Een heel kleine Napoleon

Met intellectuelen heeft Nicolas Sarkozy weinig op. Zij wel met hem. Bestaat er iets als een sarkozysme? vragen zij zich af. En als in een soap: redt de held het?

QU’EST-CE QUE LE SARKOZYSME?
Esprit (november 2007) 257 blz., € 21,-

ARIANE CHEMIN & JUDITH PERRIGNON
LA NUIT DE FOUQUET’S
Fayard, 122 blz., € 12,-

BERNARD-HENRI LÉVY
CE GRAND CADAVRE À LA RENVERSE
Grasset, 422 blz., € 19,90

ALAIN BADIOU
DE QUOI SARKOZY EST-IL LE NOM?
Circonstances 4, Lignes, 155 blz., € 14,-

Ruim acht maanden zit Sarkozy nu in het Elysée. Zijn presidentschap is vooralsnog een spagaat van scherpe diagnoses van de Franse malaise en de voortvarendheid waarmee hij die te lijf gaat, en zijn bonapartistische neigingen alsmede de onbeschaamde wijze waarop hij privé en publiek leven vermengt. Maar is hij slechts een briljante politieke strateeg of zit er diepere coherentie verborgen in zijn optredens en uitspraken? Met andere woorden, bestaat er zoiets als een sarkozysme?

Dat vroeg het prestigieuze intellectuele tijdschrift Esprit zich af in een special over de beginperiode van Sarkozy’s presidentschap. Het antwoord luidde ontkennend: Sarkozy is een acrobaat die heen en weer springt tussen het bepleiten van de vrije markt en staatsingrijpen en die ook verder redelijk binnen de kaders van het gaullisme blijft. Een pragmaticus ook, die op televisie verklaarde dat hij theoreticus noch intellectueel is, maar ‘concreet’.

De opmerkelijkste (en verreweg de leukste) bijdrage in Esprit is die van Thierry Paquot, hoofdredacteur van een vaktijdschrift over stedenbouw. Anders dan andere Franse politici (ja, eigenlijk alle Fransen) is Nicolas Sarkozy geen man met wortels in een bepaalde streek, zo schrijft Paquot. De Gaulle had een tweede huis in Colombey-les-Deux-Eglises en ook zijn opvolgers, van Pompidou tot Chirac, waren vaak te vinden in hun buitenhuizen in de provincie. Sarkozy daarentegen was nooit weg te branden uit Neuilly-sur-Seine, de miljonairsgemeente even buiten Parijs, waar hij opgroeide en jarenlang burgemeester was. Van de honderden keren dat Sarkozy tijdens de presidentscampagne in het land moest spreken, overnachtte hij maar twee keer in een hotel. En nog geen dag nadat hij tot president was gekozen, nam hij de wijk naar Malta met een jacht, een ‘non-plek’ bij uitstek, stelt Paquot vast, omdat het zich steeds tussen twee plaatsen in bevindt.

Het betreffende jacht was eigendom van de Franse miljardair Vincent Bolloré. Over Sarkozy’s relatie met de rijken en de machtigen gaat La nuit de Fouquet’s van de journalistes Ariane Chemin (Le Monde) en Judith Perrignon (Libération). De twee journalistes beschrijven in detail de uren tussen het bekendmaken van de verkiezingsuitslag en Sarkozy’s vertrek uit de chique brasserie Le Fouquet’s, laat op de avond, naar Place de la Concorde, waar een uitzinnige menigte al uren op de zojuist gekozen president staat te wachten.

Zenuwslopende uren waren dat voor Nicolas Sarkozy. Waar bleef Cécilia immers, zijn (inmiddels ex-) echtgenote? Zij nam die dag niet de moeite om op haar man te gaan stemmen en leek evenmin van zins de paar kilometer af te leggen die Neuilly scheiden van Le Fouquet’s aan de Champs Elysées. Inmiddels weten we waarom: het huwelijk stond op springen.

Maar dat is niet wat het verslag van Chemin en Perrignon zo intrigerend maakt. Dat is de voor een Nederlander bijna niet voor te stellen vermenging aan de top die op het feestje meer dan zichtbaar wordt. De vooraf in het boekje afgedrukte gastenlijst spreekt wat dat betreft voor zich. Een (heel kleine) greep: Bernard Arnault (rijkste man van Frankrijk en Cécilia’s getuige bij haar huwelijk met Sarkozy), Nicolas Beytout (hoofdredacteur van dagblad Le Figaro), Martin Bouygues (bouwmagnaat, grootaandeelhouder van de populaire televisiezender tf1 en Sarkozy’s getuige bij zijn huwelijk met Cécilia), Alain Minc (financieel adviseur en voorzitter van de raad van toezicht van dagblad Le Monde), Serge Dassault (wapenhandelaar en eigenaar van Le Figaro) en Pierre Giacometti (baas van het peilingenbureau Ipsos en adviseur van Sarkozy).

Een van de talrijke mensen die Sarkozy op de bewuste avond bellen om hem te feliciteren met zijn overwinning is de linkse sterintellectueel Bernard-Henri Lévy. Een paar maanden eerder was het Sarkozy nog die Lévy belde. Op de voorpagina van Le Monde van die middag stond een artikel van Lévy’s vriend en strijdmakker André Glucksmann. De (eveneens linkse) filosoof legt erin uit waarom hij van plan was op Sarkozy te gaan stemmen. Of Lévy niet een gelijksoortig artikel wil schrijven, vraagt Sarkozy en hij houdt hem voor dat niet zijn rivale, maar hij, Sarkozy, de situatie in Tsjetsjenië en Darfur ter sprake heeft gebracht – landen die tellen voor Lévy, onvermoeibaar advocaat van Goede Zaken. ‘Kom, geef me je hand en we gaan een revolutie ontketenen’, zegt Sarkozy met zoetgevooisde stem. Uiteindelijk bedankt Lévy voor de eer. Maar goede argumenten kan hij eigenlijk niet verzinnen. Waarom breekt hij niet gewoon met zijn ‘linkse familie’ die, zoals Sarkozy hem tijdens het telefoongesprek voorhoudt, ‘al dertig jaar op hem pist’? Zie daar de vraag die aan de basis ligt van Ce grand cadavre à la renverse, het spraakmakende boek dat Lévy een paar maanden geleden publiceerde.

Argumenten om niet op Sarkozy te stemmen vindt Lévy bij nader inzien genoeg. Zoals de kolonisatie die Sarkozy naar de smaak van Lévy niet hard genoeg veroordeelt. Of de aanval die de kandidaat-president opent op de erfenis van 1968 en die Lévy, kind van ’68, het ‘bloed in de aderen deed stollen’. Maar redenen om de Parti Socialiste (PS) te steunen blijken bij nader inzien veel moeilijker te verzinnen. Lévy probeert te analyseren wat er bij links allemaal niet deugt. Weinig origineel komt hij met het bekende archaïsme van de PS (afkeer van markteconomie, halfslachtige houding jegens Europa, het soms virulente anti-Amerikanisme). Allemaal waar, maar toch een gemiste kans, aangezien hij onbesproken laat wat het werkelijke probleem van de PS is: een marxistisch superego dat ervoor zorgt dat de partij zich maar niet weet los te snijden van trotskistisch en communistisch links omdat ze eigenlijk vindt dat het gelijk heeft. Tot zijn schrik moet Lévy – die het idee heeft verinnerlijkt dat links het morele gelijk als vanzelf aan zijn kant heeft – ten slotte ook nog eens vaststellen dat de strijd tegen het fascisme en het antisemitisme (iets waar hij bijna bezeten van lijkt) bij links niet meer in goede handen is. En al helemaal niet bij extreem-links, dat Marx aan de wilgen heeft gehangen en zich tegenwoordig laat inspireren door denkers als Heidegger en Schmitt – beiden besmet door nazi-sympathieën.

Ook de filosoof Alain Badiou schreef over Sarkozy, maar anders dan Lévy verliest Badiou zich in De quoi Sarkozy est-il le nom? geen seconde in navelstaarderij. Hij opent direct frontaal de aanval op de president die hij afwisselend aanduidt als Le Napoleon-le-très-petit, het ‘opgewonden standje uit Neuilly’ of simpelweg als ‘de rattenman’ (naar de patiënt van Freud die model stond voor de obsessief-compulsieve persoonlijkheid). De quoi Sarkozy est-il le nom? is voor een deel een bewerking van colleges die Badiou afgelopen jaar verzorgde aan de École Normale Supérieure, de Franse eliteschool waar hij ook na zijn pensioen als hoogleraar aan verbonden bleef. ‘Er hangt een zweem van depressie in de zaal’, zo spreekt hij zijn studenten een week na de verkiezingen toe. ‘Maar het is toch zeker niet Sarkozy alleen die u terneerdrukt! Nee, dat is waar hij de naam van is.’ Badiou is een typische exponent van het extreem-links dat Lévy in zijn boek te vuur en te zwaard bestrijdt en dat hij het ‘rode fascisme’ noemt.

Gematigd is Badiou, die nooit afstand van het maoïsme nam en woorden als ‘democratie’ en ‘mensenrechten’ nooit zonder aanhalingstekens schrijft, inderdaad moeilijk te noemen. Hij is een apologeet van de jakobijnse terreur en de Culturele Revolutie en kotst op wat hij het ‘capitalo-parlementarisme’ noemt. Tegelijk is hij een veelzijdig filosoof wiens laatste grote werk, het imponerende Le Siècle, in 2006 in Engelse vertaling verscheen.

Maar welk besef deprimeerde Badiou’s studenten? Waar is Sarkozy volgens Badiou de naam van? Van een bewustzijnstoestand die zijn grondtrekken ontleent aan het pétainisme. Niet dat Sarkozy zou lijken op maarschalk Pétain, haast Badiou zich eraan toe te voegen (al maakt hij in zijn betoog vervolgens nergens duidelijk op welke punten ze dan verschillen), maar de angst en verwarring die Pétain aan de macht brachten herkent Badiou terug in het Frankrijk van nu. Angst voor het front populaire toen; vrees voor immigranten en jongeren in de banlieue nu. Desoriëntatie vanwege de nederlaag tegen de Duitsers toen; malaise vanwege de economische neergang en politieke stagnatie nu. Voor Badiou is Sarkozy de man die (in de terminologie van Pétain) zegt dat hij paal en perk zal stellen aan de decadentie, de Fransen weer aan het werk zal zetten, maar ook degene die zondebokken aanwijst (immigranten, de erfenis van 1968).

Toch blijft de vraag of Badiou meer dan 25.000 exemplaren van zijn boekje zou hebben verkocht als hij het over, zeg, Jan Peter Balkenende had geschreven. Sarkozy sells, hoe ongrijpbaar hij voor zijn critici ook blijft. Esprit kondigde al aan over een maand of wat met een vervolgnummer te komen. Waar zal Nicolas Sarkozy tegen die tijd zijn aangeland? Het valt onmogelijk te zeggen. Om één ding kan niemand heen en dat is dat Sarkozy de politiek tot een spannend feuilleton heeft omgesmeed waarbij iedere nieuwe aflevering de vorige doet vergeten. Zal de held het redden? Ondertussen zit heel Frankrijk op het puntje van zijn stoel omdat niemand wil missen hoe het afloopt.