 'Misschien daardoor en door mijn connecties met de Duitse kant (Duits angehaucht, noemt Anstadt dat - lv), zie ik de zaken iets ruimer misschien dan veel mensen.’
Hij spreekt accentloos, maar zijn geschreven Nederlands doet soms gewrongen aan: 'Zonder dat concreet tot hen was doorgedrongen hadden zij kennelijk een kind gewild, ongetwijfeld gedreven door een oerdrift. Juist in deze tijd vol gevaren hadden zij een blinde oerdrift gehoorzaamd.’ Anstadt vangt de wat hard uitgevallen opmerking over taal en stijl gelaten op. 'Ik heb dat nog van niemand gehoord, maar jij kan het weten. Ik pretendeer niet dat ik schitterend Nederlands kan schrijven. Ik moet altijd naar woorden zoeken, ook als ik nu met jou praat, de woorden zijn niet altijd automatisch beschikbaar. De tekst is overigens door drie mensen gelezen, onder anderen door iemand van Onze Taal en een neerlandicus. Ze hebben niets gezegd.’
Alle kritiek op taal wordt weer goedgemaakt door hem te vertellen dat zijn De verdachte oorboog de allure heeft van een spannend jongensboek dat je in één adem uitleest. Anstadt: 'Ja, dat heb ik wèl al van anderen gehoord. Daar ben ik blij mee natuurlijk.’
Bij de compositie van De verdachte oorboog heeft Anstadt gebruik gemaakt van twee kunstgrepen. Een ervan, geeft hij toe, is een truc. Hij begint zijn relaas over onderduiken met de laatste maanden van de bezetting, een periode die voor hem en zijn (toenmalige) vrouw Lidy de meest spectaculaire en onwaarschijnlijke was. Pas na de beschrijving van alle gebeurtenissen in de winter van '44-'45, en pas ruim na de bevrijding in mei 1945, volgt het relaas over het begin.
In de laatste maanden van de oorlog was het verzet in Nederland goed georganiseerd en zeker het verzet waarmee Anstadt te maken had, dat van de (communistische) Duitse immigranten. Deze kleine maar zeer efficiënt werkende organisatie kon joodse aanhangers vrij snel na het begin van de deportaties al voorzien van zaken als persoonsbewijzen en bonkaarten van de distributiediensten. 'Maar’, verduidelijkt Anstadt, 'ze hadden ook maar ongeveer voor een honderdtal onderduikers te zorgen.’ De persoonsbewijzen waren zo goed vervalst dat onderduikers als Anstadt zich er, zeker tegen het einde van de oorlog, veilig mee voelden. Zelfs de stamkaart was ingestoken in het archief van de burgerlijke stand in de gemeente die in het verzet meespeelde. Met zo'n persoonsbewijs en voorzien van distributiebonnen, meenden Anstadt en de zijnen, kon je niets meer gebeuren.
Milo, die in die dagen natuurlijk geen Anstadt heette maar Van Abbestee, kon zelfs voor zijn vrouw, hemzelf en een zeven, acht of negen collega-onderduikers legaal een huis huren op de Plantage Muidergracht en daar rustig wonen. En - alsof het de meest natuurlijke zaak van de wereld was - in Anstadts woning was, dank zij het knutselwerk van een handige verzetsman, elektrische stroom aanwezig. Ze voelden zich zo veilig dat ze, voorzover dat nog kon, vertier zochten, naar concerten gingen, naar de bioscoop en naar andere evenementen die voor joden natuurlijk verboden waren. Veel Nederlandse burgers meden dit soor amusement als de pest, omdat veel ervan uit nazi-propaganda bestond.
NA DE VERSCHIJNING van zijn boek heeft Anstadt in vijf radioprogramma’s mogen optreden. Anstadt: 'Het vermoeden is gewettigd dat sommige presentatoren hooguit de eerste hoofdstukken van De verdachte oorboog hebben gelezen of, minder nog dan dat, een uittreksel.’ En dus bleven ze zitten met de vage impressie dat onderduiken helemaal niet zo verschrikkelijk moeilijk was en dat je als onderduiker, zij het dan met de beperkingen die voor alle mensen in bezet gebied golden, vrij leuk kon leven. Zo was het toch?
Anstadt: 'Ja, zo was het voor een groot deel. Maar als je mijn hele boek leest, dan begrijp je dat er ook moeilijke perioden zijn geweest en heel spannende. Maar toch, ik wilde af van de opvatting dat het van begin tot het einde kommer en kwel was. We hebben, ondergedoken en al, veel gelachen en veel gevrijd. En we hebben heel veel hulp gehad. Maar ja, als je het begin van mijn boek leest en niet de rest, dan kun je de indruk krijgen dat heel het onderduikproces wel meeviel. Maar dat heb ik niet bedoeld te zeggen.’
Je hebt dus in het begin van de onderduikperiode veel hulp gehad van je communistische Duitse vrienden. Maar na verloop van tijd brak je met ze, je was geen lid meer van de beweging. Hoe ging het toen verder?
Anstadt: 'Ik had veel vrienden in die tijd. Ik maakte kennis met Joop den Uyl. Andere verzetsmensen dan de Duitse communisten namen het werk van hen over wat ons betreft. Je viel in die dagen van het een in het ander.’
De communisten, dat waren idealisten. Zij en de gereformeerden, ze vormden een van de kernen van het verzet, nietwaar? Maar al met al een heel klein deel van de bevolking.
Anstadt begint op dit punt van ons gesprek weer uitvoerig te praten over wat hij de 'verkeerde perceptie van het gedrag van de Nederlandse bevolking’ noemt: 'Er zijn oorzaken voor wat in Nederland gebeurd is. Nederland had een perfecte administratie. De joden lieten zich gewillig registreren. De Joodsche Raad was actief bij het organiseren van de deportaties. In wezen was de Joodsche Raad tegen het einde van de deportatiegolf steeds meer een instituut waar je als je goede relaties had, kon binnendringen en dan, dacht men, hoefde je niet weg. Dus: de joden zelf hielpen bij de deportaties. Wat moest dan de rest van de bevolking doen? En de spoorwegen die meehielpen, en de politie?
Maar het waren niet allemaal slechte mensen. Alleen, ze hadden misschien kleine kinderen voor wie ze bezorgd waren, familie. Onderduikers helpen was levensgevaarlijk. Duizenden Nederlanders hebben desondanks hun hele hebben en houwen geriskeerd om joodse onderduikers te helpen. Dikwijls met gevaar voor eigen leven.’
De Denen hebben praktisch alle joden gered.
Anstadt: 'Telkens als ik dat hoor, word ik kwaad. Denemarken telde een paar duizend joden. Zweden was vlakbij, je kon bijna overzwemmen. En er is het verhaal dat de Duitse commandant in Denemarken van de vlucht afwist en het allemaal door heeft laten gaan. Kom me niet aan met Denemarken. Zie wat in Frankrijk is gebeurd. Nogmaals, de Nederlanders hebben zich ten aanzien van de joden niet slechter gedragen dan andere volkeren. Niet beter ook misschien. Maar waarom zouden Nederlanders betere mensen zijn dan mensen elders? En het verhaal dat procentueel hier de meeste joden zijn verdwenen, wel… de omstandigheden hier waren voor de Duitsers gunstig, zeer gunstig.’
Goed, nu je boek. Je doet wel een enorm beroep op de goedgelovigheid van de lezer. Je laat op het einde van de oorlog Lidy iets klaarmaken met peper en zout. Wie had er nu peper in de hongerwinter?
Anstadt: 'Wij, we hadden alles. Zekere Rob, een maverick, die zorgde voor alles. Stroop? Ja, we hadden ook stroop, potten vol.’
Je verhaalt hoe een van de ondergedoken meisjes op hongertocht ging met een fiets zonder banden. Dat meisje komt Duitsers tegen, lieve Duitsers. En die zeggen, o, kom maar even mee. Nee, geen arrestatie. De Duitse soldaten geven haar twee nieuwe binnenbanden en twee nieuwe buitenbanden. Het lijkt wel een sprookje, Milo! En er waren Duitse soldaten die een gestrande onderduikster met een legerauto keurig naar jullie onderduikadres brachten?’
Anstadt: 'Ja, ik kan het ook niet helpen, het is echt gebeurd, een van die meisjes was Lidy, mijn ex-vrouw. Ze woont hier aan de overkant. Je kunt het aan haar gaan vragen.’
Anstadt, vertelt hij in zijn boek, werd eens door een verzetsman naar een onderduikadres gebracht, met een vrachtauto. Ze hadden hem een overall gegeven, zodat hij kon doorgaan voor een lid van de werkploeg. Maar Anstadt werd toch aangehouden, het liep op het nippertje goed af. En toen liet de leider van het transport, de man uit het verzet, zijn revolver zien. Hij zei: 'Niet wij hebben geluk gehad, maar zij.’ Alsof er met een revolver of een pistool iets te beginnen zou zijn geweest tegen twee met geweren gewapende Duitsers.
Moet ik dat nu geloven? Je reed als verzetsstrijder overdag toch niet rond met een revolver of een pistool?’
'Ja en toch is het echt zo gegaan. Die man was misschien onvoorzichtig. Hij is ook later gepakt en gefusilleerd.’
Het boek van Milo Anstadt ontleent zijn titel De verdachte oorboog aan een ook al onwaarschijnlijke en idiote gebeurtenis. Lidy en hij waren samen, ondanks het ideale persoonsbewijs, gearresteerd. Verdacht van betrokkenheid bij het verzet. En een Nederlandse SD'er zei tegen Lidy: 'U bent jodin, ik zie het.’ Lidy ontkende natuurlijk. Zei de SD'er: 'Ik kan het zien, aan uw oorboog. Een joodse oorboog.’ Zei Lidy: 'Ik heb daar niet in gestudeerd.’ Zei de SD'er: 'Maar ik wel.’
Dat hele gesprek daar op het politiebureau, dat zet je tussen aanhalingstekens. Maar hoe kun je het verhoor en alles wat er gebeurde zo in details herinneren?
'Lidy en ik hebben het samen gereconstrueerd. Zo is het allemaal echt gebeurd.’
Je vindt ook dat in Nederland voor de oorlog weinig of geen antisemitisme bestond. Ik heb het anders meegemaakt.
'We woonden in Amsterdam-Oost, in de Blasiusstraat. Ik heb daar nooit iets gemerkt van antisemitisme.’
Als jood kon je in de jaren dertig alleen maar terecht bij een joods bedrijf. Gerzon, de Bijenkorf of zo. Niet bij Vroom & Dreesmann of Peek & Cloppenburg. Ik werd als joods jongetje op straat altijd Moos genoemd. Jongens, mag Moos mee voetballen? Nee, Moos, vandaag niet.
'Het zal wel, ik heb het allemaal anders ervaren.’
DE TWEEDE kunstgreep van Anstadt waar critici over zijn gestruikeld, is het gebruik van de derde persoon. Anstadt laat een Milo opereren alsof hijzelf niet die Milo is. De auteur verklaart deze kunstgreep in een nogal ingewikkeld naschrift: 'Het ik dat de trage oorlogsjaren had overleefd, bleef uitgeput achter in de baaierd van het verleden. Een alter ego verzamelde de gehavende herinneringen. (…) Een ander dan het subject uit de jaren 1940-1945 was het die verslag uitbracht over mijn oorlogsjaren en deze kon niet het recht opeisen zich van de eerste persoon te bedienen. Maar juist doordat hij het niet deed, stelde hij zichzelf in staat die herinneringen neer te schrijven.’
Anstadt: 'Ja, zo moest ik het doen. Die Milo uit de bezetting, dat was een heel andere Milo dan degeen die nu tegenover je zit. Ik besef nu dat die Milo een nogal roekeloze jongeling was.’
Anstadt zegt ook nog vol schuldgevoel te zitten. Hij heeft zijn ouders niet kunnen redden.
'De Nederlandse joden, ze leefden erg op zichzelf. Ze hadden bijna geen contact met de niet-joodse bevolking. Dat heeft ook bijgedragen tot de massadeportaties. In België zijn veel meer joden gered. Niet doordat België minder antisemitisch zou zijn. Maar in België waren de joden Machers. Ze hadden grote invloed. En hoe komt het dat in de Oosteuropese landen procentueel meer joden zijn gered dan in Nederland? Omdat ze daar wisten wat er zou gebeuren. In Polen zijn tienduizenden joden lang voor Hitler uitgemoord. De pogroms! De Nederlandse joden dachten echt dat ze in “het oosten” hard zouden moeten werken, maar dat ze er wel doorheen zouden komen. En de rest van de Nederlanders dacht ook: “Nu ja, ze zullen daar hard moeten werken. Maar onze eigen jongens moeten ook hard werken.”’
Anstadts De verdachte oorboog mag aldus niet direct als de noodzakelijke aanvulling op de geschiedenis van de Nederlandse joden in de bezetting worden beschouwd. Wel natuurlijk als een aanvulling. En er is, hoe ongelooflijk Anstadts ervaringen ook mogen zijn, geen enkele reden te twijfelen aan de juistheid van de beschrijving ervan. Echter, andere onderduikers kunnen ongetwijfeld een heel ander verhaal vertellen. Over veel gehuil, geen gevrij en geen gelach.