De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Een heerlijke opschepper

Martin Michael Driessen ondergraaft zijn eigen verhaal © Bob Bronshoff

Martin Michael Driessen besloot in zijn nieuwste roman vrijaf te nemen van zijn eerdere ernstiger schrijfwerk. Je zag het in zijn vorige roman De pelikaan al enigszins aankomen: ironie stak daar af en toe de kop op, in De heilige is het de belangrijkste stijlfiguur.

De schelm Donatien, opportunist pur sang, pluriform seksueel, struikrover, vrouwenhater en later heilige vertelt zijn leven aan zijn tijdgenoten. Van schurk tot heilige. Geboren in 1789, gestorven in 1839. Deze opzet gaf Driessen de gelegenheid stilistische hoogvliegerij ruim baan te geven, maar daar ook vraagtekens bij te zetten. Hij neemt af en toe afstand van zijn gebruikelijke schrijftrant die tot nu toe leunde op een sterk geloof in een realistische weergave van de werkelijkheid. Al was de satire nooit ver weg, je zag bij hem, juist in de ouderwetse toonzetting van zijn stilistiek, dat hij uit alle macht probeerde daar niet te veel aan toe te geven. Hij wilde liever niet ironisch zijn en daarom was hij het.

In zijn nieuwe roman laat hij de teugels vieren. En zelfs realisme moet er af en toe aan geloven. Dit intrigeerde me, een schrijver die zijn eigen schrijfwerk onder de loep neemt, dat zie je niet vaak. Op de eerste pagina meldt Donatien bijvoorbeeld dat hij in de ochtend van 7 juni 1839 om het leven komt. Op zich al bijzonder vreemd wanneer je in realisme gelooft. Wanneer schreef hij deze memoires dan? Hij schreef ze dus, zou je zeggen, nadat hij wist dat hij zou overlijden en ook wanneer en hoe dat ging. Anders kon hij daarvan niet al op de eerste pagina melding maken. Anti-realisme grap nummer één: schrijven als oplichterstruc.

Daarna staat er weer iets uiterst dubbelzinnigs: ‘Het einde had ook anders kunnen komen dan door de valbijl, want de dood heeft geen weet van ons.’ Dat laatste is natuurlijk waar, fraai om het zo te formuleren, maar op het einde van de roman blijkt Donatien helemaal niet door een valbijl om het leven te komen. Moeten wij dan maar het begin herschrijven? Er staan meer van dit soort anti-realistische ingrepen in de roman. Donatiens zoontje komt bijvoorbeeld verspreid door de roman op verschillende manieren om het leven.

Er gaat trots van het werk uit: kijk eens hoe goed ik dit genre beheers

Driessen geeft zijn ‘held’ de juiste opschepperige verteltoon mee. Hij vindt zichzelf voortreffelijk. Hij kijkt meewarig neer op al die sukkels, nitwits en verongelijkten die zich, ze weten nu eenmaal niet beter, aan de maatschappelijke regels houden. Daartegenover propageert hij zijn eigen voortreffelijke eigenschappen. ‘Ik moet er niet aan denken hoe mijn leven zou zijn verlopen als ik klein en lelijk was geweest.’ En verderop: ‘U moet bedenken dat gebrek aan succes voor iemand als ik, die leeft bij de gratie van zijn bijzondere persoonlijkheid, iets heel anders is dan voor een gemiddeld persoon.’ Het wordt wel eens wat te veel van het goede, maar overdrijving past in dit genre.

Duidelijk is ook dat de schrijver zich hiermee polemisch opstelt tegenover de huidige Nederlandstalige romankunst waarin personages zich vaak vernederd, vertrapt of genegeerd voelen. Wel fijn om een keer zo’n nare opschepper tegen te komen. Ook in de vrouwonvriendelijke, zeg maar rustig vrouwvijandige opmerkingen stelt schelm Donatien zich provocerend op. ‘Met het kwaad kan men zich veel makkelijker arrangeren. Het kwaad is wat dat betreft eerder vrouwelijk, het laat altijd met zich onderhandelen.’ Driessen hoopt ongetwijfeld op strenge reacties van vrouwelijke lezers, liefst in de krant, mijn advies aan hen is het er verder maar bij te laten. Jennen en provoceren is niet de sterkste kant van deze auteur.

De scènes zijn zorgvuldig en liefderijk gekozen uit het rijke arsenaal van de schelmenroman. Struikroverij, expedities naar geheimzinnige landen, amorele betogen en handelingen, seksuele strapatsen, zeereizen, langdurige gevangenschap et cetera. Tegelijkertijd voel je ook enige aarzeling bij de schrijver: ga ik er een uit de hand lopende feestwinkel van maken met voor alle lezers voldoende herkenningsmomenten erin, of geef ik er toch nog een ernstige draai aan?

Dat laatste lukt niet helemaal, de af en toe opduikende betoogjes over het geringe onderscheid tussen goed en kwaad blijven mager, die geloofde ik geen moment. Toch gaat er een zekere terechte trots van dit werk uit: kijk eens hoe goed ik dit genre beheers. Maar hij gelooft er niet helemaal in, hij neemt er ook een loopje mee. Je zou kunnen zeggen dat hij in deze roman een loopje neemt met de hele literatuur. Hij laat het gemaakte en geconstrueerde ervan zien, hij ondergraaft het, zonder er helemaal afstand van te nemen.

Hij had er zin in de schrijfkunst zelf zijn roman binnen te brengen. Je ziet dat bijvoorbeeld in een fraai geschreven scène over de ronding per schip van Kaap Hoorn, een veel beproefde klassieker uit deze schrijftraditie. Alle clichés komen voorbij, ijzige kou, waterpartijen, wanhoop, honger en stormen. Driessen toont hier met veel plezier zijn grote schrijfkracht, je zou hem bijna op zijn woord geloven. Maar dan ineens deze alles ondergravende zin: ‘Of u het nu gelooft of niet: we bemanden de masten, waaraan geen flard zeil meer hing (…).’ Of u het nu gelooft of niet. Kern van literatuur: je hoeft het allemaal niet te geloven. Of wel.

Driessen stelt in deze roman de geloofwaardigheid van schrijven aan de orde. Van zijn eigen schrijfkunst. Hij vertelt een verhaal en tegelijkertijd ondergraaft hij het vertellen daarvan. Of je het nu gelooft of niet.