Een harig kleedje

ZE IS EEN voetnoot in de literatuurgeschiedenis. Netty Nijhoff (1897-1971), die zich als schrijfster sekseneutraal A.H. Nijhoff noemde, publiceerde tijdens haar leven zes boeken. Het beroemdste daarvan, Twee meisjes en ik uit 1931, is niet zo lang geleden herdrukt in een serie feministische klassiekers. Kennelijk kan bijna niemand zich daar meer iets bij voorstellen, bij feministische klassiekers - Twee meisjes en ik heeft tijdens dat tweede leven nauwelijks aandacht gekregen. Haar andere romans zijn hoogstens in stoffige hoekjes van antiquariaten verkrijgbaar.

Zoals dat gaat bij een voetnoot gaat achter de kleine lettertjes een heel verhaal schuil. Niet alleen het verhaal van haar kunst - vooral Twee meisjes en ik en Venus in ballingschap zijn mooi en raadselachtig - maar ook dat over het kunstwerk dat haar leven was. Ze trouwde in 1916 als negentienjarige gymnasiaste met Martinus Nijhoff. Een moetje; ze kende de dichter alleen van vluchtige ontmoetingen op het schoolplein en heimelijke afspraakjes in het schemerdonker. Hun huwelijk, dat in de praktijk nauwelijks een huwelijk was, hield meer dan dertig jaar stand. Over het verbond tussen Netty en Martinus Nijhoff kun je een poldervariant van Portrait of a Marriage schrijven. De band die de echtelieden hadden, heeft veel weg van die tussen Harold Nicholson en Vita Sackville-West. Ze waren vrienden, zielsverwanten moet je misschien met een zwaar woord zeggen, ze steunden elkaar in hun kunstenaarschap, ze kenden elkaar door en door. Juist zo'n soort band is heel wat moeilijker te verbreken dan het hartstochtelijke verbond tussen geliefden. MARTINUS NIJHOFF was de zoon van een chique Haagse uitgever die, noblesse oblige, ervan uitging dat Martinus in zijn respectabele voetsporen zou treden. Zijn hele leven was Martinus met zijn vader in gevecht: het verlangen van zijn vader en de roep van de kunst; de ‘burgerman’ en de 'avonturier’, zoals hij de twee figuren noemde in zijn poëtische beginselverklaring De pen op papier. Hij was het allebei: troubadour en adviseur van de regering; dichtende rokkenjager en hofdichter in net gesteven pak. Netty Nijhoff was veel compromislozer. Ze was vier jaar met Nijhoff getrouwd toen ze hem alweer verliet. Ze reisde, al dan niet in gezelschap van haar zoon, naar het buitenland. Naar Italië, waar ze onder de rokken van Florence een pension begon met haar geliefde Maria Tesi. Naar Athene, waar ze een nooit gepubliceerde lofzang op Griekenland schreef, het land waar ze zich meer dan waar ook thuis voelde. Naar Parijs. Naar de kustplaatsen aan het zuidpuntje van Engeland. Ze was echtgenote op afstand en tegelijk excentrieke lesbienne. Dat laatste is in feite een pleonasme: iedere openlijke lesbienne was aan het begin van de eeuw vanzelf excentriek. In Parijs ontmoette ze de schilderes Marlow Moss, een tengere, knaapachtige vrouw in mannenkleren die later, via Netty, bij Mondriaan in de leer zou gaan. Zij werd Netty’s grote liefde. Met haar leefde ze in Engeland. Twee vrouwen in ruiterkleding. Zonder paarden, maar met zweepje, dat Moss naar verluidt steevast met zich meedroeg. DIT STAAT ALLEMAAL te lezen in De Nijhoffs of de gevolgen van een huwelijk, het boek waar Marja Pruis onlangs mee debuteerde. De titel en het uiterlijk van het boek (statig gebonden, een ovalen familieportretje van de Nijhoffs op het voorplat) doen vermoeden dat de poldervariant van de romantische Engelse gescheidenis op papier is gezet. Dat is niet waar, dat wil zeggen: het is slechts gedeeltelijk waar. De Nijhoffs of de gevolgen van een huwelijk is veel meer dan een biografische schets. Het is óók het verslag van de lotgevallen van een biograaf en een essay in romanvorm over het wezen van de biografie en biografisch onderzoek. Niet alleen de gebiografeerden zijn, zoals dat in elke biografie au fond het geval is, personages - de biografe en haar informanten zijn dat ook. Natuurlijk is dat knap verwarrend. Je ziet het ook aan de reacties die De Nijhoffs tot nog toe heeft opgeroepen. Het is geen biografie, constateren de recensenten zuur. Pruis plaatst zichzelf op de voorgrond, schrijven ze verwijtend, ze vindt zichzelf belangrijker dan haar onderwerp. En ze is niet eens een bekwame biografe. Ze laat haar bandrecordertje uit schroom in haar tas zitten. Van belangrijke gesprekken maakt ze slechts schielijk aantekeningen op de achterkant van willekeurige papiertjes! Als ze de gelegenheid heeft een sleutelfiguur te spreken, hem vanuit haar autoraampje in de keuken ziet staan, gaat ze er spoorslags vandoor! In dat bandrecordertje zit het hem juist. Dat is geen naïef teken van onbekwaamheid, maar een running gag door het boek. Het maakt duidelijk dat de biografe niet zomaar Marja Pruis zelf is - welke biograaf is zo dom of koket om zichzelf zo te kijk te zetten? De biografe is een personage, een soort biograferende Elckerlyc die op nogal wat dilemma’s stuit. 'Hé, dat gaat over ons!’ zegt haar vriendin tegen haar als ze een aflevering van Granta ziet liggen met het thema losers. Die vriendin vertelt haar ook de wijze les die haar psychiater haar leerde: 'Accepteer je middelmatigheid.’ Die opmerkingen slaan niet op de specifieke biografe in het boek, ze slaan op elke biograaf. Want degene over wie je een biografie schrijft is altijd minder middelmatig dan jijzelf: het is de moeite waard een boek over hem of haar te schrijven. Het schrijven van een biografie is in zekere zin plaatsvervangend leven. Waarom zou je je zo in iemands leven verdiepen als het niet net wat avontuurlijker en meer betekenisvol is dan je eigen leven? Wat is de biograaf anders dan een voyeur met, als het goed is, keurige historische distantie? Daar loop je tegenaan als je een ex-minnares spreekt die wordt vergezeld door haar jaloerse echtgenoot. Of een onwillige zaakwaarnemer. Of een getraumatiseerde ex-geliefde. Ze geven hun geheimen liever niet prijs. Ze beschouwen de biograaf als een indringer. UITEINDELIJK gaat het in De Nijhoffs om de geheimen. Of beter: het geheim. Aan het begin van het boek denkt de biografe: 'Ik verlang naar een zacht hechten aan iemand, naar iets dat mooi is en blijft, maar blijf haken in een harig kleedje.’ Pas aan het eind van het boek kun je die zin begrijpen. Dat verlangen naar zacht hechten is een citaat uit een brief van Martinus Nijhoff, het verwoordt precies haar verlangen om heel dicht bij het geheim van Netty Nijhoff te komen. Het harige kleedje is de praktijk. Tijdens de zoektocht naar het leven van de ander, raakt ze, bij wijze van spreken, verstrikt in het kleedje op de vloer van het bedompte bejaardenkamertje van de zus van Netty. Het geheim laat zich niet onthullen. Wat doe je als biograaf als je merkt dat je het geheim van een leven niet doorgrondt? Elke goede biograaf zal zeggen: je gebruikt je verbeeldingskracht. Elke biografie die het geheim wil onthullen is, hoeveel waargebeurde feiten zij ook bevat, fictie. Marja Pruis heeft dubbele fictie geschreven. Dat maakt haar debuut origineel en intrigerend.