Een hardnekkig verlangen naar eeuwigheid

Wislawa Szymborska, Uitzicht met zandkorrel. Een keuze uit de gedichten. Vertaling en nawoord Gerard Rasch, uitgeverij Meulenhoff, 173 blz., 325,- (na 1 juli 339,90)
De jury, bestaande uit Rob van Erkelens, Barber van de Pol, Jacq Vogelaar en Marc Reugebrink, koos Wislawa Szymborska’s Uitzicht met zandkorrel tot boek van de maand maart. De andere mededingers waren:
Patricia de Martelaere, Verrassingen (uitg. Meulenhoff, 189 blz, 334,90). Ontroering en nuchterheid gaan samen bij de ontrafeling van vragen als: hoe verrassend is de komst van Sinterklaas? Filosofe De Martelaere over de troostrijke rollen die de mens zich schept.
Hugo Schulze, 33 ogenblikken van geluk , 230 blz., 339,90). Intrigerend prozadebuut van een jonge Berlijnse auteur. De stad Sint-Petersburg herbergt om elke hoek, onder elk putdeksel, verhalen over de schoonheid van het verval. Grappig geschreven, met een sterke literaire verbeeldingskracht.
Rainer Maria Rilke, Nieuwe gedichten (vertaald door Peter Verstegen, uitg. Van Oorschot, 309 blz., 359,-). Gedichten uit waarschijnlijk Rilkes sterkste periode, toen hij in Parijs woonde en omging met Rodin. Dinggedichten noemde Rilke ze zelf, waarin hij poogde gebouwen, stadsbeelden, landschappen en historische of mythologische figuren zo objectief mogelijk te presenteren. Dit is het eerste van twee geplande delen, elk gedicht door de vertaler voorzien van een zakelijk commentaar.
MEN KAN NIET alles weten. Het kan dus zomaar gebeuren dat de Poolse poëzie een van die gebieden is die niet mijn onmiddellijke en voortdurende aandacht heeft. Zbigniew Herbert las en bewonderde ik, eerst in het Duits, later in het Nederlands; Czeslaw Milosz en Tadeusz Rózewicz las ik in mij meer en minder betrouwbaar lijkende Nederlandse vertalingen. Maar nog nooit had ik van Nobelprijswinnares Wislawa Szymborska gehoord, moet ik bekennen, ondanks het feit dat zij, zo is mij gebleken, al meer dan dertig jaar tot de top van de Poolse poëzie wordt gerekend en ondanks het feit dat ook haar werk al geruime tijd in het Duits voorhanden is. Men kan niet alles weten, bijvoorbeeld ook niet welke Poolse dichters allemaal in het Duits zijn vertaald.

De nu verschenen, door Gerard Rasch vertaalde bloemlezing uit Szymborska’s werk, Uitzicht met zandkorrel, is dus eigenlijk mijn eerste kennismaking met deze poëzie. En zij is me bevallen, moet ik zeggen. Ik behoor niet onmiddellijk tot degenen die deze poëzie overal even ‘meesterlijk’ vinden en 'virtuoos’, zoals in het nawoord van een toch ook nog maar aangeschafte Duitse bloemlezing om de andere regel te lezen valt; ik vind in deze Nederlandse bloemlezing (die dus al een keuze uit het werk is) een aantal gedichten zwak en pathetisch. Maar daar ga ik het hier niet over hebben. Een dichter meet men niet naar zijn zwakkere of zelfs zwakste gedichten, en Szymborska heeft sterke poëzie geschreven: poëzie van een grote helderheid, die desalniettemin een geheim bewaart, die niet benoemt maar omspeelt, die speels is ('spielerisch’), maar niet enkel een spelletje ('Spielerei’), poëzie kortom met een hoge inzet, zonder priesterlijke neigingen, zonder galm.
'DE VREUGDE van het schrijven./ Het vermogen tot vereeuwiging./ De wraak van een sterfelijke hand’, zo omschrijft Szymborska het in een gedicht uit 1967. Op het eerste gezicht en binnen de Nederlandse context herinneren die woorden aan het credo van de zogeheten 'hermetische’ of 'witte’ poëzie: het stilleggen, vereeuwigen van de werkelijkheid in de woorden van het gedicht. Maar Szymborska’s poëzie is niet uit op vereeuwiging, veeleer juist op 'onteeuwiging’ (zoals overigens een van de grootste 'hermetisch’ genoemde dichters, Kouwenaar, het ooit noemde). De wraak van de sterfelijke hand verandert aan de sterfelijkheid van die hand geen zier; integendeel: vóór de wraak is er de erkenning dat er gewroken moet worden, dat de onvermijdelijke sterfelijkheid dus een feit is. Die schrijvende hand legt zich daar alleen maar niet bij neer. 'Er is geen leven dat nooit,/ al was het maar een ogenblik/ onsterfelijk is geweest’, heet het dan ook in een gedicht met de titel 'Over de dood, zonder overdrijving’. Maar ook hier is het verzet geenszins gericht op het verslaan van de dood, op het bereiken van werkelijke onsterfelijkheid, maar hoogstens op het redden van de geleefde tijd uit de klauwen van die dood: 'Wat iemand achter zich heeft,/ kan hij nooit terugnemen.’ En dus komt de dood uiteindelijk toch altijd te laat; het leven is hem, zij het dan maar ten dele, voor geweest en ook, zij het al even gedeeltelijk, voorgebleven.
De mens die naar eeuwigheid verlangt, wordt door Szymborska dan ook nergens ontkend. Integendeel: ze vraagt niet zelden van de dingen die van tijd geen last hebben, juist enig mededogen met dit menselijke-al-te-menselijke in de mens. 'Hij heeft zijn zinnen op geluk gezet,/ en op de waarheid,/ en de eeuwigheid,/ kijk hem eens!’, lees je in 'Grote pret’, en het is duidelijk dat het perspectief van de dichteres hier letterlijk boven-, of misschien moet je wel (even letterlijk) zeggen: on-menselijk is - een standpunt dat gemakkelijk tot cynisch leedvermaak over al dat menselijke gedoe zou kunnen leiden, want welke kans op geluk, waarheid en eeuwigheid heeft zo'n mens: 'Hij kan nauwelijks dromen van waken onderscheiden,/ heeft nauwelijks gesnapt dat hij het is,/ heeft net met zijn uit een vin geboren hand/ tondeldoos, raket gesneden,/ is makkelijk te verdrinken in een lepel oceaan,/ niet eens zo leuk dat de leegte om hem lachen kan,/ ziet alleen met zijn ogen,/ hoort alleen met zijn oren/ (…)/ is kortom bijna niemand -/ maar hij denkt alleen aan vrijheid, aan alwetendheid,/ en aan bestaan buiten het dwaze vlees,/ kijk hem eens!’
MAAR HET gaat Szymborska niet om leedvermaak, maar om de bevestiging van het verlangen, ook, of misschien moet je zeggen: juist in het licht van de onmogelijkheid het te vervullen. De profetes Kassandra, wier voorspellingen zoals bekend door niemand werden geloofd, mag de mensen toeroepen: 'Beschouw uzelf vanaf de sterren’, omdat juist die buitenaardse positie de werkelijkheid van de menselijke conditie pas werkelijk openbaart, maar uiteindelijk is haar gelijk minder waard dan de 'vochtige hoop,/ een vlammetje door zijn eigen flikkering gevoed’ die in de mensen leeft en die maakt dat zij het ogenblik kennen. 'Ik heb gelijk gekregen’, zo weet ze. 'Alleen vloeit daaruit niets voort./ En dit is mijn profetenkleed, geblakerd door het vuur./ En dit zijn mijn profetenprullen./ En dit is mijn vertrokken gezicht./ Een gezicht dat niet wist dat het mooi kon zijn’.
Het is deze gerichtheid op het verlangen, los van de vervulling en heel vaak in weerwil van de onmogelijkheid het te vervullen, die maakt dat dieren, planten en dingen in deze gedichten in hun (altijd schijnbaar) ware gedaante voor ons verschijnen: als het zichzelf blijvende in ons passeren, als het voor onze waardebepalingen onverschillige, als hetgeen siberisch blijft voor wat wij er aan toeschrijven, als het on-menselijke dat ons uiteindelijk onszelf laat zien zoals wij zijn: menselijk, onvolkomen. Het is het verlangen naar het volkomene dat ons daarmee verzoent, en dat soms zelf onverzoenlijk worden kan wanneer de werkelijkheid zich daar al te hardhandig doorheen dringt.
Zoals bijvoorbeeld in 'Geboren’, dat begint met de prachtige strofe: 'Dit is dus zijn moeder./ Die kleine vrouw,/ aanstichtster met grijze ogen’. Men weet meteen hoe laat het is, want hier spreekt de verongelijkte minnares die zeer tegen haar zin aan de moeder van haar geliefde wordt voorgesteld. Niet alleen omdat die moeder de oudste rechten op de liefde van haar zoon heeft en dus rivale is - het wordt venijnig bestreden met: 'Zij is het dus, die ene/ die niet koos voor hem,/ volledig noch voltooid’ - maar vooral ook omdat die moeder de zo geliefde zoon herleidt tot zijn sterfelijkheid: 'Geboren./ Hij is dus toch geboren./ Geboren als allen./ (…)/ Van alle kanten,/ op elk ogenblik/ blootgesteld/ aan zijn eigen afwezigheid/ (…)/ Ik begreep/ dat hij de weg al half had afgelegd.// Maar tegen mij zei hij dat niet,/ nee.// “Dit is mijn moeder”,/ was alles wat hij zei.’ De liefde verraden door wat haar mogelijk maakt.
DE KRACHT van Szymborska’s poëzie schuilt in dit hardnekkig vasthouden aan het menselijke verlangen naar eeuwigheid (naar Liefde, Waarheid enzovoort), naar de onmenselijke perfectie die de mens gelijk zou maken aan de onverschillige natuur, maar die kracht schuilt ook in het tegelijkertijd even hardnekkige verlangen die natuur weer een menselijk gelaat te geven. Je kunt het ook zo zeggen: Szymborska bestrijdt haar eigen dood met haar sterfelijkheid. Maar je kunt het ook nog heel anders zeggen: eenvoudiger, helderder, met dat beetje ironie en dat totale gebrek aan minachting jegens de mens en zijn gesputter, met de kalme, zeker niet berustende, maar zich nergens overschreeuwende stem van Wislawa Szymborska zelf.