Een heel goede opvoeding

VRIENDELIJK MAAR behoedzaam is ze. Steeds weer spreekt ze zinnetjes uit als: ‘helaas ben ik een beetje argwanend’, ‘dan wordt mijn achterdocht gewekt’ en ‘ik heb ook reden om wantrouwend te zijn’. Ze formuleert zorgvuldig, laat als een fijnproever de woorden eerst door de mond gaan voordat ze ze uitspreekt.

Ellen Ombre is kortom een voorzichtig mens. Als het woord ‘allochtoon’ valt bijvoorbeeld: 'Ik begrijp niet wat het precies betekent, allochtoon, of het moet de ander zijn die wordt bedoeld. Toen ik in Nederland kwam, lang geleden, bestond het woord niet. Dat moet ergens zijn bedacht.’ Als we het over groepen hebben: 'Ik zie er niks in om tot een groep gerekend te worden. Als je het over een groep hebt, betekent het dat anderen worden buitengesloten. Ik heb geen groepsgevoel, niet als het om negers gaat, om Surinamers of om vrouwen.’ En als het over kleur gaat: 'Het zogenaamde wij-gevoel waar zwarten vaak gebruik van proberen te maken, is niet het mijne. Het komt vooral naar voren als: wij tegen de blanken.’
Ironisch: 'Een heleboel blanke mensen behoren tot mijn beste vrienden. Achterdocht is een van mijn betere eigenschappen.’
Waarom, vraag ik, zegt ze toch zo vaak dat ze achterdochtig is? 'Het heeft me heel ver gebracht’, antwoordt ze kordaat. 'Het hoeft niet iets negatiefs te zijn om heel goed op te letten wat mensen van je willen. Het heeft waarschijnlijk ook te maken met het verplaatst-zijn. Je leert kijken naar jezelf met de ogen van een ander en je leert dat die ogen niet altijd iets uitstralen wat je kunt vertrouwen.’
De afkeer van elke etikettenplakkerij en elk hokjesdenken is haar bovendien met de paplepel ingegoten. In een aantal van haar verhalen keert het terug: de vader die het kleine meisje leert dat ontwikkeling nog geen beschaving is. 'Het behoort tot de uitspraken die een enorme indruk op me maakten’, vertelt Ellen Ombre. 'Mijn vader had de gedachtengang van een wereldburger. Kijken wat een ander bezielt, wat jezelf bezielt, proberen je aan te passen aan die ander omdat dat een vorm van beschaving is. Beschaving betekende voor hem dat je altijd en overal op kunt gaan in je omgeving en dat je mensen niet in groepen indeelt. Hij was zelf een beschaafd man. Het verschil tussen beschaving en ontwikkeling bleek achteraf erg waar. Op mij werd vaak een negatief beroep gedaan als vreemde. Ik wilde maar niet worden wat sommige Nederlanders, blanken, wilden wat ik zou zijn: exotisch. Dat zit er niet in.
Mijn niet-groepsgevoel heeft wellicht te maken met het feit dat ik uit Suriname kom. Ik ben heel blij dat ik daar vandaan kom omdat het een zo uitgebreid samengestelde wereld is met zoveel verschillende volkeren. Creolen, joden, Hindoestanen, Indianen, Javanen en blanken wonen er door elkaar.
Als je daar opgroeit, weet je niet beter dan dat de wereld er zo uitziet. Je leert naar al die mensen te kijken en je voelt je op je gemak bij ze. En soms voel je je thuis - als het om individuen gaat, niet als het om een groep gaat.’
De Ark van Noach, verklaart een van de personages in Maalstroom, is na de zondvloed in Suriname vastgelopen: 'Ons land heeft niet één volk, maar verschillende soorten met hun eigen taal, godsdienst, hun zeden en gewoonten. Eén traditie hebben ze niet.’ 'De muliculturele samenleving bestaat in Suriname al lang’, vult Ombre aan. 'Als heel klein kind zag ik geen verschil, maar later besefte ik wel dat er ook etniciteiten waren die hun eigen gebruiken hadden gehandhaafd. Dat vond ik toen vreemd, om in zo'n land bijvoorbeeld in een kampong te wonen. Een overtuigd Hindoe te zijn, het ook uit te dragen, daar keek ik naar zoals een toerist kijkt naar een vreemde cultuur. Ik kan me herinneren dat een meisje van een jaar of twaalf op een dag uitgehuwelijkt werd. Ze woonde tegenover mij, ik had met haar gespeeld. Er was groot feest en ik was niet eens uitgenodigd. Dan merk je dus dat het niet één gezellige, gelijke wereld is, maar dat er heel grote verschillen zijn.’
IN 1992 DEBUTEERDE Ellen Ombre (1948) met de verhalenbundel Maalstroom. Ze woonde toen al zo'n dertig jaar in Nederland. Twee jaar daarna volgde de bundel Vrouwvreemd. Dit jaar verscheen Wie goed bedoelt, een autobiografisch reisverslag naar het Westafrikaanse Benin waarin ze bespiegelingen wijdt aan slavernij en ontwikkelingshulp. Haar verhalen spelen zich vooral af tussen Nederland en Suriname, gaan over emigratie en remigratie, over het leven in de tropen en Amsterdam, over de misverstanden tussen wit en zwart.
Al is ze er nog zo lang weg, Suriname blijft trekken. Ombre: 'De wens om terug te gaan, al is het maar voor even, blijft. Het is sterker dan een aantal jaar geleden, maar m'n huis staat hier. Ik vind Amsterdam een van de meest geciviliseerde steden van de wereld, ik voel me hier thuis. Hoe het in Staphorst of Waddinxveen is weet ik niet. Ik heb geen groot-Nederlands gevoel, behalve wat de taal betreft. Ik verlang naar Suriname, naar de tropen vooral, de warmte, de geuren, een soort gelijkmatigheid. Dat je niet naar buiten gaat en vier seizoenen meemaakt op één dag. De rust ook, vooral buiten de stad is het er zo stil.’
Maar als het verlangen wordt ingelost, kan het bitter tegenvallen, zo beschrijft Ombre in het verhaal 'Grieven’ in Vrouwvreemd. De ik-figuur daarin bezoekt het erf van haar jeugd 'op zoek naar de streling van een verleden’, maar de werkelijkheid stelt teleur. Haar magere schoolvriendinnetje is een opgezwollen moeder geworden. Nostalgie heeft alles in de herinnering mooier gemaakt. 'Dat hoort erbij’, zegt Ellen Ombre nuchter. 'Dat is niet te wijten aan Suriname of de tropen, het is iets wat in mezelf ligt. Het is de ervaring van de migrant: het verlangen is heel belangrijk in de gevoelswereld. Het doet altijd een beetje pijn, maar je moet een beetje lijden, hoorde ik vandaag op de radio. Anders weet je niet dat je er bent.’
Ellen Ombre kwam begin jaren zestig naar Nederland, toen ze dertien jaar oud was. Haar vader was griffier bij de Staten van Suriname, het gezin behoorde tot de gegoede burgerij. 'Wij waren verlofgangers, zo heette dat toen en dat dachten wij ook’, schrijft Ombre ergens. 'Maar als zovelen zijn wij niet teruggegaan.’ In het verhaal 'Met de beste bedoelingen’ in Maalstroom schetst ze hoe het vertrek naar Holland minutieus werd voorbereid: goede manieren leerden ze van de negentiende-eeuwse Duitse opvoedkundige Schreber; een Chinese naaister maakte nette kleren zoals die in de Libelle stonden afgebeeld. Nederland was, beschrijft ze in 'Flarden’, het behaaglijke land van Ot en Sien, waar het een ramp is als de wind een dakpan afrukt.
'We hadden een vertekend beeld’, vertelt ze. 'Het is zo langzamerhand alom bekend dat de meeste mensen die in de jaren zestig of vijftig of daarvoor naar Nederland kwamen, geen idee hadden dat er hier ook blanke arbeiders waren. De banen waar een lagere opleiding voor was gevraagd, werden in Suriname niet door een blanke uitgeoefend. Er waren wel boeroes in Suriname, blanke boeren, maar die genoten hoog maatschappelijk aanzien omdat ze land en geld hadden. Het was ondenkbaar dat je een blanke stratenmaker zou zien, of iemand die een huis schildert. Het waren meestal dokters en advocaten, dat soort mensen. Vandaar dat de meeste Surinamers die naar Nederland gingen om te studeren, het liefst dokter werden of advocaat.
Wat ik van Nederland wist, wist ik uit boekjes, van schrijvers. Niet alleen schoolboeken, maar ook de hele Kluitman-serie. Ik kon me bijvoorbeeld niet voorstellen dat er in Nederland ook armoede heerste. Een boek als Bartje was zó ver weg, dat was sprookjesachtig zielig. Het viel dus reuze tegen in Nederland, nou ja, het was anders. Maar Nederlandse mensen vonden mij ook anders dan hoe zij zich een neger voorstelden. Ik zat op een mulo in Amsterdam-Oost en men had er geen benul van hoe Suriname eruitzag. Ze dachten dat wij er in bomen woonden. En als ik een rok aan had, wilden ze weten hoe het was om kleren te dragen. Ze hadden echt géén idee.
De grote emigratiegolf zou pas na de onafhankelijkheid komen, in de jaren zeventig. Daarvoor waren er veel misverstanden. Aan vrouwen - voor mannen geldt weer een ander verhaal - werd heel wat toegeschreven: ze zouden erg goed zijn in bed, een hoog moedergehalte hebben, ze zouden goed kunnen gogo-dansen en lekker koken. Dat zit er bij mij niet in. Opletten dus. Kijken waar je terechtkomt.’
OPLETTEN, dat hielden haar ouders haar ook voor, want Nederland was tevens het land van gevaarlijke verlokkingen. In 'Afzien’, het autobiografische verhaal waar Vrouwvreemd mee opent, zegt de moeder streng tegen de ik-figuur dat als ze zich met jongens inlaat, ze het eerste beste vliegtuig terug naar Suriname moet nemen. Ze mag zich niet als andere welopgevoede Surinaamse meisjes laten bezwangeren of, erger, met een 'blootsoldaat’ trouwen. Ombre: 'Er kwam op een gegeven moment een oom van ons terug uit Nederland en die vertelde hoe mensen elkaar op een brug hadden gezoend en hoe er een draad van spuug tussen de een en de ander zichtbaar was geweest. Dat vond ik zo'n prachtig beeld, die verbinding door spuugrag. Mijn moeder concludeerde dat Amsterdam een Sodom en Gomorra was. Mensen vreeën en zoenden midden op straat.’
In Nederland was ze in de ogen van veel voorbijgangers een vreemde. 'Vroeger, thuis, waren we gewoon. Hier was ik een ander’, noteert ze in Vrouwvreemd. 'Dat is helemaal geen ingewikkelde ervaring’, zegt ze nogmaals. 'Het is een heel goede opvoeding. Het is heel belangrijk om een spiegel voorgehouden te krijgen. Je ziet niet echt je spiegelbeeld, maar wel wat een ander van je denkt en vindt en van je verwacht. Het is de kunst om te zorgen dat je daar niet verward of gefrustreerd door raakt. Mij heeft het alleen maar voordelen opgeleverd. En wat het buitenstaander-zijn betreft: het is altijd zo geweest dat mensen in beweging waren, van Oost naar West gingen. Ik vind het niet vreemd dat ik hier woon, ik hoor hier ook te zijn. Het is niks nieuws. Bovendien voel ik mezelf in die zin geen vreemdeling, ik spreek de Nederlandse taal. Het Nederlands is mijn identiteit, niet mijn huidskleur.’ De positie van 'buitenstaander’ heeft ook voordelen, bijvoorbeeld voor het schrijven.
Ombre: 'Doordat ik negerin ben, beweeg ik me net zo makkelijk in de Bijlmer als in Benin. Ik ken mensen op verschillende plaatsen en kom in allerlei sociale lagen terecht. Ik ken bijvoorbeeld een vrouw in de Bijlmermeer waar ik mijn haar laat vlechten als ik er heel mooi uit wil zien. Als kind werd mijn haar gekamd door een meisje dat voor mij zorgde. Ik herinner me dat ik tussen haar benen zat, dat ze met me sprak en m'n haar deed. Als ik naar die vrouw in de Bijlmer ga, kom ik in precies zo'n gezellige wereld. Ze is heel moederlijk, ze koestert mij en maakt mij mooi. Er komen daar vrouwen binnen met hun kinderen en ze praten over hun mannen en soms over seks. Ik deformeer en verander dan weer in een heel klein meisje dat al die grote-vrouwenverhalen aanhoort. Die mogelijkheid zit in mijn kroeshaar.’
De toon van Wie goed bedoelt is veel kritischer dan die van haar verhalenbundels. Ellen Ombre kwam in Benin nogal wat stenen des aanstoots tegen: de slavernij die ooit aan de Westkust plaatsvond, de roots-reizen die er nu worden georganiseerd, de betuttelende ontwikkelingshulp.
'Ik ging niet naar Benin om daar iets over slavernij te weten te komen’, legt ze uit. 'Maar ik kom in Benin en tot mijn verbijstering zegt iemand tegen me: van die slavernij moet u zich niet zoveel aantrekken, het waren de mindere mensen die werden verkocht. En dan vertel je aan zo'n man: ik ben een nakomeling van slaven. Hij reageerde met: mevrouw, u heeft zich vergist, want u ziet er zo superieur uit. Of ik kom een Afrikaanse intellectueel tegen die zegt: de slavernij is meer iets voor Surinamers en Afro-Amerikanen, wij houden ons met andere dingen bezig. Maar ze organiseren wel die vermaledijde roots-reizen!
Kijk naar mij: ik heb twee ouders, mijn ouders hebben ieder ook weer twee ouders, en zo heb je dus aan het eind van de vorige eeuw met ik weet niet hoeveel mensen te maken. Verstandelijk gezien is het onzin voor een creool om naar zijn roots te gaan zoeken, want er zijn zoveel volkeren verenigd in een creools persoon. Hij zou ook in Israel moeten gaan kijken en in Europa en India. Verder vind ik het sentimenteel: veel negers die zonodig naar hun roots moeten zoeken, hebben nauwelijks een idee waar West-Afrika ligt. Ze weten niet dat daar diverse volkeren wonen die verscheidene talen spreken en verschillende gebruiken hebben. Ze weten niet dat sommige volkeren andere verkocht hebben in slavernij. Want tot voor kort werd gedacht dat de slavernij voornamelijk een aangelegenheid was waar blanken schuld aan hadden. Dat gebrek aan historische kennis is heel slecht voor de identiteit van zwarten.’ Schamperend: 'Je zag groepen Amerikaanse negers die deelnamen aan georganiseerde roots-reizen. Van die dikke dames in shorts en op sportschoenen. Mijn Afrikaanse vrienden zeiden: “Gelukkig hebben onze voorouders de boot gemist.”’
Het gebrek aan kennis, daar en hier, stoort Ombre het meest. Afrika wordt nog altijd te veel als een duister hart gezien, als één groot zwart cluster. 'Ik heb meegewerkt aan een televisiedocumentaire’, vertelt ze opeens. 'Een paar dagen geleden kwam er op de Amsterdamse Nieuwmarkt een Surinaamse verslaafde op mij af. Een man met een grote bos rastahaar. Om zijn hals droeg hij het Afrikaans continent in groen, rood en geel aan een leren vetertje. Hij stond naar mij te kijken en ik voelde onwillekeurig waar mijn portefeuille zat, zo vooringenomen ben ook ik. Hij zei: mag ik tegen u praten?’ Ze imiteert hem met vet Surinaams accent: 'Ik heb u op televisie gezien. Ik heb nooit geweten dat er in Afrika ook mensen zo goed praten. Ik heb u gezien met een man, die man was professor. Een zwarte professor, man! Wilt u me een hand geven? Ik ben trots op u, zo trots! En dat u Afrikaans kan praten!’ Waarop ze uitlegde dat ze geen Afrikaans sprak, maar gebroken Frans. 'De man dreigde verstikt te raken in z'n denkbeeldige wortels. Kan je je voorstellen hoe treurig dat is. Roots als laatste strohalm.’