Een harmonieuze wereldorde

China’s buitenlands beleid is niet zwart of wit, het is yin en yang. Het land acht zichzelf van oudsher superieur.

CHINA, zo schreef een bekend sinoloog, is als een toverspiegel. We zien erin wat we willen zien en zien niet wat er wél is. Dat maakt duiding van het oude rijk tot een hachelijke onderneming, niet in de laatste plaats omdat Peking een geïdealiseerd beeld van de werkelijkheid naar buiten brengt. In het Westen noemen we dat al snel propaganda, maar dat is een uitleg die geen recht doet aan de als magisch gevoelde werking van de Chinese taal: woorden zijn niet alleen in staat om de dingen uit te leggen, maar ook om ze te vormen; als ze vaak genoeg worden genoemd, komt de realisatie van de gewenste werkelijkheid een stap dichterbij.
Neem nu het woord harmonie. China dient een ‘harmonieuze samenleving’ te worden, waarbij heerser en onderdaan in wederzijds respect en met aanvaarding van hun positie vreedzaam samenleven. Dit ideaal is ook van toepassing op de ordening van de wereld buiten de grenzen van het rijk: 'China houdt vast aan harmonie en ontwikkeling in het binnenland en streeft naar vrede en ontwikkeling in het buitenland; deze twee aspecten zijn nauw verbonden met elkaar en vormen een organisch geheel.’ Deze woorden uit het door het ministerie van Buitenlandse Zaken in 2005 uit-gegeven Witboek over vreedzame ontwikkeling werden recent weerkaatst door admiraal Yang Yi in een artikel in de China Daily: 'China zal blijven vasthouden aan zijn politiek van goed nabuurschap, een keuze die ingegeven is door zijn langdurige verbintenis om een harmonieuze regio op te bouwen. Hoe sterk China ook zal worden als economische, politieke en militaire macht, het zal nooit overwegen om zwakkere naties te tiranniseren.’
China heeft van oudsher zijn identiteit ontleend aan de superioriteit van zijn beschaving. Hua - de oude naam voor het land - betekent tevens beschaving. De Chinese geschiedenis begint met Yao, Shun en Yu, legendarische vorsten die duizenden jaren voor Christus de landbouw en het spinnewiel uitvonden, dijken aanlegden en het schrift introduceerden. Beschavingsfundamenten die de bewoners van het Rijk van het Midden onderscheidden van de paardrijdende, ongeletterde nomaden die in de lange geschiedenis van het land een voort-durende dreiging vormden. Er waren twee manieren om het barbarenprobleem te beteugelen: assimilatie of uitroeiing. In de eerste aanpak heeft China opmerkelijke successen geboekt. De in het tweede millennium voor Christus in de Noord-Chinese laagvlakte ontstane beschaving breidde langzamerhand zijn invloed uit en werd normatief voor de koningen die heersten over een gebied dat ruwweg het oosten en zuiden van het huidige China beslaat. Ook al was het rijk verdeeld, de strijdende vorsten onderschreven het ideaal van een superieure eenheidsbeschaving die onder het bewind van de oervorsten haar hoogste piek zou hebben gekend: de tijd van de Grote Harmonie toen de ambtenaren deugdzaam waren, de ouderen en zwakkeren niets te kort kwamen en het onderlinge vertrouwen zo groot was dat de deuren van de huizen open stonden. Deze utopische voorstelling, waar Confucius ook op teruggreep, bevat enkele kernelementen die het politieke denken van China sindsdien hebben bepaald: de gedachte dat eenheid beter is dan verdeeldheid, harmonie belangrijker is dan gelijkheid, deugdzaamheid superieur is aan macht en dat het volmaakte verleden nooit kan worden overtroffen. Deze culturele bron is nooit opgedroogd. China is een conservatief land.
In 221 voor Christus slaagde de heerser van de staat Qin (ons woord China is daarvan afgeleid) erin om de overige vorsten te overwinnen en een groot, verenigd rijk te stichten. Zijn methodes waren hardvochtig, andersdenkenden werden levend begraven en hun boeken verbrand. Voor de in geschiedenis geïnteresseerde Mao Zedong was dit een irrelevant gegeven, het stond in dienst van een hoger doel: 'Waarom is dat tragisch? Ze hebben zich verzet tegen de eenwording van China. Men moet het triviale niet overdrijven ten koste van het grote. De eerste keizer heeft tevens zijn stempel op de geschiedenis gedrukt met de bouw van de Grote Muur. De zegenende invloed van de Chinese beschaving was in principe van toepassing op “alle gebieden onder de hemel”, maar sommige barbaren weigerden halsstarrig om de “zoon des hemels” als hun hoogste soeverein te erkennen. Sterker nog: gebruik makend van hun superieure cavalerie voerden ze veelvuldig plundertochten uit in het rijke agrarische land van het stroomgebied van de Gele Rivier.’
Het patroon voor tweeduizend jaar Chinese geschiedenis was gezet. In tijden van kracht drongen de keizerlijke legers tot diep in Azië door, en bouwden daar forten om de handelsroutes te beschermen en de barbaren in bedwang te houden; in tijden van zwakte trok men zich terug achter de Grote Muur om het Chinese kerngebied te beschermen. Wezenlijker was dat de virtuele muur, het fundamentele onderscheid tussen China en de barbaren, tussen orde en chaos, altijd intact bleef. Het gevoel van onderscheid ging zelfs nog dieper: de barbaren werden dikwijls voorgesteld als wilde dieren die het aan menselijkheid ontbrak. Ook dit thema is springlevend. Tijdens de rellen in Lhasa in 2008 noemde de partijsecretaris van Tibet de dalai lama 'een wolf met een menselijk gezicht en het hart van een beest’.
In de tweeduizend jaar na de eerste vereniging van China veranderde er niet veel in de botsende dynamiek van beschaving en barbaren. De legers van de Tang-dynastie (618-907) bereikten wat nu Afghanistan is, maar enkele honderden jaren later veroverden de Mongolen van Kublai Khan geheel China. Bezettingen als deze versterkten overigens het geloof in de superioriteit van de Chinese beschaving, omdat de veroveraars al snel Chinees leerden, hun dynastieën Chinese namen gaven en het immense rijk alleen maar konden besturen met behulp van het lokale ambtenarenapparaat.
Aan de eb-en-vloed-beweging van de Chinese geschiedenis kwam in de negentiende eeuw een einde. Nieuwe barbaren verschenen aan de horizon, niet te paard maar per boot en met veel dodelijker wapens dan pijl en boog. De Engelsen beten het spits af. Na de beruchte Opium-oorlog van 1840 werd Hongkong aan de Britten overgedragen en al snel eisten de Amerikanen, Fransen, Duitsers, Russen en Japanners ook delen van het Chinese grondgebied op. Ingebed in millennia-oud denken paste het hof in Peking de bekende tactiek toe van 'gebruik de barbaar om de barbaar te bestrijden’, maar faalde jammerlijk omdat deze bezetters van een geheel andere orde waren.
De westerse imperialistische mogendheden van de negentiende eeuw beschouwden zichzelf, net als de Chinezen, als vertegenwoordigers van een superieure beschaving en hadden bovendien de wapens en technologie om die claim kracht bij te zetten. Na de tweede Opium-oorlog van 1860 werd de keizer gedwongen om westerse ambassades in Peking toe te laten, een ongekende concessie voor een land dat voorheen alleen buitenlandse gezanten ontving die zich in het stof wierpen en het voorhoofd negen keer tegen de grond sloegen. Aan het begin van de twintigste eeuw stond er in Shanghai - althans, zo luiden de Chinese geschiedenislesboeken - in een door westerlingen bezocht park een bord met de tekst 'verboden voor honden en Chinezen’. De vernedering was compleet. Het trotse rijk, in 1800 nog het machtigste ter wereld, was in één eeuw gedegradeerd tot een semi-kolonie, de zieke man van Azië.
De zogenaamde eeuw van vernedering heeft een diepe wond geslagen in de Chinese ziel, het verklaart de soms wonderlijke combinatie van arrogantie en onzekerheid, de krampachtige reacties als de trots van de natie of bescherming van het grondgebied in het geding is. China was voor de negentiende eeuw geen territoriale natie, de identiteit van het land werd bepaald door de glans van zijn beschaving, niet de grootte van het grondgebied. De eeuw van vernedering heeft dat grondig veranderd. Soevereiniteit werd het kernbegrip en nationalisme het instrument om die soevereiniteit te waarborgen. Vlak voor de inval in Tibet in 1950 gaf de Communistische Partij een verklaring uit: 'Het Volks-bevrijdingsleger moet het gehele grondgebied van China bevrijden, inclusief Tibet en Taiwan. We zullen niet toestaan dat maar een centimeter van het Chinese land buiten de jurisdictie van de Volksrepubliek valt.’
Aan het begin van de 21ste eeuw is de missie van het 'herstel van soevereiniteit en -territoriale integriteit’ nog niet voltooid. Taiwan is niet terug in de moederschoot en het door Peking geclaimde Arunachal Pradesh, een gebied zo groot als Portugal dat de Chinezen Zuid-Tibet noemen, wordt door India bezet. Pekings claim op de Zuidchinese Zee en de daar aanwezige atollen leidt tot geschillen met Vietnam, de Filippijnen, Brunei en Indonesië. De eeuwenoude animositeit met Japan lijkt onoplosbaar.
Maar dit is niet het enige gezicht van Pekings diplomatie, deugdzaamheid is tenslotte belangrijker dan macht. Het land verstrekt op grote schaal zachte leningen aan ontwikkelingslanden, richt overal Confucius-instituten op en levert panda’s aan bevriende landen. Instrumenten van soft power die de aanvoer van grondstoffen en het openhouden van afzetmarkten moeten garanderen. Het deed de Financial Times onlangs verzuchten: 'Which is the real China - the pandas or the People’s Libera-tion Army?’ Een westerse vraag waar alleen een Chinees antwoord op gegeven kan worden: beide.
China en China’s buitenlands beleid - het is niet zwart of wit, het is yin en yang. De wijze vorst weet daar -harmonie in aan te brengen, de tegenstellingen met elkaar te verzoenen. In China zelf, maar binnenkort ook in de wereld. Als de boodschap van het vreedzame China - ondersteund met de macht van de economie en het leger - maar vaak genoeg wordt herhaald, komt de realisatie van de Chinese wereldorde snel dichterbij. Woorden zijn niet alleen in staat om de dingen uit leggen, maar ook om ze te vormen.